ECLI:NL:RBDHA:2026:25948

ECLI:NL:RBDHA:2026:25948

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer NL26.12707
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asielaanvraag. Motiveringsgebrek in geloofwaardigheidsbeoordeling, beroep gegrond met in stand lating rechtsgevolgen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,geboren op [datum], V-nummer: [nummer],

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12707

alias

[naam] , geboren op [datum],

alias

[naam] , geboren op [datum],

(gemachtigde: mr. A.M. Veld),

en

(gemachtigde: mr. M. IJsbrands).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 september 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 maart 2026 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verder heeft de minister eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Voorgeschiedenis

3. Eiser stelt dat hij na zijn vertrek uit Marokko in 2021 of 2022 na een verblijf van drie maanden in Turkije Europa is ingereisd. Eiser heeft verklaard dat hij in Bulgarije, Servië, Hongarije, Oostenrijk, Italië, Ierland, Frankrijk, België en Duitsland is geweest.

Uit de Eurodac gegevens blijkt dat eiser op 14 maart 2022 in Bulgarije asiel heeft aangevraagd, op 6 april 2022 in Oostenrijk en op 3 mei 2022 in Ierland. Eiser heeft op 30 oktober 2024 in Duitsland asiel aangevraagd. De Duitse autoriteiten hebben eiser op 10 maart 2025 overgedragen aan Ierland.

Eiser heeft op 23 september 2025 de onderhavige asielaanvraag in Nederland gedaan. De minister heeft achtereenvolgens de Duitse en de Ierse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen, omdat zij verantwoordelijk zouden zijn voor de behandeling van eisers asielverzoek. De Duitse autoriteiten hebben de minister op 3 november 2025 laten weten dat Ierland verantwoordelijk is voor het asielverzoek van eiser. De Ierse autoriteiten hebben het terugnameverzoek op 10 november 2025 geweigerd, omdat eiser Ierland op 16 juli 2025 conform zijn terugkeerbesluit heeft verlaten.

Eiser is op 29 oktober 2025 en op 20 november 2025 niet verschenen op een uitnodiging voor een gehoor. Op 9 december 2025 hebben de Duitse autoriteiten Nederland gevraagd om eiser terug te nemen, omdat hij eerder in Nederland asiel heeft aangevraagd. De minister heeft dit verzoek geaccepteerd.

Op 5 januari 2026 heeft de minister eiser laten weten dat hij wordt opgenomen in de Nederlandse asielprocedure.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit

4. Het relaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende relevante asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen met een drugsbende.

5. De minister vindt eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar eisers identiteit niet. Eiser heeft volgens de minister geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en heeft onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring. Eiser heeft verklaard dat hij zijn identiteitskaart en paspoort bewust in Turkije heeft achtergelaten en dat hij de documenten niet zal laten opsturen naar Nederland, omdat hij niet uitgezet wil worden. De minister volgt eiser niet in zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat het hem niet is gelukt om contact te krijgen met de mensen bij wie hij de documenten heeft achtergelaten. Bovendien had eiser tussen zijn vertrek uit Turkije en zijn aanmelding in Ter Apel nieuwe documenten kunnen aanvragen bij de Marokkaanse autoriteiten. Verder vindt de minister dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft namelijk wisselende verklaringen afgelegd over zijn identiteit en is bij de Duitse autoriteiten bekend onder meerdere aliassen. Eiser heeft daarvoor volgens de minister geen verschoonbare verklaring gegeven. Bovendien is eiser tijdens zijn asielprocedure in Nederland op 9 december 2025 met onbekende bestemming vertrokken en is hij tijdens de Dublin procedure twee keer niet verschenen voor het aanmeldgehoor. Eiser heeft verder geen asiel aangevraagd in andere Europese landen waar hij is geweest of heeft er zijn procedure niet afgewacht. Uit al die gedragingen blijkt geen daadwerkelijke noodzaak tot internationale bescherming.

De minister vindt de problemen met de drugsbende niet geloofwaardig, omdat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eisers gedragingen sinds zijn vertrek uit Marokko rijmen namelijk niet met de gestelde noodzaak voor internationale bescherming. Eiser heeft meerdere keren gelogen tegen autoriteiten en zijn asielprocedure niet serieus genomen door zich niet te houden aan geldende regelgeving rondom zijn procedure. De minister ziet daarom niet in waarom eiser wel de waarheid zou hebben gesproken over de gestelde problemen met de drugsbende.

De minister heeft de aanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser identiteits- of reisdocumenten heeft vernietigd of weggemaakt. Eiser heeft namelijk tijdens het aanmeldgehoor verklaard dat hij zijn Marokkaanse paspoort en identiteitskaart bewust in Turkije heeft achtergelaten, om uitzetting te voorkomen.

Tot slot ziet de minister geen aanleiding om eiser uitstel van vertrek te verlenen om medische redenen. Eiser heeft alleen verwezen naar zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat hij medische problematiek heeft. De minister vindt dat onvoldoende.

De identiteit en niet in grote lijnen geloofwaardig

6. Eiser voert aan dat de minister zijn identiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. Eiser vindt dat hij wel oprechte inspanningen heeft geleverd om documenten naar Nederland te krijgen. Hij heeft immers geprobeerd zijn documenten naar Nederland te krijgen. De minister werpt volgens eiser verder ten onrechte tegen dat eiser zich niet tot de Marokkaanse autoriteiten heeft gewend voor documenten, omdat eiser niet kon weten dat de mensen bij wie de documenten zijn niet meer bereikbaar zijn. De conclusie van de minister dat eiser er geen moeite mee heeft om onjuiste informatie te verstrekken omdat hij in Duitsland onjuiste gegevens heeft verstrekt, wekt volgens eiser bevreemding. Eiser heeft daarvoor bovendien een verklaring. Hij wilde namelijk helemaal geen asiel aanvragen in Duitsland. Eiser heeft verder in de andere landen overal dezelfde gegevens doorgegeven. Eiser was al in veilig gebied, dus het feit dat hij zijn asielprocedure in Ierland niet heeft afgewacht en in Nederland met onbekende bestemming was vertrokken, doet niets af aan zijn vrees bij terugkeer.

7. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daartoe terecht overwogen dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven, onvoldoende documenten heeft overgelegd en daarvoor geen goede verklaring heeft. Eiser heeft verklaard dat hij zijn paspoort en identiteitskaart bewust in Turkije heeft achtergelaten en niet is gebleken dat hij geprobeerd heeft deze documenten naar Nederland te laten komen. Eisers stelling dat hij geprobeerd heeft contact te leggen met de mensen in Turkije leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd. Verder heeft de minister terecht aan eiser tegengeworpen dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft allereerst in Nederland en Duitsland wisselende persoonsgegevens opgegeven. Dat eiser geen asiel wilde aanvragen in Duitsland heeft de minister terecht geen verschoonbare verklaring gevonden. Daarnaast heeft de minister kunnen overwegen dat uit eisers gedragingen geen daadwerkelijke noodzaak voor internationale bescherming blijkt. Eiser is namelijk tijdens de huidige procedure enige tijd met onbekende bestemming vertrokken en is tijdens de Dublinprocedure tweemaal niet verschenen voor het aanmeldgehoor.

Problemen met de drugsbende

8. Eiser voert allereerst aan dat de minister de problemen met de drugsbende ten onrechte niet heeft beoordeeld op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid. Eiser vindt dat de tegenwerpingen van de minister met betrekking tot de geloofwaardigheid van de identiteit de afwijzing van de kern van de asielaanvraag niet kunnen dragen. Eisers nationaliteit en herkomst zijn namelijk wel geloofwaardig geacht. Eiser voert verder aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door geen aanvullend voornemen uit te brengen. De minister is in het voornemen namelijk niet ingegaan op het asielrelaas van eiser en doet dit pas in het besluit. Daardoor heeft eiser geen gelegenheid gehad om op die punten te reageren.

Eiser voert subsidiair aan dat de minister de problemen met de drugsbende ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser vindt dat hij voldoende informatie heeft verstrekt over de drugsbende en bovendien heeft de hoormedewerker tijdens het nader gehoor nauwelijks vragen gesteld over de bende. Eiser heeft verder een plausibele verklaring gegeven waarom hij tijdens het aanmeldgehoor niet heeft vermeld dat hij 15 tot 20 dagen in Casablanca heeft verbleven. Dit geldt ook voor het verblijf bij zijn tante. Eiser was nog in Marokko en begreep niet dat de vraag dat ook bedoelde. De minister overweegt volgens eiser verder ten onrechte dat eiser niet kan onderbouwen dat de mensen bij zijn ouders aan de deur kwamen vanwege de problemen met de bende. Eiser heeft verklaard dat de bende andere mensen heeft gestuurd en dat de bedreigingen zagen op wat er gebeurd was. Met betrekking tot de data merkt eiser op dat hij heeft aangegeven dat hij moeite heeft met data.

9. De rechtbank begrijpt de primaire beroepsgrond van eiser aldus dat de minister het asielmotief ‘problemen met de drugsbende’ ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden op grond van uitsluitend voorwaarde e van artikel 31, zesde lid, van de Vw en ten onrechte geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht. De rechtbank overweegt daarover allereerst dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats op

8 augustus 2025 een uitspraak heeft gedaan over de werkwijze van de minister voor de beoordeling van de geloofwaardigheid op basis van werkinstructie 2024/6. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze werkwijze in strijd is met het Unierecht, omdat een integrale beoordeling van het asielrelaas ontbreekt. De rechtbank heeft ook overwogen dat ondanks dat de werkwijze die de minister hanteert geen integrale beoordeling van de geloofwaardigheid voorschrijft, in een concreet geval toch een dergelijke integrale beoordeling kan hebben plaatsgevonden.

10. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit ten aanzien van de problemen met de drugsbende voorwaarde e aan eiser heeft tegengeworpen. Vervolgens heeft de minister in het besluit gemotiveerd waarom, als eisers problemen wel inhoudelijk op geloofwaardigheid zouden zijn beoordeeld, dit niet tot een ander oordeel zou hebben geleid. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de betreffende overwegingen ten overvloede in het besluit staan en dat voorwaarde c in het besluit niet is tegengeworpen. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister, dat nu niet is voldaan aan voorwaarde e en deze tegenwerping voldoende is voor het oordeel dat de problemen met de drugsbende niet geloofwaardig zijn, geen blijk geeft van een (kenbare) integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank overweegt hierbij dat voorwaarde e ziet op de vraag of eiser in het algemeen geloofwaardig is. Bij voorwaarde c gaat het om de vraag of eisers verklaringen een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Het standpunt dat ook een integrale beoordeling heeft plaatsgevonden wanneer de verklaringen van eiser niet inhoudelijk zijn beoordeeld, volgt de rechtbank niet, zodat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank legt dat hieronder uit.

