ECLI:NL:RBDHA:2026:25901

ECLI:NL:RBDHA:2026:25901

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.13512
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, Nigeria, asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Wel is ten onrechte aan eiser een vertrektermijn onthouden en aan hem een inreisverbod opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf te bepalen dat de vertrektermijn van eiser vier weken bedraagt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13512

geboren op [geboortedatum],

van Nigeriaanse nationaliteit,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Rasul),

en

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag van

eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Hij is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag, mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister de asielaanvraag heeft mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Wel is de rechtbank van oordeel dat eiser ten onrechte een vertrektermijn is onthouden en een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf te bepalen dat de vertrektermijn van eiser vier weken bedraagt. Deze termijn begint één dag na het bekendmaken van deze uitspraak te lopen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

De rechtbank zal daarbij eerst ingaan op de beroepsgronden met betrekking tot de geloofwaardigheid. Vervolgens gaat de rechtbank in op de gronden die zien op het kennelijk ongegrond verklaren van de asielaanvraag, het onthouden van een vertrektermijn en het inreisverbod.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 4 maart 2026 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

De rechtbank heeft het beroep op 24 augustus 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Nigeria problemen heeft met zijn oom. Eiser heeft grond van deze oom gekocht, waarna de oom eiser heeft vergiftigd en de grond met voodoo heeft vervloekt. De moeder van eiser is daardoor overleden en eiser houdt zijn oom hier verantwoordelijk voor. Eiser vreest bij terugkeer naar Nigeria dat zijn oom hem alsnog zal doden of dat eiser hem zelf iets aan zal doen.

Het bestreden besluit en het standpunt van de minister

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister acht de door eiser opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de problemen met zijn oom niet. De minister overweegt daartoe dat eiser zijn verklaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en daar geen goede verklaring voor heeft gegeven. De verklaringen van eiser vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo kan eiser niet met documenten onderbouwen dat hij de eigenaar van de grond is en is de door eiser gestelde vergiftiging door zijn oom gebaseerd op niet nader onderbouwde veronderstellingen. De minister vindt het daarnaast ongerijmd dat eiser na de gestelde vergiftiging nog ongeveer twee jaar in Nigeria heeft verbleven en hij geen aangifte tegen zijn oom heeft gedaan, terwijl dit wel mogelijk was.

De minister stelt daarnaast vast dat eiser in mei 2018 en oktober 2021 in Italië onherroepelijk is veroordeeld voor drugshandel. Uit de door de minister ontvangen informatie blijkt niet dat eiser is vrijgesproken voor deze strafbare feiten en eiser heeft dit ook niet aannemelijk gemaakt. Eiser vormt vanwege deze veroordelingen op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid.

Onvoldoende documenten

5. Eiser stelt dat hem ten onrechte twee keer wordt verweten dat hij geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij eigenaar is van de grond, namelijk zowel in het kader van artikel 31, zesde lid en onder b van de Vw als onder c van dit artikel. Eiser stelt dat het ontbreken van documenten niet betekent dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser merkt daarbij op dat hij wel degelijk voldoende samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over dit asielmotief. Daar komt bij dat eiser heeft geprobeerd de schriftelijke koopovereenkomst van de grond en de overlijdensakte van zijn moeder te bemachtigen, maar dit niet is gelukt omdat deze documenten zich vermoedelijk bij derden bevinden. Door van eiser te verlangen dat hij deze documenten alsnog overlegt, legt de minister hem een onevenredig zware bewijslast op.

De beroepsgrond slaagt niet. Uit het voornemen blijkt dat de minister eiser in de eerste plaats tegenwerpt dat hij geen documenten heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft gegeven (sub b van artikel 31, zesde lid van de Vw). De minister vervolgt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (sub c van artikel 31, zesde lid van de Vw). De minister noemt daar vier redenen voor, het niet (met documenten) aannemelijk hebben gemaakt dat eiser eigenaar is van de grond, is daar één van. Dat de minister de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vindt, is dus niet slechts vanwege het ontbreken van documenten. Ook de stelling dat aan eiser een onevenredig zware bewijslast is opgelegd, slaagt niet. Het is immers aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken, de stelplicht en bewijslast ligt bij hem. Zoals de minister op de zitting terecht heeft opgemerkt, heeft eiser zelf verklaard dat alle documenten met betrekking tot de koop en verhuur van de grond bij zijn advocaat in Nigeria liggen. Niet valt in te zien dat het voor eiser een onredelijke bewijslast vormt om deze documenten bij zijn advocaat op te vragen. Temeer nu eiser eveneens heeft verklaard dat hij nog een onderneming heeft in Nigeria en contact onderhoudt met zijn zus en bepaalde familieleden.

Vergiftiging door oom

6. Eiser is het daarnaast niet eens met de conclusie van de minister dat de gestelde vergiftiging door zijn oom op niet nader onderbouwde veronderstellingen is gebaseerd. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens een familiebijeenkomst in 2012 een drankje kreeg van zijn oom, waarna hij de volgende dag ernstige buikklachten kreeg. Volgens eiser kan het daarom niet anders dan dat zijn oom het drankje heeft vergiftigd. Dat eiser de vergiftiging niet medisch kan duiden, kan hem als leek niet worden verweten. Daar komt bij dat de moeder van eiser naar een voodoopriester is gegaan, die de vergiftiging heeft bevestigd. Ook het niet kunnen reproduceren van de exacte details van de gebeurtenissen kan eiser gezien het tijdsverloop niet worden verweten. Hij heeft alle vragen beantwoord en bij onduidelijkheden had de minister op grond van artikel 3.113 van het Vb door moeten vragen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de gestelde vergiftiging van eiser gebaseerd is op niet onderbouwde veronderstellingen. In dat verband heeft de minister in het voornemen terecht verwezen naar pagina 26 van het aanmeldgehoor, waar eiser wordt gevraagd meer te vertellen over de vergiftiging. Eiser geeft daarop aan niet te weten of zijn oom hem heeft vergiftigd. Hij denkt het, maar zijn moeder weet het zeker nadat een voodoopriester de vergiftiging door de oom heeft bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze informatie onvoldoende concreet heeft mogen vinden. Dat dergelijke verklaringen van voodoopriesters volgens eiser in Nigeria een belangrijke rol kunnen spelen bij het duiden van gebeurtenissen, maakt dit niet anders. Evenmin volgt de rechtbank eiser in de enkele stelling dat het niet anders kan dan dat zijn oom hem heeft vergiftigd. De minister heeft op de zitting terecht opgemerkt dat eiser hier wisselend over heeft verklaard. Zo verklaart eiser ook dat zijn klachten het gevolg zijn van bacteriën die hij binnen heeft gekregen bij het nemen van een medicijn van de voodoopriester. Daarnaast heeft de minister, anders dan eiser stelt, niet bij de beoordeling betrokken dat eiser niet kan vertellen welke giftige stof hem is toegediend of dat hij geen details kan reproduceren. Dit wordt hem dan ook niet tegengeworpen. De rechtbank is tot slot van oordeel dat eiser in het nader gehoor voldoende is bevraagd over dit onderwerp. Van een schending van artikel 3.113 van het Vb is daarom geen sprake.

Verblijf in Nigeria, aangifte en corruptie

7. Eiser vindt daarnaast dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij na de vergiftiging nog twee jaar in Nigeria is gebleven. De minister is voorbijgegaan aan zijn verklaring dat hij Nigeria pas in 2014 kon verlaten omdat hij bezig was met het verkrijgen van een visum voor Qatar. Ook had eiser in deze periode nog steeds ernstige buikklachten. De minister heeft daarnaast niet inzichtelijk gemaakt waarom uit het tijdsverloop van twee jaar zou volgen dat zijn oom geen belangstelling meer voor hem zou hebben. Ook is eiser ten onrechte verweten dat hij geen aangifte tegen zijn oom heeft gedaan. De minister is voorbij gegaan aan de verklaring van eiser dat hij geen aangifte heeft gedaan omdat hij niet wil dat zijn zusje betrokken raakt in deze problemen. Eiser merkt daarnaast op dat er veel corruptie is in Nigeria en hij er geen vertrouwen in heeft dat de Nigeriaanse autoriteiten hem zullen beschermen tegen zijn invloedrijke oom. Eiser verwijst in dat verband naar een aantal passages uit het Algemeen Ambtsbericht Nigeria van 2023. Die vermelden dat men vaak geen aangifte doet vanwege het gebrek aan vertrouwen in het rechtssysteem, dat niet alle aangiftes in behandeling worden genomen omdat dit afhankelijk is van financiële middelen, connecties en publiciteit en tot slot dat personen met connecties of geld manieren vinden om een zaak in de doofpot te stoppen. Ook blijkt uit het ambtsbericht dat de overheid slechts beperkt gezag had buiten de grote steden. De minister heeft dan ook ten onrechte overwogen dat eiser met een enkele aangifte voldoende effectieve bescherming zou krijgen in Nigeria.

