RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
parketnummers rechtbank : 05/036015-21 en 05/840050-19
parketnummers Hof : 21/005117-21 en 21/002684-19
VI-zaaknummer : 89/000011-47
raadkamernummer : 26-019890
datum : 26 augustus 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
thans gedetineerd te P.I. [verblijfplaats] ,
raadsman: mr. A.T. Leigh, advocaat in Haarlem,
hierna te noemen: veroordeelde.
1. De voorgeschiedenis
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft veroordeelde bij arrest van 25 augustus 2021 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en bij arrest van 22 augustus 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden.
Veroordeelde is op 11 november 2024 voor de eerste maal voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Het openbaar ministerie heeft op 23 januari 2025 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde te herroepen met 180 dagen. Hiertegen heeft veroordeelde bezwaar ingediend. De rechtbank heeft bij beslissing van 21 februari 2025 deze herroeping beperkt tot 90 dagen.
Het openbaar ministerie heeft op 24 april 2025 beslist tot wijziging van de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden bijzondere voorwaarden.
Veroordeelde is op 29 april 2025 voor de tweede maal voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Het openbaar ministerie heeft op 7 juli 2025 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde te herroepen met de gehele nog resterende termijn van 560 dagen. Hiertegen heeft veroordeelde bezwaar ingediend. De rechtbank heeft bij beslissing van 19 december 2025 deze herroeping beperkt tot 233 dagen.
Het openbaar ministerie heeft op 30 januari 2026 beslist dat geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend aan veroordeelde. Hiertegen heeft veroordeelde bezwaar ingediend. De rechtbank heeft bij beslissing van 13 maart 2026 dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de datum waarop veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld bepaald op 1 juli 2026. Daarnaast heeft de rechtbank het openbaar ministerie geadviseerd nader onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden omtrent de huisvesting van veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Het openbaar ministerie heeft op 29 juni 2026 beslist dat geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend aan veroordeelde.
2. Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het openbaar ministerie tot het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling is op 13 juli 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft op 6 augustus 2026 zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 12 augustus 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn gehoord:
- veroordeelde;
- de raadsman van veroordeelde;
- de deskundige, mevrouw [persoon] , reclasseringswerker bij GGZ [instelling] ;
- de officier van justitie.
3. Bezwaar
Veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het openbaar ministerie om geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen. Door veroordeelde is aangevoerd dat de rechtbank in haar beslissing van 13 maart 2026 duidelijk is geweest: hij diende op 1 juli 2026 voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld en de reclassering zou onderzoek moeten doen naar passende huisvesting. Veroordeelde heeft het gevoel dat hij onterecht de schuld krijgt van het mislukken van die zoektocht. Hij heeft zijn best gedaan om zelf huisvesting te zoeken, maar door zijn langdurige detentie is er geen sprake van een uitgebreid sociaal netwerk waar hij terecht kan. Hij was niet op de hoogte van de problematiek van de bewoonster van het door hem aangedragen adres.
De P.I. maakt het hem onmogelijk om verlof te krijgen voor het bezichtigen van en tekenen voor sociale huurwoningen, waardoor hij – hoewel hij bovenaan de wachtlijst staat en regelmatig in aanmerking komt voor een woning – geen enkele woning daadwerkelijk kan bemachtigen. In wezen zit veroordeelde in een vicieuze cirkel: hij krijgt geen voorwaardelijke invrijheidstelling door het ontbreken van huisvesting, maar door zijn detentie lukt het hem niet om huisvesting te regelen en kan hij dus nooit voldoen aan de vereisten om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. Het zou onwenselijk zijn als veroordeelde zonder kader en toezicht in vrijheid wordt gesteld. Er moet nu worden ingezet op een periode in een overbruggingshuis, zodat veroordeelde van daaruit een sociale huurwoning kan regelen.
4. Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard en heeft daarbij verwezen naar de conclusie van de advocaat-generaal.
De reclassering heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar alle mogelijke woonvormen en geconcludeerd dat er geen forensische beschermde woonplek beschikbaar is. De door veroordeelde aangedragen woonplekken zijn niet geschikt. De persoon en houding van veroordeelde maken dat het recidiverisico nauwelijks te verminderen is, met name omdat veroordeelde telkens eisen blijft stellen en zich meermalen niet aan de voorwaarden van een voorwaardelijke invrijheidstelling heeft gehouden. Beslissingen over verlof liggen bij de directeur van de P.I., maar er is geen sprake van dat veroordeelde bewust wordt tegengewerkt. Hoewel een kader met toezicht wenselijk was geweest, zijn alle opties verkend en is gebleken dat die mogelijkheid niet bestaat. Het openbaar ministerie mocht dan ook in redelijkheid besluiten tot afstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
5. Beoordeling
De rechtbank moet op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering onderzoeken of het openbaar ministerie bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn beslissing tot het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling.
De rechtbank merkt allereerst op dat het traject van voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde grillig is verlopen. Veroordeelde is tweemaal voorwaardelijk in vrijheid gesteld, maar de voorwaardelijke invrijheidstelling is vervolgens in beide gevallen herroepen omdat veroordeelde zich niet aan de voorwaarden zou hebben gehouden. In beide gevallen is bezwaar ingediend tegen de herroeping en in beide gevallen heeft de rechtbank het bezwaar van veroordeelde gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij de door het openbaar ministerie gevorderde herroepingstermijn (min of meer) is gehalveerd. Uit de eerdere beslissingen van de rechtbank blijkt dat de formulering van de bijzondere voorwaarden bij met name de tweede voorwaardelijke invrijheidstelling teveel ruimte liet voor veroordeelde om hier zijn eigen interpretatie aan te geven, waardoor er onvoldoende aan recidivebeperking kon worden gewerkt. In die zin was het mislukken van de eerdere trajecten niet geheel aan veroordeelde te wijten.
In de meest recente beslissing, van 13 maart 2026, heeft de rechtbank veroordeelde perspectief geboden op voorwaardelijke invrijheidstelling. Het knelpunt, zowel destijds als nu, was dat er eerst sprake moest zijn van uitzicht op stabiele huisvesting. Eerdere huisvestingstrajecten zijn mislukt, met name omdat daar onvoldoende toezicht kon worden gehouden en veroordeelde teveel ruimte kreeg, waarvan hij ook terdege gebruik maakte. De conclusie was dan ook dat een forensische beschermde woonplek de meeste kans op succes bood. De reclassering heeft opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de mogelijkheden op dit vlak.
In het reclasseringsadvies van GGZ [instelling] van 11 juni 2026, dat door de deskundige ter zitting is toegelicht, heeft de reclassering per forensische beschermde woonlocatie toegelicht waarom deze veroordeelde niet op willen nemen. De redenen hiervoor lopen uiteen: het mislukken van eerdere trajecten, het niet voldoende kunnen aansluiten bij de problematiek van veroordeelde, een niet-passend beveiligingsniveau, het ontbreken van enige hulpvraag bij veroordeelde, het feit dat het behandelplafond bij veroordeelde is bereikt of de verwachting dat veroordeelde onvoldoende gemotiveerd is om zich aan bijzondere voorwaarden te houden. De reclassering concludeert dat zij geen mogelijkheden ziet om veroordeelde in een beschermde woonvoorziening te plaatsen. De rechtbank is van oordeel dat de reclassering gedegen onderzoek heeft gedaan, dat deze conclusie voldoende is onderbouwd en dat deze huisvestingsroute niet haalbaar is. Net als de reclassering ziet de rechtbank geen reden om de beslissing aan te houden om nógmaals onderzoek te doen naar een beschermde woonplek.
Veroordeelde heeft ook zelfstandig geprobeerd naar woonruimte te zoeken en heeft hiertoe meerdere mogelijke adressen aangedragen. Uit nader onderzoek is echter gebleken dat al deze adressen ongeschikt of toch niet beschikbaar waren. In het verleden bleek één van de adressen al in beeld bij de politie vanwege meerdere vuurwerkincidenten. Een ander adres, te weten dat van een kennis van veroordeelde, kreeg een negatief advies van de wijkagent. Op dit adres zou regelmatig sprake zijn van overlast door zwervers en de bewoonster (de kennis van veroordeelde) zou een kwetsbaar persoon zijn met een Wlz-indicatie die recent in een kliniek opgenomen is geweest. Bovendien vreest de wijkagent dat er mogelijk misbruik van haar wordt gemaakt. Bij deze stand van zaken kan ook de reclassering een dergelijk adres niet goedkeuren. Veroordeelde heeft daarnaast aangegeven terug te kunnen keren bij [woonplek] , waar hij in het kader van een eerdere voorwaardelijke invrijheidstelling heeft verbleven, maar navraag bij deze locatie leert dat zij hier niet achter staan. Tot slot zou veroordeelde via de organisatie ‘Manfred Woningen’ in aanmerking kunnen komen voor een huurwoning, maar dit heeft na veel gedoe ook tot niets geleid.
Veroordeelde heeft ruim twintig jaren aan wachttijd opgebouwd en zou dus voor veel woningen bovenaan de wachtlijst staan. Voor een sociale huurwoning is het echter nodig dat de kandidaat een intakegesprek heeft, de woning komt bezichtigen en in persoon het huurcontract kan tekenen. Veroordeelde kan niet aan deze vereisten voldoen omdat hiervoor speciaal re-integratieverlof nodig is en hij hier blijkbaar niet voor in aanmerking komt.
Veroordeelde stelt vervolgens dat hij geen re-integratieverlof krijgt wegens een onwillige houding van de P.I.. Hij heeft het grootste gedeelte van zijn detentie in het plusprogramma gezeten, maar is teruggezet naar het basisprogramma omdat hij weigerde op een meerpersoonscel te zitten. Volgens veroordeelde heeft hij consequent duidelijk gemaakt dat zijn weigering is gebaseerd op trauma’s uit het verleden, die bij de P.I. bekend zouden zijn en in het verleden ook zouden zijn erkend, maar nu ineens in twijfel worden getrokken. Het risico op nieuwe strafbare feiten zou volgens veroordeelde juist toenemen als hij op een meerpersoonscel wordt gezet.
Ook hier zijn het weer anderen die hem tegenwerken. Er zijn geen contra-indicaties vastgesteld voor plaatsing op een meerpersoonscel. Weigering op dit vlak leidt dan tot plaatsing in het basisprogramma en dat belemmert het verlenen van verlof. Ook hier is het weer de houding van veroordeelde die ten grondslag ligt aan de ontstane problemen.
De rechtbank ziet zich nu voor de situatie gesteld dat er geen concreet zicht is op enige vorm van huisvesting voor veroordeelde, mocht de voorwaardelijke invrijheidstelling alsnog worden bevolen. Het is begrijpelijk dat de reclassering veel waarde hecht aan behoorlijke huisvesting tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling. Gelet op het mislukken van eerdere voorwaardelijke invrijheidstellingen wegens het ontbreken van een stabiele woonplek is de rechtbank van oordeel dat het niet zinvol is om aan een voorwaardelijke invrijheidstelling onder deze omstandigheden toezicht door de reclassering met bijzondere voorwaarden te koppelen. Er blijven in dat geval slechts twee opties over: ofwel een ‘kale’ voorwaardelijke invrijheidstelling zonder bijzondere voorwaarden, ofwel ongegrondverklaring van het bezwaar en het laten uitzitten van het strafrestant.
De vraag die de rechtbank in dit kader moet beantwoorden is dan ook of het aan veroordeelde te wijten is dat het niet is gelukt een passend kader voor voorwaardelijke invrijheidstelling te creëren. Als de fout inderdaad (vooral) in het systeem ligt, zou het onjuist zijn om dit aan veroordeelde toe te rekenen en hem daarvoor in wezen te ‘straffen’ door hem een voorwaardelijke invrijheidstelling te onthouden.
Wat voor de rechtbank gedurende het gehele traject van voorwaardelijke invrijheidstelling als rode draad terugkomt, en in dit geval doorslaggevend is voor haar beslissing, is de houding van veroordeelde. In alle rapporten van de reclassering sijpelt het beeld door van een man die continu met de beschuldigende vinger naar anderen wijst en zijn eigen aandeel ontkent of bagatelliseert. Eerdere herroepingen of weigeringen van de voorwaardelijke invrijheidstelling zouden niet zijn gekomen door zijn gedrag, maar door een (plotselinge) te strenge houding of een gebrek aan flexibiliteit van de reclassering, onduidelijke communicatie vanuit de toezichthouders, oponthoud met het openbaar vervoer of vage formuleringen van de bijzondere voorwaarden. Betrokkene komt steeds weer met suggesties en voorstellen voor oplossingen, maar als de reclassering dat nader onderzoekt, blijkt de verstrekte informatie onjuist of minstgenomen net even iets anders te liggen.
Daarnaast lijkt veroordeelde de gedeeltelijke gegrondverklaringen van zijn eerdere bezwaarschriften op te vatten als een signaal dat hij het gelijk aan zijn zijde heeft en zijn eigen houding dus geen onderdeel is van het probleem.
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende is meebewogen met veroordeelde, maar dat moet worden geconcludeerd dat in de kern zijn eigen houding de reden is dat het keer op keer niet lukt om een passend kader voor voorwaardelijke invrijheidstelling op te stellen. Veroordeelde wil meewerken, mits dat op zijn voorwaarden gebeurt. Veroordeelde heeft nu meermalen de kans gekregen om een voorwaardelijke invrijheidstelling positief te laten verlopen, maar is telkens teruggeplaatst in detentie. Dit heeft tot op de dag van vandaag niet geleid tot enig zelfinzicht. Ook ter zitting geeft veroordeelde weinig blijk van inzicht in zijn eigen aandeel en is hij nauwelijks in staat tot reflectie op de gevolgen van zijn houding. Dit is veroordeelde aan te rekenen en te verwijten. Als het recidiverisico ondanks alle signalen en negatieve terugmeldingen nu nog nauwelijks is verminderd, is er geen reden om aan te nemen dat dit wel zal gebeuren als veroordeelde nu wel voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.
6. Slotsom
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat het openbaar ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het niet verlenen van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft kunnen komen.
De rechtbank zal het bezwaar van veroordeelde dan ook ongegrond verklaren.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. T.F.R. Litan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.