RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Tegenspraak
Parketnummer : 05/270397-20
Datum uitspraak : 17 juli 2025
uitspraak van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] in [woonplaats] .
Raadsvrouw: mr. T. Arkesteijn, advocaat in Rotterdam.
1. De inhoud van de vordering
De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 143.113,00.
2. De procedure
De zaak is voor het laatst op de openbare terechtzitting van 19 juni 2025 onderzocht.
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat de rechtbank de ontnemingsvorderingen in de zaken van de mededaders [mededader 1] , [mededader 2] en [mededader 3] heeft afgewezen omdat niet aannemelijk is dat deze daders wederrechtelijk verkregen voordeel hadden genoten. In deze zaak gaat het om hetzelfde dossier met dezelfde bewijsmiddelen.
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de veroordeelde geen voordeel uit de ten laste gelegde feiten of uit andere feiten heeft genoten.
3. De beoordeling van de vordering
De hoofdzaak
De rechtbank heeft op 17 juli 2025 vonnis gewezen in de hoofdzaak waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, ter zake van onder andere:
feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder D van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Die bewezenverklaring betrof voor zover relevant:
het medeplegen van het vervaardigen van ongeveer 105 liter amfetamine(olie), gepleegd in de periode van 1 januari 2020 tot en met 14 april 2020. Weliswaar werd er ongeveer 164 liter amfetamine(olie) op 14 april 2020 in het drugslab aangetroffen, maar naar het oordeel van de rechtbank werd een hoeveelheid van 55 liter amfetamine(olie) achter de rug van veroordeelde om voor een andere verdachte geproduceerd en is daarom afgetrokken bij veroordeelde.
De grondslag van de berekening van het wederrechtelijke verkregen voordeel
De rechtbank zal voor haar berekening uitgaan van artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Volgens deze bepaling kan de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die door dat feit of uit de baten daarvan voordeel heeft verkregen. Daarnaast kan aan een veroordeelde ook de verplichting worden opgelegd wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen aan de staat uit andere strafbare feiten, waarvan buiten redelijke twijfel vast staat dat een veroordeelde deze feiten heeft begaan.
Voordeel uit de bewezenverklaarde feiten
In de hoofdzaak is vastgesteld dat er in het drugslab in [plaats] door veroordeelde en zijn mededaders amfetamine(olie) is geproduceerd. Bewezenverklaard is dat er ongeveer 105 liter amfetamine(olie) is vervaardigd door veroordeelde (en de medeveroordeelden). Gezien het feit dat deze amfetamine(olie) nog in het drugslab aanwezig was op 14 april 2020 toen de politie in [plaats] het drugslab aantrof, kan hierover geen voordeel zijn behaald. De amfetamine(olie) was immers nog niet verkocht.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit de bewezen verklaarde feiten.
Voordeel uit andere dan de ten laste gelegde feiten
Medeveroordeelde [mededader 1] heeft verklaard dat al het afval van de amfetamineproductie op het erf is blijven staan (p. 67). Op basis van het aangetroffen afval (2950 liter) is berekend dat er (ongeveer) 331 liter amfetamine(olie) is geproduceerd. In het drugslab werd op 14 april 2020 in totaal ongeveer 164 liter amfetamine(olie) aangetroffen (p. 354-364 en aanvullend dossier 2, p. 43-44). Hieruit volgt dat er in het drugslab meer amfetamine(olie) is vervaardigd dan bewezenverklaard. Het is aannemelijk dat dat deel van de geproduceerde amfetamine(olie) het drugslab heeft verlaten ten behoeve van de verkoop.
Voor zover de rechtbank al vindt vaststaan dat veroordeelde betrokken is geweest bij de eerder vervaardigde amfetamine(olie), is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde daar geen voordeel uit heeft behaald. Zij overweegt hiertoe het volgende.
In de EncroChat-berichten die zich in het dossier bevinden wordt na de inval door de politie door veroordeelde (‘ [EncroChat-account 1] ’) en (onder andere) [mededader 3] (‘ [EncroChat-account 2] ’) gecommuniceerd. Onder meer de volgende communicatie heeft plaatsgevonden (p. 1224-1231):
De veroordeelden waanden zich onbespied ten tijde van het versturen van de EncroChat-berichten, omdat zij ervan uitgingen dat de berichten niet konden worden gekraakt. De rechtbank neemt de communicatie dan ook serieus en maakt uit de inhoud op dat veroordeelde geen voordeel heeft behaald uit de eerder geproduceerde en door ‘ [bijnaam] ’ weggenomen amfetamine(olie). Uit de berichten valt verder af te leiden dat veroordeelde de ketels heeft betaald die in het drugslab stonden ten tijde van de politie-inval en dat hij die ketels en/of zijn investering van € 30.000,-, samen met een ander, terug wil. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat hij op een later moment zijn investering heeft teruggekregen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit andere dan de ten laste gelegde feiten.
Conclusie
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Zij zal daarom de vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.
4. De beslissing
De rechtbank:
- wijst af de vordering van de officier van justitie ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Aldus gegeven door mr. M.E. Snijders (voorzitter), mr. W. Bruins en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.I. Nelissen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 juli 2025.
mr. W. Bruins en mr. J.M. Breimer zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.