RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.J. de Boer),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
proces-verbaal uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.27603
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.27604, op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde het bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser voert als enige grond aan dat dat het bestreden besluit te vroeg is genomen. Eiser had volgens het voornemen tot en met 14 mei 2026 om een zienswijze in te dienen, maar eiser voert aan dat dit een nationale feestdag is (Hemelvaartsdag). De dag erna is, volgens het besluit van 1 juli 2025, nr. [nummer] , gelijk te stellen aan een nationale feestdag. Hierdoor had eiser tot 18 mei 2026 de tijd moeten krijgen voor het indienen van de zienswijze. Het bestreden besluit is op 16 mei 2026 genomen, dat is daarom te vroeg. Dit is onzorgvuldig van de minister.
3. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit te vroeg is genomen, omdat hetgeen eiser over de termijnen aanvoert klopt. Hoewel eiser gemakkelijk contact had kunnen opnemen met de minister over de termijn, is niet in geschil dat eiser een gedeelte van de termijn voor het indienen van de zienswijze niet heeft kunnen benutten. Dit is onzorgvuldig.
4. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat het bestreden besluit inhoudelijk niet is betwist, terwijl eiser daarvoor inmiddels ruimschoots de tijd heeft gehad.
5. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026 door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
24 juni 2026
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.