10. De rechtbank stelt voorop dat, ondanks dat voorwaarde c volgens de minister niet is tegengeworpen, de verklaringen van eiser, weliswaar ten overvloede, in het besluit alsnog inhoudelijk zijn beoordeeld op geloofwaardigheid. De rechtbank overweegt verder dat, door de implementatie van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026, de nationale voornemenprocedure is afgeschaft en de wetsartikelen die daarop zien zijn komen te vervallen, waaronder artikel 3.119 van het Vb 2000. Dat artikel bepaalde dat de vreemdeling wordt geïnformeerd en de gelegenheid krijgt zijn zienswijze te geven als na het voornemen nieuwe of anders beoordeelde belangrijke feiten bekend worden en de aanvraag toch wordt afgewezen. Daargelaten de vraag of met de overwegingen van de minister in het besluit sprake is van nieuwe of anders beoordeelde belangrijke feiten naar aanleiding van de zienswijze, kunnen deze overwegingen niet leiden tot het oordeel dat de minister een nieuw voornemen moest uitbrengen. Uit de Memorie van Toelichting bij de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en Migratiepact 2026 volgt namelijk dat alle nationale procedureregels per direct ingaan. Artikel 3.119 Vb 2000 is dus niet meer van toepassing. Hierdoor geldt ook voor aanvragen van vóór 12 juni 2026 dat geen nieuw voornemen meer wordt uitgebracht, en de minister dus op grond van het huidige recht geen nieuw voornemen hoefde uit te brengen. Los daarvan is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn belangen geschaad, omdat de minister in het besluit de verklaringen van eiser alsnog op geloofwaardigheid heeft beoordeeld en eiser hierop heeft kunnen reageren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de verklaringen van eiser alsnog voldoende betrokken bij de beoordeling en heeft hij voldoende gemotiveerd waarom hij de problemen van eiser met de drugsbende niet geloofwaardig vindt. De rechtbank volgt eiser wel in de stelling dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij niet veel kan verklaren over de bende, omdat de minister op dat punt onvoldoende heeft doorgevraagd. De minister heeft namelijk uitsluitend gevraagd hoe de bende heet en hoe eiser bij de bende is gekomen. Dit leidt echter niet tot het oordeel dat het asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig is geacht, omdat de minister het asielmotief reeds op basis van de overige tegenwerpingen ongeloofwaardig kon vinden. De rechtbank vindt daarbij met name van belang dat eisers verklaringen over wanneer de diefstal zou hebben plaatsgevonden tegenstrijdig zijn en niet stroken met zijn verklaringen over het incident met zijn broer en over zijn vertrek uit Marokko. De enkele stelling dat eiser moeite heeft met data leidt niet tot een ander oordeel. Eiser wordt daarbij niet tegengeworpen dat hij geen concrete data heeft kunnen noemen, maar dat zijn verklaring dat het incident met zijn broer naar aanleiding van de diefstal vier maanden na de zomer van 2020 zou hebben plaatsgevonden, niet strookt met zijn verklaring dat hij de diefstal pas begin 2021 zou hebben gepleegd. Nu eiser heeft verklaard dat de diefstal de reden voor de problemen met de bende is geweest en het de kern van zijn asielmotief betreft, mag van eiser worden verwacht dat hij hierover eenduidig verklaart.

Kennelijk ongegrond

12. Eiser voert aan dat de minister de aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. Eiser heeft niet te kwader trouw gehandeld, hij heeft de documenten niet vernietigd en zich ook niet ervan ontdaan.

13. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat eiser te kwader trouw heeft gehandeld door zijn identiteitsdocumenten in Turkije achter te laten om een eventuele uitzetting te voorkomen. De enkele stelling dat eiser niet te kwader trouw heeft gehandeld leidt niet tot een ander oordeel.

De medische situatie van eiser

14. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar de medische situatie van eiser.

15. De beroepsgrond slaagt niet. Niet is gebleken dat eiser medische klachten heeft of onder behandeling staat. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd en heeft zelf verklaard dat hij geen gezondheidsklachten heeft, niet onder behandeling staat van een arts en geen medicijnen gebruikt. De minister hoefde daarom geen aanleiding te zien om onderzoek te doen naar eisers medische situatie.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De minister heeft namelijk niet kenbaar een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht door uitsluitend voorwaarde e aan eiser tegen te werpen bij de beoordeling van het tweede asielmotief. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de minister in de ‘overwegingen ten overvloede’ alsnog de geloofwaardigheid van eisers verklaringen heeft beoordeeld.

Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 5 maart 2026;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.

Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand