RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5729
(gemachtigde: mr. E.C. Kaptein),
en
(gemachtigde: mr. E. Sweerts).
Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft op 2 februari 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening (NL26.5730) te treffen.
De rechtbank heeft de voorlopige voorziening op 31 maart 2026 toegewezen omdat eiser op 2 april 2026 naar Duitsland zou worden overgedragen maar een terugval had. Uit het medisch verslag van huisartsenpost [locatie] van 26 maart 2026 bleek dat eiser vanwege suïcidale klachten in zijn pols gesneden heeft.
Het beroep stond aanvankelijk gepland voor zitting op 2 april 2026. Bij brief van 1 april 2026 heeft verweerder om aanhouding verzocht, omdat hij medisch advies wilde vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA). De rechtbank heeft dit aanhoudingsverzoek toegewezen en de zaak aangehouden.
Verweerder heeft op 12 juni 2026 een medisch advies van het BMA overgelegd.
Eiser heeft op 21 juli 2026 aanvullende gronden ingediend.
De rechter heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, F. Said als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Inleiding
Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]. Hij heeft zijn asielaanvraag in Nederland op 8 september 2025 ingediend.
Op 27 oktober 2025 heeft Nederland aan Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Duitsland heeft dit terugnameverzoek op 29 oktober 2025 aanvaard.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
Eiser verzoekt om al het naar voren gebrachte als herhaald en ingelast te beschouwen. Daarnaast voert eiser aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd is. Eiser heeft psychische klachten. In Duitsland voelde eiser zich eenzaam en uitte hij automutilatie en suïcidaliteit. Kort voor zijn vertrek van Duitsland naar Nederland heeft eiser een suïcide poging gedaan. Zodra terugkeer naar Duitsland ter sprake komt, spelen de psychische klachten van eiser op. Ter onderbouwing heeft eiser zijn medisch dossier overgelegd. Gelet op het arrest C.K. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) kan eiser daarom niet worden overgedragen aan Duitsland. Overdracht aan Duitsland zal leiden tot een reëel risico op schending van art. 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook doet eiser een beroep op artikel 17 van de Dublinverordening. In Nederland kan eiser bij zijn familie verblijven, dit heeft een positieve invloed op zijn psychische klachten. Ook heeft eiser in Nederland veel steun aan zijn neef. Verweerder heeft het bestreden besluit niet daadkrachtig gemotiveerd door in te gaan op artikel 16 van de Dublinverordening in plaats van artikel 17 van de Dublinverordening. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat hij in Duitsland geen toegang heeft tot de hem noodzakelijke zorg en dat hij hier niet over kan klagen bij de Duitse autoriteiten. Eiser heeft in Duitsland ervaren dat hij geen toegang kreeg tot zorg en algemene landeninformatie onderbouwt dit ook. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het AIDA rapport, update 2024. Uit dit rapport blijkt dat wachttijden voor reguliere zorg zijn verlengd tot drie jaar. De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 februari 2025, (ECLI:NL:RVS:2025:588) slaagt niet, nu deze dateert van voor het AIDA rapport, update 2024. Aanvullend heeft eiser een recent medisch dossier overgelegd.
Ter reactie op het BMA advies van 12 juni 2026 voert eiser aan dat verweerder door het overleggen van het BMA advies niet is geslaagd in de beantwoording van de vraag of overdracht voor eiser een reëel risico vormt op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand. Niet inzichtelijk is waarom in het BMA advies wordt gesteld dat geen sprake is van essentiële mantelzorg en er wordt, gelet op het AIDA-rapport, ten onrechte gesteld dat eiser zelf in staat wordt geacht om professionele hulp te verkrijgen in Duitsland. Eiser heeft een bericht bijgevoegd van zijn psycholoog ([naam]) van 6 mei 2026. Eiser verwijst naar paragrafen 73, 74 en 76 van het arrest C.K., waaruit volgt dat dit ook ziet op de gevolgen voor de gezondheidstoestand voorafgaand en na de overdracht. Verweerder had Duitsland om individuele garanties moeten vragen. In deze zaak zijn de prejudiciële vragen die door rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19325, aan het Hof van Justitie zijn gesteld ook relevant. Het antwoord zou daarom afgewacht moeten worden.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd. Ter zitting heeft eiser de beroepsgrond dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft bepaald dat hij de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening niet mag afwachten, ingetrokken.
