2. Vrijspraak
De politierechter overweegt als volgt.
De politierechter stelt vast dat verdachte bij zijn staande houding en voor het openen van de dozen tegen de verbalisanten zegt “oké, zal ik maar eerlijk zijn dan?” Vervolgens zegt verdachte na het openen van de dozen “Daar zit lachgas in, maar het is niet van mij, ik weet niet eens wat er in de dozen zit, ik moest de dozen alleen naar [plaats 1] brengen.” Verder stelt de politierechter vast dat verdachte in het verhoor bevestigend (“ja”) antwoordt op de vraag van de verbalisanten of er lachgas werd gebruikt in het huisje en ook “ja” antwoord op de vraag of het klopt dat hij lachgas bij zich had.
De politierechter stelt echter vast dat er geen test of indicatieve test is gedaan op de spullen in de dozen. Er is geen uitslag van enige test. De politierechter stelt voorts vast dat noch verdachte noch een ander, te denken valt aan een medeverdachte of de vrienden van verdachte, hebben verklaard over de werking van de inhoud van de cilinders die in de dozen zijn aangetroffen. Een dergelijke verklaring ontbreekt in het dossier. De politierechter stelt vervolgens vast dat er foto’s in het dossier zitten. Deze foto’s zijn van de dozen en er is op te zien dat er kleine doosjes en een cilinder ’in zitten. Er staat van alles op deze cilinders, maar de beschrijving van de politie in het proces-verbaal op pagina 13 is naar het oordeel van de politierechter vrij summier. Er wordt een (netto) gewicht genoemd, een merk, een houdbaarheidsdatum en een waarschuwende tekst. De politierechter is dan ook van oordeel dat bij het ontbreken van een testresultaat en het ontbreken van een verklaring over de werking van de inhoud van de flessen - die slechts op een enkele foto zijn vastgelegd en waarover slechts summier is geverbaliseerd - onvoldoende met zekerheid is vast te stellen dat in de flessen lachgas zat, zodat dit deel van de tenlastelegging dan ook niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Gelet hierop spreekt de politierechter verdachte dan ook vrij van het hem tenlastegelegde feit. Aan het subsidiaire verweer over de wetenschap (opzet) van verdachte wordt niet meer toegekomen.
3. Overige beslissingen
De politierechter vernietigt de eerder opgelegde strafbeschikking gedateerd 20 maart 2025.
4. Hoger beroep
De politierechter deelt verdachte mee dat de officier van justitie binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en de griffiers is vastgesteld en ondertekend.
mr. R.H. Willemsen is buiten staat
dit proces-verbaal mede te ondertekenen