ECLI:NL:RBGEL:2026:6798

ECLI:NL:RBGEL:2026:6798

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 24/8127
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

IB/PVV; inkomsten uit vroegere arbeid behoren niet tot het arbeidsinkomen en daarom bestaat er geen recht op arbeidskorting. AOW-premie wordt geheven naar een tijdsevenredig percentage, omdat belanghebbende niet het gehele jaar premieplichtig is door het bereiken van de AOW-leeftijd. Verrekening algemene heffingskorting. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/8127

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 2 september 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van inspecteur van 9 oktober 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van € 7.176.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, vergezeld door haar echtgenoot, en [persoon 1] en [persoon 2] namens de inspecteur.

Feiten

1. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1956 en heeft op [datum] 2023 de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Belanghebbende is woonachtig in [woonplaats] en had in het jaar 2023 een fiscaal partner.

2. De inspecteur heeft bij brief van 16 januari 2023 op historische gronden een voorlopige teruggave opgelegd van € 1.792. De voorlopige teruggave is gebaseerd op een uitbetaling van de algemene heffingskorting.

3. Belanghebbende heeft in 2023 de volgende inkomsten uit vroegere dienstbetrekking genoten:

4. Belanghebbende heeft op 18 maart 2024 de aangifte IB/PVV 2023 ingediend. Belanghebbende heeft hierbij een verzamelinkomen van € 7.176 aangegeven bestaande uit inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. In de aangifte is een bedrag van € 420 ingehouden loonheffing opgenomen.

5. Met dagtekening 5 juni 2024 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2023 opgelegd conform de ingediende aangifte.

6. Belanghebbende heeft met dagtekening 18 juni 2024 een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag IB/PVV 2023.

7. Bij brief van 24 september 2024 heeft de inspecteur het voornemen kenbaar gemaakt om het bezwaar van belanghebbende af te wijzen. De inspecteur stelt belanghebbende in de gelegenheid om te worden gehoord en gebruik te maken van het inzagerecht.

8. De inspecteur heeft met dagtekening 9 oktober 2024 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2023 juist is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

10. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Standpunten partijen

11. Belanghebbende stelt dat zij het niet eens is met het berekenen van de AOW- premie over inkomsten uit vroegere dienstbetrekking en de verrekening van de heffingskortingen op de definitieve aanslag. Belanghebbende voert aan dat er duidelijk twee verschillende tijdvakken te onderscheiden zijn: vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2023 met inkomsten uit tegenwoordige arbeid van € 0 en van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023 met inkomsten uit vroegere arbeid van € 7.176. Volgens belanghebbende kan het niet de bedoeling zijn dat door middel van een voorlopige aanslag € 1.792 wordt uitbetaald en daarna € 1.034 terugbetaald dient te worden. Belanghebbende stelt dat de inspecteur vergeten is een arbeidskorting toe te passen. Daarnaast kan de algemene heffingskorting over de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023 samen (met een deel) van de ouderenkorting gebruikt worden om te verrekenen met de verschuldigde belasting, aldus belanghebbende. Op de zitting verklaart belanghebbende dat zij de berekening van de inspecteur begrijpt, maar dat die onevenredig uitpakt.

12. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag IB/PVV 2023 juist is vastgesteld. Hij stelt dat de grondslag voor de premies volksverzekeringen, waaronder ook de AOW-premie, het belastbare inkomen uit werk en woning is. Hiertoe behoren zowel de inkomsten uit tegenwoordige arbeid als de inkomsten uit vroegere arbeid. Daarnaast stelt de inspecteur dat de arbeidskorting over het inkomen uit tegenwoordige arbeid wordt berekend en een AOW-uitkering en pensioenuitkering geen inkomens uit tegenwoordige arbeid zijn. Volgens de inspecteur kan bij een minstverdienende partner die voor 1 januari 1963 is geboren, onder voorwaarden de gecombineerde heffingskorting worden verhoogd tot het toetsniveau indien de verschuldigde IB/PVV voor toepassing van heffingskortingen onder het toetsniveau blijft. Het toetsniveau is in 2023 gelijk aan de algemene heffingskorting, aldus de inspecteur.

Heeft belanghebbende recht op arbeidskorting?

13. In artikel 8, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) wordt voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag onder premie-inkomen het belastbare inkomen uit werk en woning verstaan. Hiertoe behoort zowel het loon uit tegenwoordige als het loon uit vroegere dienstbetrekking.

14. Ingevolge artikel 8.11, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) geldt arbeidskorting voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Volgens de definitie van artikel 8.1 van de Wet IB 2001 wordt verstaan onder arbeidsinkomen: het gezamenlijke bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. Vast staat dat belanghebbende in 2023 € 7.176 aan inkomsten uit vroegere arbeid heeft. Deze inkomsten behoren niet tot het arbeidsinkomen en dus heeft belanghebbende geen recht op arbeidskorting.

Heeft de inspecteur de AOW-premie juist berekend?

15. Op grond van artikel 10, eerste lid, van Wfsv wordt een gecombineerd premiepercentage voor de volksverzekeringen vastgesteld. Het premiepercentage voor de AOW bedraagt voor 2023 17,90%. Voor de nabestaandenverzekering geldt het premiepercentage van 0,10% en voor de Wet langdurige zorg (Wlz) 9,65%.

16. Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wfsv, is een verzekerde met ingang van de eerste dag van de maand waarin belanghebbende de AOW-leeftijd bereikt niet meer premieplichtig voor de AOW. Belanghebbende heeft op [datum] 2023 de AOW-leeftijd bereikt en dit betekent dat de premieplicht voor de AOW van belanghebbende is geëindigd op [datum] 2023. In artikel 2.6 van de Regeling Wfsv is bepaald dat in het jaar waarin belanghebbende de AOW-leeftijd bereikt, de premie wordt geheven naar een tijdsevenredig percentage. Hiermee wordt rekening gehouden met het feit dat belanghebbende niet het gehele jaar premieplichtig is voor de AOW. Het tijdsevenredig bepaalde percentage wordt berekend over het premie-inkomen. Het maakt hierbij niet uit of het inkomen in dat jaar voor of na het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is genoten. Voor de periode dat belanghebbende nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt geldt een premiepercentage van 16,13%. Voor de periode dat belanghebbende wel de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt geldt een premiepercentage van 4,06%. Het gecombineerde heffingspercentage bedraagt 20,19%. Dit leidt tot een bedrag aan premie volksverzekering van 20,19% x € 7.176 = € 1.448. Met de inkomstenbelasting erbij resulteert dit in een bedrag van in totaal € 2.113.

17. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur op juiste wijze de AOW-premie heeft berekend.

Heeft de inspecteur de algemene heffingskorting juist verrekend?

18. In artikel 8.8 van de Wet IB 2001 is bepaald dat de gecombineerde heffingskorting maximaal het bedrag van de gecombineerde inkomensheffing bedraagt. Op grond van artikel 8.9 van de Wet IB 2001 wordt het bedrag beperkt tot het toetsniveau dat gelijk is aan de algemene heffingskorting van € 2.451 voor belanghebbende, terwijl de gecombineerde inkomensheffing voor belanghebbende € 2.113 bedraagt. Het verschil wordt daarom opgehoogd en leidt tot een te ontvangen bedrag van € 758. Omdat belanghebbende een voorlopige teruggave van € 1.792 heeft ontvangen, leidt dit in de aanslag IB/PVV 2023 tot een te betalen bedrag van € 1.034. Belanghebbende heeft op de zitting aangegeven dat zij voldoende heeft aan de uitleg over de ouderenkorting. De rechtbank volstaat daarmee.

19. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur op juiste wijze de algemene heffingskorting heeft verrekend. Dat de berekening onevenredig uitpakt voor belanghebbende, maakt niet dat de aanslag onjuist is. De berekening van de inspecteur vloeit namelijk voort uit de wet en de rechter is niet bevoegd om de innerlijke waarde of billijkheid daarvan te toetsen. Dit neemt niet weg dat de rechtbank begrijpt dat het voor belanghebbende vervelend is om een voorlopige teruggave terug te moeten betalen.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. De aanslag IB/PVV 2023 is juist vastgesteld. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk heeft. Zij krijgt daarom het griffierecht terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 2 september 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand