ECLI:NL:RBDHA:2026:25890

ECLI:NL:RBDHA:2026:25890

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.26673
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Dublin Frankrijk, verantwoordelijke lidstaat, interstatelijk vertrouwensbeginsel, artikel 17 Dvo, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.26673

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. H. Drenth),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (het bestreden besluit). Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door een tolk, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1]. Op 8 maart 2026 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland.

3. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 25 januari 2024 in België en vervolgens op 11 november 2025 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 1 april 2026 heeft verweerder aan de Franse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Op 15 april 2026 hebben de Franse autoriteiten het terugnameverzoek op die grondslag aanvaard. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1

1. De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de Dublinverordening en de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit.

De verantwoordelijke lidstaat

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft vastgesteld dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat voor eisers asielaanvraag zou zijn, en dat niet is ingegaan op de stelling in zijn zienswijze dat hij in Frankrijk geen asielaanvraag heeft ingediend. Hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen, namelijk dat Frankrijk niet binnen twee maanden een claimverzoek heeft ingediend bij België op grond van artikel 23 van de Dublinverordening, is volgens eiser daarom onjuist. Eiser is gelet op het vorenstaande van mening dat verweerder een claim in had moeten dienen bij België in plaats van Frankrijk, en dat verweerder in elk geval bij zijn claim naar Frankrijk nadrukkelijk de procedure in België had moeten vermelden. Volgens eiser staat in het terugnameverzoek alleen dat eiser door België is gereisd, maar niet dat hij daar een asielprocedure heeft doorgelopen. Omdat Frankrijk niet nadrukkelijk is ingelicht over eisers asielprocedure in België, heeft verweerder volgens eiser de Franse autoriteiten op het verkeerde been gezet en heeft Frankrijk ten onrechte het terugnameverzoek van eiser geaccepteerd.

Het standpunt dat verweerder de Franse autoriteiten op het verkeerde been heeft gezet slaagt niet. Anders dan eiser stelt, wordt in het terugnameverzoek aan Frankrijk onder het kopje ‘andere nuttige informatie’ uitdrukkelijk gesteld dat uit Eurodac volgt dat eiser op 25 januari 2024 in België en op 18 november 2025 in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Dit staat tevens ook weergegeven in het bijgesloten resultaat van de Eurodac-bevraging. De Franse autoriteiten hebben toegang tot het Eurodac-systeem en kunnen daarmee ook zelf vaststellen dat eiser in België en vervolgens in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Eisers stelling dat verweerder Frankrijk onvoldoende heeft ingelicht over zijn asielprocedure in België, volgt de rechtbank dan ook niet.

Weliswaar is onder dat kopje voorts gesteld dat eiser ook heeft bevestigd dat hij in Frankrijk om internationale bescherming heeft gevraagd, terwijl uit het aanmeldgehoor volgt dat eiser juist heeft verklaard dat hij dat niet heeft gedaan. De rechtbank stelt echter vast dat uit de door verweerder uitgevoerde Eurodac-bevraging van 9 maart 2026 blijkt dat eiser op 18 november 2025 is aangehouden in Frankrijk en daar zijn vingerafdrukken zijn afgenomen. Verder heeft Frankrijk het terugnameverzoek van verweerder op 15 april 2026 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Volgens deze bepaling is een lidstaat verplicht om ‘een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat…terug te nemen’. Daarmee hebben de Franse autoriteiten erkend dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is voor eisers verzoek om internationale bescherming. Het is naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk dat de Franse autoriteiten de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers verzoek zouden accepteren als hen niet was gebleken dat eiser in Frankrijk een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Daarnaast overweegt de rechtbank ten aanzien van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 april 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1583) dat eiser niet met onderbouwende stukken aannemelijk heeft gemaakt dat de Eurodac registratie niet klopt. Eisers stelling dat hij in Frankrijk geen dergelijke aanvraag heeft ingediend, volgt de rechtbank daarom niet.

Uit het voorgaande volgt dat de stelling van eiser dat hij geen asielaanvraag in Frankrijk heeft ingediend en dat verweerder de Franse autoriteiten van onvoldoende informatie heeft voorzien, niet slaagt. Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat Nederland ervan uit is gegaan dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is geworden op grond van artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening en hij daarom een terugnameverzoek bij Frankrijk heeft ingediend. Eiser heeft dit niet betwist. Aangezien Frankrijk daarmee akkoord is gegaan, is Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat en niet België. De beroepsgrond slaagt niet.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel

5. Eiser voert aan dat in Frankrijk de detentie- en leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU-Handvest. Hij wijst ter toelichting hiervan op de brief van Vluchtelingenwerk (VWN) van 1 april 2026 ten aanzien van de positie van Dublinterugkeerders en asielzoekers in Frankrijk en het AIDA-rapport van 11 juni 2025. Volgens eiser is hier in het besluit niet, althans niet voldoende, op ingegaan.

De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling heeft in onder meer de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623,

geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit vermoeden is weerlegbaar.