Verwijzing naar de zienswijze
5. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in het bestreden besluit gemotiveerd op de zienswijze ingegaan. Voor zover eiser enkel verwijst naar zijn zienswijze zonder toe te lichten op welke punten het bestreden besluit volgens hem onjuist of onvolledig is en waarom, kan dit niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel 6.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588 ten aanzien van het AIDA rapport, update 2022, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Voorts heeft de Afdeling met de uitspraak van 5 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4245, de uitspraak van rechtbank Den Haag van 19 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:15637, bevestigt. De rechtbank heeft in die uitspraak overwogen dat het AIDA-rapport over 2024 niet wezenlijk verschilt van eerdere rapporten, zodat dat rapport geen aanleiding geeft voor een ander oordeel.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat eiser bij overdracht aan Duitsland geen risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiser doen met landeninformatie en/of aan de hand van verklaringen over zijn eigen ervaringen. Uit punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218), volgt dat van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest pas sprake zal zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet met landeninformatie aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten op het gebied van zorg een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit het AIDA rapport, update 2024, volgt weliswaar dat vreemdelingen in Duitsland pas na drie jaar recht hebben op reguliere zorg. Vreemdelingen hebben daarvoor echter wel recht op noodzakelijke medische zorg. Dit is in overeenstemming met de Opvangrichtlijn. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om af te wijken van het oordeel dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Op grond van de artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening kan een uitwisseling van algemene en (indien eiser hiervoor toestemming geeft) medische gegevens van eiser plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland, waardoor de autoriteiten van Duitsland voor de overdracht over eventuele bijzondere (medische) behoeften van eiser worden geïnformeerd. Eiser heeft niet met landeninformatie aannemelijk gemaakt dat de Duitse autoriteiten na overdracht van de vreemdeling onvoldoende doen met de algemene en medische gegevens die zij op grond van artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening verstrekt krijgen van de overdragende lidstaat.
Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen over wat hij zelf in Duitsland heeft meegemaakt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij na overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft in de beroepsgronden weliswaar aangevoerd dat hij in Duitsland van zorg verstoken is geweest, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat eiser na overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormelde bepalingen. Zoals is overwogen in rechtsoverweging 6.3., blijkt uit het AIDA rapport, update 2024, dat eiser in Duitsland recht heeft op noodzakelijke zorg. Hier mag verweerder dus van uit gaan. Eiser heeft de stelling dat hij deze zorg niet heeft gekregen niet met stukken onderbouwd. Uit zijn verklaringen tijdens het aanmeldgehoor blijkt ook dat eiser in Duitsland geen organisaties heeft geraadpleegd om te vragen naar de mogelijkheden voor zorg. Dat eiser in Duitsland helemaal geen toegang heeft tot zorg, volgt de rechtbank daarom niet.
Duitsland heeft met het claimakkoord gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is door eiser niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van eiser dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid niet in staat is te klagen bij de Duitse autoriteiten, is onvoldoende. Het is voorts niet gebleken dat de autoriteiten van Duitsland eiser niet zouden kunnen of willen helpen.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, volgt dat verweerder omstandigheden die hij al heeft beoordeeld onder het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet ook onder de bijzondere individuele omstandigheden hoeft te beoordelen. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld eerdere ervaringen van de vreemdeling met de behandeling die hij heeft ondergaan in een lidstaat of een gebrek aan toegang tot zorg in een lidstaat. Verweerder heeft de aangedragen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beoordeeld en heeft ook gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Dat eiser niet van zijn familie en met name zijn neef in Nederland gescheiden wil worden heeft verweerder kunnen opvatten als een beroep op artikel 16 van de Dublinverordening.
7. De beroepsgronden slagen niet.
Medische omstandigheden
Uit het arrest C.K. volgt dat het aan eiser is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt. Het is dus aan eiser om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aan te tonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient verweerder het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit verweerders eigen Werkinstructie 2021/03, ‘BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K’.
Eiser heeft een medisch dossier overgelegd. Uit het medisch dossier volgt dat eiser last heeft van psychische klachten. Eiser ervaart eenzaamheidsklachten en gevoelens van suïcidaliteit, is somber, piekert en automutileert zichzelf sinds zijn veertiende- vanwege de wanhoop en onmacht die hij voelt. Eiser heeft op 25 maart 2026 te horen gekregen dat hij naar Duitsland overgedragen zou worden. Uit een verslag van de huisartsen spoedpost [locatie] blijkt dat eiser op 26 maart 2026 vanwege suïcidale klachten in zijn pols gesneden heeft. Verweerder heeft op basis van deze stukken een advies ingewonnen bij BMA.
Ter zitting heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het rapport van psycholoog [naam] van 6 mei 2025, dat niet bij het BMA-advies betrokken is, niets naar voren komt dat nog niet eerder naar voren is gebracht. Er wordt in dit rapport geen acuut suïciderisico benoemd. Het BMA-advies hoeft daarom niet opnieuw beoordeeld te worden.
