RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.46191
V-nummer: [V-nummer 1],
mede namens haar minderjarige kind:
[minderjarige]
V-nummer: [V-nummer 2],
(gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen),
en
Procesverloop
Eiser heeft op 13 mei 2026 een asiel aangevraagd in Nederland. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 5 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
3. Uit Eurodac is gebleken dat eiser eerder een asielaanvraag heeft gedaan in Kroatië. Daarom heeft Nederland op 9 juli 2026 aan Kroatië een kennisgeving van terugname verstuurd. Op 22 juli 2026 heeft Kroatië de verantwoordelijkheid bevestigd. Verweerder heeft vervolgens besloten de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen en eiseres over te dragen aan Kroatië.
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat zij niet is gehoord en geen gelegenheid heeft gehad om bezwaar te maken tegen de overdracht. Eiseres voert verder aan dat zij in Kroatië samen met haar kind is opgepakt en onder slechte omstandigheden enige tijd in detentie is geplaatst. Daarna is zij hardhandig de grens met Bosnië overgezet. Daarom kan volgens eiseres ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In artikel 43, eerste lid, van de Ambv is de draagwijdte van het beroep tegen het besluit bij de rechtbank bepaald. Een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is één van de aspecten waarop het beroep betrekking kan hebben.
6. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in de zaak Jawo geoordeeld dat van een dergelijk risico sprake is als buiten de wil en verdere keuzes van de betrokken vreemdeling om, de overdracht een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengt waartegenover de autoriteiten onverschillig staan.
7. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bij overdracht aan Kroatië het geval zal zijn. Daarbij is van belang dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er daarom van uitgaan dat Kroatië de asielaanvraag van eiseres zorgvuldig en volgens de daarvoor geldende Europese regels zal behandelen. Eiseres heeft haar stelling dat dit anders is niet onderbouwd. Bovendien gaat hetgeen eiseres aanvoert over de behandeling in Kroatië bij aankomst als asielzoeker. Het gaat niet over de situatie dat zij aan Kroatië zal worden overgedragen.
8. De stelling van eiseres dat zij niet is gehoord en geen bezwaren kenbaar heeft kunnen maken, valt niet binnen de draagwijdte van artikel 43, eerste lid, van de Ambv en daarover kan de rechtbank dus niet oordelen. De rechtbank constateert ten overvloede dat uit de brief van 27 juli 2026 volgt dat eiseres gelegenheid heeft gekregen om relevante informatie aan verweerder te verstrekken. Ook in de onderhavige procedure bij de rechtbank heeft eiseres de gelegenheid gehad haar bezwaren tegen de overdracht naar Kroatië kenbaar te maken. Eiseres is daarmee niet in haar belangen geschaad.
9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 3 september 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.