Gelet hierop is het aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in het geval dat eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. In het AIDA-rapport, update 2024, van juni 2025, leest de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hoewel uit dit rapport zorgen naar voren komen over de opvangsituatie in Frankrijk voor asielzoekers, heeft de Afdeling in de genoemde uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinterugkeerders dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, heeft betrokken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de brief van VWN van 1 april 2026 geen andere situatie laat zien dan uit de informatie volgt die al bij de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025 is beoordeeld. De meeste bijlagen in de brief zijn eerder gepubliceerd dan

het meest recente AIDA-rapport. Ook het meer recente AIDA-rapport van 11 juni 2025, schetst naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld van de opvang van asielzoekers in Frankrijk dan de eerdere AIDA-rapporten (zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 24 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21063). Als eiser toch problemen ervaart in het kader van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, dan ligt het op de weg van eiser om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk zal zijn. Eiser heeft ook niet met zijn eigen verklaringen aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Frankrijk niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser zelf tijdens het aanmeldgehoor van 31 maart 2026 heeft aangegeven geen problemen te hebben ervaren met de Franse autoriteiten, maar dat hij daar alleen is aangehouden in verband met het niet hebben van identiteitsdocumenten. Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Frankrijk buiten zijn eigen wil en keuzes om in een “toestand van zeer verregaande materiële deprivatie” terecht zal komen. De beroepsgrond slaagt niet.

Onevenredige hardheid

6. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft overwogen dat er in zijn geval sprake is van onevenredige hardheid bij uitvoer van het bestreden besluit. Hij merkt daarbij op dat niet vast is komen te staan dat, zoals verweerder in het bestreden besluit stelt, hij volgens de Franse vaststelling van zijn leeftijd al een ‘twintiger’ zou zijn en dat verweerder onvoldoende is ingegaan op bijzondere kwetsbaarheid van eiser als jong persoon van onder de 21 jaar. Hij is onvoldoende zelfredzaam en heeft al twee jaar geen contact met zijn ouders. Daarnaast heeft verweerder volgens eiser ten onrechte geen afweging gemaakt ten aanzien van artikel 8 van het EVRM en het jongvolwassenenbeleid. Dit beleid is volgens eiser ook op hem van toepassing, en hij verwijst in dat verband onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3049. Uit de Afdelingsuitspraak blijkt volgens eiser dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat er geen sprake is jongvolwassenenbeleid en dat verweerder dit beleid moet toepassen bij een beoordeling in het kader van gezinshereniging. Volgens eiser is een dergelijke evenredigheidsbeoordeling van artikel 8 van de EVRM ook vereist bij een afweging in het kader van de Dublinverordening.

Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc2 trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval kunnen beslissen om de aanvraag niet aan zich te trekken. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser

2 Op het onderhavige beroep is van toepassing de Vreemdelingencirculaire C van vóór 12 juni 2026.

niet heeft onderbouwd dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die ertoe leiden dat een overdracht onevenredig hard is. De omstandigheid dat eiser jong is en al langere tijd geen contact met zijn ouders heeft doet daar niet aan af. Gesteld noch gebleken is dat eiser minderjarig is. Uit het Dublinakkoord blijkt dat verweerder er terecht op heeft gewezen dat eiser in Frankrijk als geboortedatum [geboortedatum 2] heeft opgegeven. Dat eiser niet zelfredzaam zou zijn, wat daar ook van zij, doet er evenmin aan af dat Frankrijk verantwoordelijk is voor eisers opvang en onderhoud. Gelet op hetgeen in 4.3. is overwogen, heeft verweerder ervan uit kunnen gaan dat Frankrijk haar verplichtingen ten aanzien van artikel 3 van het EVRM alsook artikel 4 van het Handvest zal nakomen. Dat geldt ook ten aanzien van een (jong) volwassen eiser. In dat kader heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 8 van het EVRM geen rol speelt bij een beoordeling in het kader van de Dublinverordening. Uit vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1765), volgt dat in de Dublinprocedure niet aan artikel 8 van het EVRM wordt getoetst omdat deze procedure niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij familie- of gezinsleden kan worden verkregen. De door eiser aangehaalde uitspraak van 27 mei 2026 betreft een procedure over gezinshereniging, en ziet daarom ook op het jongvolwassenenbeleid waar eiser naar verwijst. Omdat het bestreden besluit ziet op een Dublinprocedure en van gezinshereniging geen sprake is, heeft verweerder de (gestelde) jongvolwassenheid van eiser niet bij het bestreden besluit hoeven betrekken. Eisers leeftijd en de stelling dat hij de Nederlandse taal spreekt en zich daarmee niet in Frankrijk kan redden maken vormen geen bijzondere individuele omstandigheid die maakt dat de overdracht van eiser getuigt van een onevenredige hardheid. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De door eiser aangevoerde beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechter, in aanwezigheid van

F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

20 augustus 2026

Documentcode: 026-053-906-293

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand