RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.26618
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B. de Haan),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 11 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Medische problematiek
Inreisverbod
Indirect refoulement
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten onderzoeken of eiser meer dan drie maanden buiten de het grondgebied van de lidstaten heeft verbleven, als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft namelijk verklaard twee maanden in Armenië en een maand in Moskou te hebben verbleven.
6. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens het arrest Karim van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU)2 is artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening van toepassing op een derdelander die het bewijs levert dat hij het grondgebied van de lidstaten ten minste drie maanden heeft verlaten alvorens een nieuw asielverzoek in te dienen in een andere lidstaat.3 Eiser heeft niet bewezen dat hij drie maanden buiten het grondgebied van de lidstaten heeft verbleven. Niet in geschil is dat hij op 31 januari 2024 door Duitsland is uitgezet naar Armenië, maar eiser heeft verder niet met enig stuk onderbouwd waar hij daarna is verbleven. De enkele verklaring van eiser dat hij twee maanden in Armenië en een maand in Moskou heeft verbleven is onvoldoende om te bewijzen dat hij meer dan drie maanden het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten. De minister was daarom niet gehouden om onderzoek te doen, omdat de bewijslast op eiser rust. Eiser heeft niet voldaan aan zijn bewijslast. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert aan dat de minister onderzoek had moeten doen naar de medische situatie van eiser. Eiser wijst op zijn verklaringen uit zijn gehoor, waarin hij aangeeft dat hij persoonlijke problemen heeft, gezondheidsproblemen en dat hij een moeilijke operatie heeft gehad. De minister is direct overgegaan tot toetsing aan het arrest C.K. tegen Slovenië van het HvJEU4, zonder zelf onderzoek te (laten) doen. Daarbij is de minister niet ingegaan op de verklaring van eiser dat hij geen medische zorg heeft ontvangen in Duitsland. Dit is onzorgvuldig en in strijd met het motiveringsbeginsel.
8. De rechtbank overweegt dat eiser zijn medische situatie niet met stukken heeft onderbouwd. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de minister gehouden was om onderzoek te (laten) doen naar de medische situatie van eiser. De minister is terecht tot de conclusie gekomen dat de eiser de lat van het arrest C.K. tegen Slovenië niet haalt. Voor zover eiser betoogt dat de medische zorg in Duitsland ontoereikend is, mag de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uitgaan dat eiser in Duitsland medische zorg kan krijgen. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de minister hier niet langer vanuit mag gaan. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het inreisverbod zich verhoudt tot het claimakkoord van Duitsland. Het regime van de Dublinverordening en het inreisverbod zijn verschillend en de minister had duidelijkheid moeten verschaffen hoe deze zich tot elkaar verhouden. Daarbij is eiser uitgezet naar Armenië, waardoor het inreisverbod van kracht is. Dat het ontbreken van een signalering in
2 Arrest van 7 juni 2016, C-155/15, ECLI:EU:C:2016:410.
3 Overweging 18.
4 Arrest van 16 februari 2017, C-578/16, ECLI:EU:C:2017:127.
het SIS meebrengt dat eiser de Europese Unie sinds de oplegging van het inreisverbod niet heeft verlaten, kan eiser daarom niet volgen.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Of aan eiser een inreisverbod is opgelegd, is niet relevant voor de vraag of Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. De bepalingen van de Dublinverordening zijn hiervoor van belang. Met het claimakkoord heeft Duitsland expliciet aangegeven dat ze eiser zullen terugnemen. In het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten aangegeven dat eiser is uitgezet naar Armenië, waaruit blijkt dat zij op de hoogte zijn dat eiser de Europese Unie heeft verlaten. Desondanks hebben zij het claimakkoord geaccepteerd. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat eiser Duitsland niet in zou mogen reizen. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiser voert aan dat hij bij overdracht aan Duitsland een risico loopt op indirect refoulement. Eiser heeft een veroordelend vonnis uit Armenië overgelegd, dat ziet op het niet vervullen van de militaire dienstplicht. Daarmee is een concreet aanknopingspunt aangedragen voor de stelling dat bij verwijdering vanuit Duitsland naar Armenië een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM5.
12. Uit de uitspraak van het Hof van 30 november 20236 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 20247 volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet is betwist dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
13. Eiser voert aan dat de minister toepassing had moeten geven aan zijn discretionaire bevoegdheid, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
14. De rechtbank overweegt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd geen reden geven om toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat eiser mag worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6 C-228/21, C-254/21, C-297/21, C-315/21 en C-328/21, ECLI:EU:C:2023:934.
7 ECLI:NL:RVS:2024:2359.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 juli 2026
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.