Uit het BMA-advies van 12 juni 2026 blijkt het volgende. Eiser is bekend met depressieve en trauma gerelateerde klachten. Zijn huidige klachten worden versterkt door eenzaamheid, gebrek aan sociale steun en onzekerheid rondom de asielprocedure. Er is geen sprake van een acuut suïciderisico. Wel is sprake van een matig verhoogd risico op een
terugval in automutilatie en suïcidale gedachten. Eiser staat sinds februari 2026 onder behandeling van een psycholoog en het is niet bekend welke medicatie eventueel gestart is. Geconcludeerd is dat eiser kan reizen, indien tijdens de reis sprake is van begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige. Ook wordt aanbevolen dat eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt (zoals bijvoorbeeld een ingevuld Europees Medisch Paspoort) en om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen. Hoewel de steun van zijn familie bijdraagt aan het dagelijks functioneren van eiser, is er geen sprake van essentiële mantelzorg.
Verweerder heeft met het BMA-advies de gevolgen van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiser deugdelijk onderzocht en heeft van het BMA-advies mogen uitgaan. Het BMA-advies is voldoende inzichtelijk. Verweerder heeft daarmee voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het arrest C.K.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een overdracht naar Duitsland voor eiser geen reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand oplevert. Dat de overdracht een zodanige weerslag op de psychische gezondheid van eiser zou hebben, blijkt namelijk onvoldoende uit de door eiser overgelegde stukken. In het BMA-advies is de suïcidaliteit van eiser betrokken. Dat het incident van 26 maart 2026 niet expliciet wordt genoemd, maakt niet dat het BMA-advies onzorgvuldig is. Uit het BMA-advies volgt dat er in het geval van eiser een matig verhoogd risico op een terugval in automutilatie en suïcidale gedachten blijkt. Er is niet gebleken van een acuut suïciderisico.
Verweerder wijst terecht op de Afdelingsuitspraak van 9 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4774, waarin de Afdeling heeft overwogen dat het arrest C.K slechts gaat over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de vreemdeling en niet over de gevolgen van de aankondiging van de feitelijke overdracht op het moment dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft. Verweerder heeft met het BMA-advies de gevolgen van de overdracht op de gezondheidstoestand van betrokkene deugdelijk onderzocht. Anders dan waar eiser van uitgaat hoeft het BMA in een Dublinprocedure niet te specificeren dat de benodigde zorg beschikbaar is na overdracht. Verweerder mag in beginsel namelijk uit gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de in de andere lidstaat aanwezige medische zorg (zie ook de artikelen 17 tot en met 19 van de Opvangrichtlijn). In de Dublinprocedure mag verweerder er in beginsel van uit gaan dat in die andere lidstaat het Europese asielrecht nageleefd wordt. Eiser heeft met de overgelegde stukken, en ook anderszins, niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder het verkrijgen van aanvullende individuele garanties in Duitsland geen adequate zorgvoorzieningen kan krijgen. Dat eiser in Nederland mogelijk aanspraak kan maken op meer medische zorg dan in Duitsland, maakt niet dat Duitsland niet aan de minimumvereisten voor zorg voldoet. Daarnaast blijkt uit de medische rapporten die eiser heeft overgelegd niet dat er na zijn overdracht naar Duitsland, overdracht aan een zorginstelling moet plaatsvinden. Daarom heeft het BMA terecht overwogen dat dit in het geval van eiser niet van toepassing is. Daarbij volgt uit de het BMA-advies wel dat zijn familie belangrijk is voor eiser maar heeft verweerder zich op basis van dit rapport terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van essentiële mantelzorg.
De rechtbank volgt eiser evenmin in zijn betoog dat de uitspraak afgewacht moet worden tot de beantwoording van de prejudiciële vragen van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19325. In de zaak waarin de prejudiciële vragen zijn gesteld is medisch vastgesteld dat het suïciderisico mede samenhing met de mogelijke overdracht aan Kroatië. Een dergelijke medische onderbouwing ontbreekt in onderhavige zaak. Reeds daarom is geen sprake van vergelijkbare gevallen en bestaat geen aanleiding de uitkomst van de prejudiciële procedure af te wachten. De beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige hardheid
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), zoals dit beleid luidde tot 12 juni 2026, trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
Hoewel de wens van eiser om bij zijn familie en met name zijn neef in Nederland te blijven begrijpelijk is, omdat zij een positieve invloed hebben op zijn psychische klachten, heeft verweerder dit niet aan hoeven merken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser aan Duitsland van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser zich niet zonder zijn neven staande kan houden in Duitsland. Ook in de psychische toestand van eiser heeft verweerder daarvoor geen grond hoeven zien. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het om medische redenen noodzakelijk of aangewezen is dat hij voor zijn klachten in Nederland wordt onderzocht of behandeld. Verder kan verweerder er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uitgaan dat in Duitsland dezelfde medische zorg en behandelingen aanwezig zijn als in Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.