RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/001536-18
VI-zaaknummer: 99/000839-21
Datum uitspraak: 24 oktober 2025
Beslissing van de meervoudige kamer ingevolge artikel 6:2:13 (oud) van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[veroordeelde] (hierna: veroordeelde),
geboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Raadsman: mr. E. Düsünceli, advocaat te Arnhem.
Procedure
Bij onherroepelijk geworden uitspraak van The Crown Court Bristol in Groot-Brittannië van 11 juli 2014 is aan veroordeelde een gevangenisstraf voor de duur van 4.748 dagen opgelegd, welke veroordeling op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) is omgezet naar een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren en 8 maanden
Veroordeelde is op 20 maart 2020 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Op dat moment is de proeftijd van 1.786 dagen gaan lopen, met een strafrestant van 1.786 dagen.
Op 26 januari 2022 heeft de rechtbank Gelderland de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde herroepen met 180 dagen wegens overtreding van de bijzondere voorwaarden.
Op 10 juni 2022 heeft de rechtbank Oost-Brabant de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesteld met 120 dagen of zoveel korter als noodzakelijk was om plaatsing in een instelling voor begeleid wonen mogelijk te maken. Veroordeelde is vervolgens op 5 september 2022 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast zijn de volgende bijzondere voorwaarden gesteld:
Op 5 september 2022 is de proeftijd weer gaan lopen.
Op 29 november 2022 heeft de rechtbank Gelderland de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen met 365 dagen wegens nieuwe overtredingen van de bijzondere voorwaarden. Veroordeelde is nooit aangehouden en tot op heden onvindbaar. De proeftijd is vastgesteld op 1.786 dagen, met een strafrestant van 1.166 dagen.
Op 22 september 2025 heeft de officier van justitie de onderhavige vordering tot volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 1.166 dagen ingediend.
Het onderzoek ter terechtzitting
De vordering is behandeld ter openbare terechtzitting van 10 oktober 2025. Daarbij is veroordeelde niet verschenen. De ambtshalve toegevoegde raadsman van veroordeelde, mr. E. Düsünceli, was ter terechtzitting aanwezig, maar verklaarde niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn om namens veroordeelde het woord ter verdediging te voeren. De officier van justitie mr. J.F. Menke is gehoord.
De standpunten
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 1.166 dagen.
De beoordeling
Op grond van artikel IV lid 3 van de Wet straffen en beschermen, zoals gewijzigd als gevolg van de Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, geldt dat bij veroordelingen tot vrijheidsstraf die door de rechtbank of het gerechtshof zijn uitgesproken voor 1 juli 2021, de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegepast met inachtneming van de daarop betrekking hebbende artikelen zoals die voor 1 juli 2021 luidden (HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:984).
De voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd.
Na 15 september 2022 is veroordeelde vertrokken bij woonvoorziening [woonvoorziening] en is er niets meer van hem vernomen. Veroordeelde heeft zich aan het toezicht onttrokken, mogelijk verblijft hij in het buitenland. Uit het rapport van de reclassering van 26 augustus 2025 is gebleken dat er niets in de situatie rond veroordeelde is veranderd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde meerdere van de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden voorwaarden niet heeft nageleefd. Hij is vertrokken met onbekende bestemming en houdt zich onvindbaar voor justitie. Daarom zal de rechtbank de vordering van het openbaar ministerie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 1.166 dagen toewijzen.
De beslissing
De rechtbank:
beveelt de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van [veroordeelde] voor een periode van 1.166 dagen.