ECLI:NL:RBGEL:2026:6836

ECLI:NL:RBGEL:2026:6836

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer ARN 24/7875
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Terugvordering ziekengeld. Geen procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Beroep niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/7875

in de zaak tussen

(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

1. Deze uitspraak gaat over de terugvordering van het door eiseres ontvangen ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) over de periode van 1 april 2024 tot en met 30 april 2024. Eiseres is het niet eens met die beslissing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de terugvordering.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 9 september 2024 heeft het UWV eiseres laten weten dat zij vanaf 31 maart 2024 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het UWV heeft het teveel betaalde ziekengeld teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 25 september 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat de grondslag voor de terugvordering is komen te vervallen.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Met het besluit van 9 september 2024 heeft het UWV eiseres laten weten dat zij vanaf 31 maart 2024 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat de rechtbank dat heeft bepaald. Hierdoor is het ziekengeld over de periode van 1 april 2024 tot en met 30 april 2024 ten onrechte uitbetaald aan eiseres. Het teveel betaalde ziekengeld wordt daarom van eiseres teruggevorderd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt en het UWV verzocht om een immateriële schadevergoeding van € 500.

Met het bestreden besluit van 25 september 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat de grondslag voor de terugvordering is komen te vervallen, omdat de eigenrisicodrager heeft laten weten dat er geen betaling heeft plaatsgevonden in april 2024. Over het verzoek van eiseres om een schadevergoeding krijgt zij op een later moment bericht.

Verloop procedure

4. Eiseres heeft beroep ingesteld op 3 november 2024. Volgens eiseres is door het UWV niet tijdig een besluit genomen op haar verzoek om schadevergoeding. Vanwege het niet nakomen van de afspraak van het UWV om op een later moment te beslissen, verzoekt eiseres de rechtbank om de schadevergoeding te verhogen.

Met het besluit van 23 januari 2025 heeft het UWV het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres heeft volgens het UWV onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van geestelijk leed op grond waarvan een schadevergoeding zou moeten worden toegekend.

Eiseres heeft vervolgens op 23 mei 2025 aangevoerd dat haar schadeverzoek had moeten worden afgedaan binnen de lopende bezwaarprocedure. Gelet daarop heeft eiseres de rechtbank vervolgens verzocht om het schadebesluit geheel buiten de procedure te houden.

Eiseres heeft de rechtbank op 17 juli 2026 verzocht om het beroepschrift aan te merken als een verzoekschrift om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:90 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Goede procesorde

5. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en kan nieuw bewijs worden ingediend, tenzij dat in strijd is met de goede procesorde. De goede procesorde stelt dus grenzen aan de mogelijkheid om in een lopende procedure nieuwe argumenten of nieuw bewijs in te brengen. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting plaatsvindt, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Bij de invulling van deze twee vragen speelt in ieder geval een rol of het bewijsmiddel eerder had kunnen worden ingediend, de omvang van het bewijsmiddel, de complexiteit ervan en de deskundigheid die vereist is om daar adequaat op te reageren.

De rechtbank betrekt de op 17 juli 2026 binnengekomen stukken niet bij de beoordeling van het beroep, omdat de goede procesorde zich daartegen verzet. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting vermeld dat pas op 17 juli 2026 aanvullende gronden en stukken zijn ingediend, omdat de gemachtigde ziek is geweest, de materie nieuw is en er veel stukken in het dossier zitten. De gemachtigde van eiseres had de rechtbank in het kader van zijn ziekte kunnen verzoeken om aanhouding, maar heeft dat niet gedaan. Op 23 mei 2025 heeft eiseres verzocht om het schadebesluit buiten het geding te houden, omdat het schadeverzoek had moeten worden afgedaan binnen de lopende bezwaarprocedure. Pas ruim een jaar later, elf dagen voor de zitting, verzoekt eiseres alsnog om schadevergoeding op grond van artikel 8:90 van de Awb. Juist gelet op het omvangrijke dossier had het op de weg van (de gemachtigde van) eiseres gelegen het beroep tijdig vorm te geven, zodat het UWV zich inhoudelijk over het schadeverzoek had kunnen uitlaten. Het UWV heeft tijdens de zitting verzocht om het schadeverzoek niet mee te nemen, omdat het verzoek laat is ingediend en het UWV zich niet heeft kunnen voorbereiden op het verzoek. De rechtbank kan dat volgen. Daarbij komt dat de rechtbank zich ook niet tijdig op de zitting heeft kunnen voorbereiden. De zaak aanhouden leidt tot een onwenselijke vertraging van de procedure.

Procesbelang

6. Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

Eiseres heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het bestreden besluit. Eiseres heeft alleen in het beroepschrift van 3 november 2024 gesteld dat te laat op haar schadeverzoek is beslist. In haar aanvullend beroepschrift van 23 mei 2025 heeft zij echter gesteld dat het schadeverzoek geheel buiten de procedure dient te worden gehouden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiseres met deze procedure niet kan bereiken wat zij wil bereiken. Zij heeft daarom geen procesbelang bij een inhoudelijk oordeel.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G. Cornelisse, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand