ECLI:NL:RBDHA:2026:25846

ECLI:NL:RBDHA:2026:25846

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-07-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.4805
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Statushouder Duitsland. Belangen van de kinderen onvoldoende in de besluitvorming betrokken. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedatum 1] 1990, eiseres,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.4805

mede namens haar minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2014,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2019,

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2021,

en [minderjarige 4], geboren op [geboortedatum 4] 2024,

allen met de Nigeriaanse nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),

en

(gemachtigde: Mr. J.A.A. Willems).

1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dit staat in rechtsoverwegingen 4.5.7 en 4.5.8 van deze uitspraak. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 januari 2026 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) internationale bescherming geniet.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en haar gemachtigde, de gemachtigde van de minister en I. Onwuegbuchu als tolk. Op 7 juli 2026 is het onderzoek heropend en zijn partijen per brief geïnformeerd dat de behandeling zal worden voortgezet door een andere rechter. Aan partijen is de gelegenheid geboden om binnen één week aan de rechtbank te laten weten of zij gelet daarop nogmaals op een zitting willen worden gehoord. De rechtbank heeft hierop geen reacties ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Bestreden besluit

3. De minister heeft op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiseres in Duitsland internationale bescherming geniet.

Beoordeling door de rechtbank

Eiseres voert in beroep het volgende aan.

Geen verblijfsrecht in Duitsland

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij internationale bescherming heeft gehad in Duitsland, maar dat deze is beëindigd en dat haar verblijfsrecht niet is verlengd. Het gezin is aangezegd Duitsland te verlaten, zodat ten onrechte wordt aangenomen dat eiseres nog steeds internationale bescherming heeft of zou hebben in Duitsland.

De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat voldoende aannemelijk is dat eiseres internationale bescherming heeft in Duitsland. Uit Eurodac blijkt dat eiseres sinds 22 maart 2018 internationale bescherming heeft in Duitsland. Eiseres brengt geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten naar voren, waaruit kan worden afgeleid dat haar

internationale beschermingsstatus is ingetrokken of beëindigd. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwen

Eiseres stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiseres heeft in het verleden in Duitsland formeel een verblijfsvergunning gekregen, maar is direct daarna volledig aan haar lot overgelaten met haar (inmiddels) vier kinderen. Zij kon geen aanspraak maken op voorzieningen en had geen recht op huisvesting.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat de lidstaten van de EU hun

internationale verplichtingen uit hoofde van bijvoorbeeld het Vluchtelingenverdrag en de Opvangrichtlijn naleven. Dit is slechts anders als er concrete aanwijzingen zijn dat het land waarnaar de vreemdeling zal terugkeren zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat zich in haar zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan deze veronderstelling wordt weerlegd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland jegens haar en haar kinderen de internationale verplichtingen niet heeft nagekomen of zal nakomen. De stelling van eiseres dat zij geen aanspraak kan maken op voorzieningen en huisvesting, heeft zij niet nader onderbouwd. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiseres niet kunnen of willen opvangen en helpen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM

In het kader van artikel 8 van het EVRM voert eiseres aan dat haar echtgenoot in Nederland verblijft en hier is opgenomen in de nationale procedure. Door het bestreden besluit worden eiseres en haar kinderen gedwongen om naar Duitsland te gaan en wordt zodoende het gezin uit elkaar gehaald. Dit terwijl er sprake is van familieleven tussen eiseres, haar echtgenoot en de kinderen. Het bestreden besluit is aldus strijdig met artikel 8 van het EVRM.

De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat hij geen ambtshalve bevoegdheid heeft om de asielaanvraag van eiseres ook te beoordelen op artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 3.6a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat de minister bij de niet-ontvankelijkverklaring van een asielaanvraag geen ambtshalve toets verricht ten aanzien van onder meer artikel 8 van het EVRM. Indien eiseres beoordeeld wil hebben of zij aanspraak maakt op verblijfsrecht op grond van artikel 8 van het EVRM, dan dient zij daartoe een aparte aanvraag in te dienen.

Belangen van de kinderen

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister de belangen van haar kinderen onvoldoende in de beoordeling heeft betrokken. Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de kinderen van hun vader worden gescheiden. De minister is er volgens eiseres ten onrechte ongemotiveerd aan voorbijgegaan wat deze scheiding voor de kinderen zal betekenen. De rechtbank volgt eiseres in dit standpunt en zal dat hieronder uitleggen.

Uitgangspunt is dat de minister een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd slechts niet-ontvankelijk verklaart op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000, als de vreemdeling een zodanige band heeft met het andere land dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Dat staat in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet sprake van een zodanige band met die lidstaat, dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

De minister moet van dit uitgangspunt afwijken als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Zo staat in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb 2000 dat bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2023 volgt dat de belangen van het kind als bedoeld in artikel 24 van het EU Handvest hier ingelezen moeten worden.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 15 december 2023 verduidelijkt dat de in artikel 24 van het EU Handvest gewaarborgde rechten van het kind volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van fundamenteel belang zijn. Dat houdt in dat bij alle handelingen die betrekking hebben op kinderen, als essentiële overweging rekening wordt gehouden met hun belangen. De bestuursrechter moet op grond van artikel 24 van het EU Handvest toetsen of de minister zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind.

Uit de rechtspraak van het HvJ over artikel 24 van het EU Handvest volgt dat de bestuursrechter daarbij ook moet beoordelen of de minister voldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van het kind in het licht van het fundamentele belang daarvan. Dat volgt ook uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de belangen van het kind in het kader van artikel 8 van het EVRM. Volgens deze rechtspraak dienen in alle beslissingen over kinderen hun belangen een eerste overweging te vormen en moet aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend hoeven te zijn, aanzienlijk gewicht toekomen. De toets van de bestuursrechter heeft een enigszins terughoudend karakter.

Enigszins terughoudend toetsend is de rechtbank in het geval van eiseres van oordeel dat de minister de belangen van de kinderen van eiseres onvoldoende heeft betrokken. De minister heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt wat de scheiding van hun vader betekent voor de kinderen. Ter zitting is de gemachtigde van de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op het standpunt dat de belangen van de kinderen onvoldoende zijn meegenomen in de besluitvorming. De gemachtigde van de minister heeft in reactie hierop verwezen naar pagina 3 van het voornemen. De gemachtigde van de minister erkent verder dat het in het belang van de kinderen is om bij hun moeder te verblijven. Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat het tevens in het belang van de kinderen en hun ontwikkeling is om ook bij hun vader te verblijven, stelt de minister dat dit nergens uit blijkt en dat deze stelling niet is onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het voornemen op pagina 3 niet is ingegaan op de scheiding van de kinderen van hun vader en wat dit voor hen betekent. Een verwijzing naar het voornemen in dit kader treft dus geen doel. De besluitvorming bevat naar het oordeel van de rechtbank dan ook een gebrek, aangezien de belangen van de kinderen hierin niet (volledig) zijn betrokken. Met betrekking tot de verklaringen van de gemachtigde van de minister ter zitting over de belangen van de kinderen, is de rechtbank van oordeel dat met deze verklaringen het gebrek niet is hersteld. Dat het in het belang van de kinderen is om met beide ouders op te groeien, is volgens de rechtbank een feit van algemene bekendheid. Het is geen standpunt dat nadere onderbouwing behoeft. De minister heeft met zijn enkele stelling dat van dit belang niet is gebleken en dat dit belang niet is onderbouwd, niet kunnen volstaan om het gebrek te herstellen. Het beroep is gelet hierop gegrond.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, aangezien de gemachtigde van de minister al ter zitting de gelegenheid heeft gehad om het gebrek te herstellen. In het kader van een efficiënte afdoening van deze zaak, acht de rechtbank het nu niet meer opportuun om de minister die gelegenheid nogmaals te bieden. De rechtbank zal de minister daarom opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat de rechtbank heeft overwogen. De rechtbank geeft daarvoor een termijn van vier weken.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten, waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.J.A. Schaaf

Griffier

  • mr. N.R. Peters

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand