Beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Zutphen
Zaakgegevens: C/05/471140 / FZ RK 26-2140
Datum uitspraak: 1 september 2026
beschikking voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw] (nader te noemen: de vrouw),
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.M.H. Ceelen te Doetinchem,
tegen
[de man] (nader te noemen: de man),
wonende in [woonplaats] .
1. Verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met producties 1 tot en met 3 van de vrouw, ontvangen op 12 augustus 2026;
het F9-formulier met aanvullend subsidiair verzoek en producties 4 tot en met 12 van de vrouw, ontvangen op 25 augustus 2026;
het F9-formulier met productie 13 van de vrouw, ontvangen op 26 augustus 2026.
In deze procedure heeft zich geen advocaat voor de man gesteld. De man heeft op 20 augustus 2026 verzocht om aanhouding van de zaak en op 24 augustus 2026 per e-mail een door hemzelf opgesteld verweerschrift aan de rechtbank toegestuurd. Bij e-mail van 25 augustus 2026 heeft de rechtbank de man laten weten dat de zitting niet wordt aangehouden en heeft de rechtbank het verweerschrift aan de man teruggestuurd, omdat een verweerschrift uitsluitend door een advocaat kan worden ingediend. De rechtbank heeft de man in deze e-mail erop gewezen dat hij op de zitting wel zelf mondeling verweer kan voeren.
De zaak is besproken op de zitting van 27 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man en een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
2. De feiten
Partijen zijn op [datum] in de [gemeente] met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan.
De vrouw heeft een verzoek tot ontbinding geregistreerd partnerschap bij de rechtbank ingediend. De rechtbank heeft dit verzoek ingeschreven.
Uit het geregistreerd partnerschap zijn nog geen kinderen geboren, maar de vrouw is zwanger en op [datum] uitgerekend.
Uit een eerder huwelijk van de vrouw dat op [datum] is ontbonden door echtscheiding zijn geboren:
[kind 1], geboren op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats ] ;
[kind 2], geboren op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats ] .
Normaal gesproken wonen [kind 1] en [kind 2] bij de vrouw en verblijven zij om het weekend en iedere week van dinsdag op woensdag bij hun vader.
Vanaf 5 augustus 2026 verblijft de vrouw in een daklozenopvang. [kind 1] en [kind 2] worden sindsdien door hun vader en hun oma (vaderszijde) opgevangen.
Uit een eerder huwelijk van de man dat op [datum] is ontbonden door echtscheiding zijn geboren:
[kind 3], geboren op [geboortedatum 3] in [geboorteplaats ] ;
[kind 4], geboren op [geboortedatum 4] in [geboorteplaats ] ;
[kind 5], geboren op [geboortedatum 5] in [geboorteplaats ] ;
[kind 6], geboren op [geboortedatum 6] in [geboorteplaats ] .
[kind 3] woont bij de man en [kind 4] , [kind 5] en [kind 6] wonen bij hun moeder. [kind 3] en [kind 4] zien de andere ouder alleen tijdens verjaardagen en feestdagen. [kind 5] en [kind 6] verblijven een keer in de twee weken een weekend bij de man.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt de rechtbank, na aanvulling van haar verzoek en na wijziging van haar verzoek ter zitting, bij wege van voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding:
I. te bepalen dat de nog ongeboren baby, nadat de vrouw bevallen is, voorlopig aan de vrouw wordt toevertrouwd;
II. te bepalen dat de vrouw bij uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [woonplaats] ( [postcode] ), [gemeente] , aan de [adres] , en tot gebruik van de tot de inboedel behorende zaken met bevel dat de man de woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden.
Voorwaardelijk, indien de vrouw niet gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning:
III. te bepalen dat de man, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de ongeboren minderjarige met ingang van de geboorte, aan de vrouw zal voldoen een bijdrage van € 500,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
IV. te bevelen dat de man de in productie 12 en naar de rechtbank begrijpt productie 13 opgenomen goederen aan de vrouw ter beschikking moet stellen.
De man voert mondeling verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
4. Beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is gericht op het verkrijgen van een ordemaatregel in een situatie waarin een beslissing in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht en waarin een zekere mate van spoedeisendheid aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met een beknopte motivering.Toevertrouwing ongeboren kind
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het ongeboren kind aan haar wordt toevertrouwd. De man wil op termijn graag een co-ouderschap. Maar hij heeft tijdens de zitting ingestemd met het verzoek van de vrouw, omdat het kind de eerste periode na de geboorte de meeste tijd bij de vrouw zal zijn en zij dan de meeste zorgtaken op zich zal nemen.
Volgens artikel 1:2 BW wordt het kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn belang dit vordert. De rechtbank acht het in het belang van het ongeboren kind dat er nu al een beslissing over de toevertrouwing wordt genomen en zal het ongeboren kind dus als geboren aanmerken. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw toewijzen mede gelet op het gelijkluidende advies van de Raad en zal het ongeboren kind dus voorlopig aan de vrouw toevertrouwen.
Tijdens de zitting heeft de vrouw laten weten dat de man nadat de baby is geboren langs kan komen op een moment dat de kraamzorg aanwezig is om contact met de baby te hebben. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw die toezegging zal nakomen. Uitsluitend gebruik echtelijke woning
De vrouw verzoekt het uitsluitend gebruik van de woning aan haar toe te kennen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij heeft voorgesteld dat partijen de woning gezamenlijk blijven gebruiken, waarbij hij na zijn werk in de echtelijke woning gaat douchen en eten, daarna met [kind 3] naar zijn vader gaat om hem in bed te leggen, de man vervolgens terugkeert naar de woning om boven de aanbouw te slapen en hij de volgende ochtend naar zijn werk vertrekt. De vrouw heeft dit voorstel afgewezen, omdat zij zich niet veilig voelt bij de man.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van de vrouw bij het uitsluitend gebruik van de woning zwaarder weegt dan het belang van de man om de woning (mede) te blijven gebruiken. Daarom zal het verzoek van de vrouw worden toegewezen. De rechtbank zal dit hierna uitleggen.
De belangen van partijen zijn deels gelijk. Beide partijen hebben namelijk – normaal gesproken – de zorg voor kinderen uit hun eerdere huwelijken. Dat [kind 1] en [kind 2] sinds het vertrek van de vrouw uit de woning volledig bij hun vader en hun oma (vaderszijde) hebben verbleven, maakt dit niet anders. De vrouw heeft er belang bij dat zij op de gebruikelijke wijze contact met haar kinderen kan hebben en voor haar kinderen kan zorgen in de vertrouwde omgeving van de kinderen, net als de man er belang bij heeft dat hij voor [kind 3] kan zorgen in zijn vertrouwde omgeving en dat hij zijn andere kinderen ook daar kan ontvangen. Beide partijen hebben op dit moment geen andere woonruimte voorhanden waar zij die zorg op gelijke wijze kunnen bieden. De vrouw heeft één kamer in de daklozenopvang, waarbij zij de keuken en badkamer met andere bewoners moet delen en zij stelt niet bij vrienden of familie terecht te kunnen. Ook de man heeft nu geen andere zelfstandige woonruimte tot zijn beschikking waar hij zijn kinderen kan ontvangen en stelt in ieder geval niet met al zijn kinderen bij vrienden of familie terecht te kunnen. De zorg voor de kinderen acht de rechtbank daarom niet doorslaggevend voor de vraag wie de woning de komende periode kan gebruiken.
Wel doorslaggevend is dat de vrouw nu zwanger is en op [datum] is uitgerekend. Met de Raad acht de rechtbank het in het belang van de vrouw en het ongeboren kind dat er zoveel mogelijk rust en stabiliteit voor hen komt in deze laatste periode van de zwangerschap, tijdens de bevalling en in de periode na de bevalling. De kamer in de opvanglocatie waar de vrouw nu verblijft, acht de rechtbank hiervoor niet voldoende. Ook het gezamenlijk met de man bewonen van de echtelijke woning kan de benodigde rust niet bieden. Uit de overgelegde WhatsApp-gesprekken tussen partijen blijkt namelijk dat de verhouding tussen partijen op z’n minst gespannen is en dat de vrouw zich niet veilig voelt bij de man. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw om het uitsluitend gebruik van de woning toewijzen, zodat de vrouw zich in relatieve rust kan voorbereiden op de geboorte, de kraamtijd en eventuele zorg voor haarzelf en de baby kan regelen. Zoals ter zitting aangekondigd, geldt deze beslissing vanaf 3 september 2026 en valt onder het uitsluitend gebruik van de woning ook het gebruik van de inboedel in de woning.
De vrouw heeft ter zitting toegezegd dat zij, gelet op de door haar verkregen urgentie, actief op zoek zal gaan naar een andere woning en dat zij ook een passende woning elders in de regio (en dus buiten [woonplaats] ) zal accepteren. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw deze toezegging zal nakomen en dat de periode dat de man geen gebruik kan maken van de woning zo kort mogelijk zal zijn.
Overige verzoeken
Omdat de rechtbank het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning zal toewijzen aan de vrouw, is de voorwaarde waaronder de overige verzoeken van de vrouw zijn gedaan niet vervuld. Die verzoeken zullen daarom worden afgewezen. Uitvoerbaar bij voorraad
De beslissingen kunnen niet bij voorraad ten uitvoer worden gelegd, omdat tegen beslissingen in voorlopige voorziening geen hoger beroep mogelijk is. Met het geven van deze beschikking tot het treffen van een voorlopige voorziening is de onmiddellijke uitvoerbaarheid ervan gegeven.
5. De beslissing
De rechtbank:
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
bepaalt dat het nu nog ongeboren kind vanaf zijn/haar geboorte voorlopig aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
bepaalt dat de vrouw met ingang van 3 september 2026 voorlopig bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] in [woonplaats] ( [postcode] ), [gemeente] , en tot gebruik van de tot de inboedel behorende zaken met bevel dat de man de woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I. Geerling, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Knol, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!