Ook deze beroepsgronden slagen niet. Zowel de aanvraag van een visum en de aanhoudende buikklachten heeft de minister kenbaar bij de beoordeling van deze verklaringen betrokken. De rechtbank merkt daarbij op dat uit het wachten op een visum niet valt op te maken dat eiser gedurende deze periode een reële vrees had voor zijn oom. De minister heeft daarnaast terecht gewezen op de verklaring van eiser dat hij zijn oom nog heeft gezien gedurende deze periode en heeft daar uit op kunnen maken dat zijn oom geen bijzondere belangstelling voor hem had. In wat eiser naar voren brengt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. De minister heeft eiser daarnaast mogen tegenwerpen dat hij geen aangifte heeft gedaan en dit ook niet heeft geprobeerd. Uit het door eiser en de minister aangehaalde ambtsbericht blijkt weliswaar dat sprake is van corruptie in Nigeria, maar ook dat het doen van aangifte in beginsel mogelijk is en niet op voorhand als zinloos moet worden gezien. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat eiser meermaals heeft verklaard een goede advocaat in Nigeria te hebben.

Kennelijk ongegrond

8. Eiser stelt dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister stelt dat eiser in Italië in mei 2018 en oktober 2021 onherroepelijk is veroordeeld voor drugshandel en daarom op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Eiser heeft deze strafbare feiten echter steeds ontkend en heeft verklaard ten onrechte te zijn veroordeeld. Na twee jaar is hij na tussenkomst door zijn advocaat vrijgelaten. Het is eiser niet gelukt om documenten te overleggen waar uit blijkt dat hij is vrijgesproken. De minister heeft echter ook nagelaten stukken omtrent het strafdossier van eiser over te leggen en heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar het strafproces in Italië. Ook heeft de minister ten onrechte niet nader gemotiveerd waarom eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.

De beroepsgronden slagen deels. Uit het voornemen blijkt dat de asielaanvraag van eiser is afgedaan als kennelijk ongegrond omdat hij vanwege de veroordelingen op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt. Volgens paragraaf C2/7.10.1 van de Vc is daar sprake van wanneer aan de vreemdeling een gevangenisstraf van ten minste zes maanden is opgelegd en er sprake is van misdrijven die naar hun aard leiden tot een gevaar voor de gemeenschap. De vreemdeling vormt ook op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde als er sprake is van een (bijzonder) ernstig misdrijf. Uit het door de minister aan het digitale dossier toegevoegde uittreksel van het Europese strafregister van eiser blijkt onomstotelijk dat eiser in 2018 en 2021 onherroepelijk is veroordeeld voor opiumdelicten. De minister heeft in het voornemen uiteengezet dat dit (bijzonder) ernstige misdrijven betreffen. Daarbij is aan eiser (onder meer) in 2018 één jaar en in 2021 drie jaar en acht maanden gevangenisstraf opgelegd. Uit het uittreksel blijkt niet dat eiser is vrijgesproken en zoals de minister terecht heeft opgemerkt, heeft eiser dit ook niet aannemelijk gemaakt met stukken. De minister heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd dat eiser op ernstige gronden een gevaar vormt voor de openbare orde en nationale veiligheid zoals bedoeld in eerdergenoemde artikelen. Anders dan eiser stelt, heeft de minister niet nader hoeven motiveren dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het Unierechtelijke openbare orde criterium is in dit verband niet van toepassing. De asielaanvraag is daarom terecht kennelijk ongegrond verklaard. Tot zover slaagt deze beroepsgrond dan ook niet.

De beroepsgrond slaagt wel met betrekking tot het onthouden van een vertrektermijn en het daaraan gekoppelde inreisverbod. Nu de minister het onthouden van de vertrektermijn in de besluitvorming heeft gebaseerd op een gevaar voor de openbare orde (artikel 62, tweede lid, onder c van de Vw), is hier wel het Unierechtelijke openbare orde criterium van toepassing. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in de enkele stelling op zitting dat dit criterium niet geldt voor het opgelegde standaard inreisverbod van twee jaar. Dit standpunt laat namelijk onverlet dat het onthouden van een vertrektermijn in de besluitvorming niet is gebaseerd op de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond. Gelet op de door de minister in het besluit gekozen rechtsgrondslag, lag het op zijn weg om nader te motiveren dat eiser gelet op zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. In de besluitvorming is echter volstaan met een motivering over de aard en ernst van de misdrijven. De minister is niet gemotiveerd ingegaan op het tijdsverloop, of het persoonlijke gedrag van eiser sinds de gepleegde misdrijven. De minister heeft dit op zitting niet hersteld. Daarom is sprake van een motiveringsgebrek.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit gedeeltelijk, voor zover aan eiser een vertrektermijn is onthouden en een inreisverbod is opgelegd.

De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het besluit voor het overige in stand. Dat betekent dat in stand blijft dat de asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond en dat aan hem een terugkeerbesluit is opgelegd. Ook blijft in stand dat aan hem een dwangsom is toegekend. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de vertrektermijn van eiser vier weken bedraagt. Deze vertrektermijn begint te lopen één dag na het bekendmaken van deze uitspraak.

10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand in samenhangende zaken vast op € 934,00 (één punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,00, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand