RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van
op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2283 en ARN 26/2099
(gemachtigden: mr. R.A. Oosterveer en mr. M. de Boer),
en
(gemachtigde: mr. M.L. Enderink en mr. M. Oude Breuil).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [bedrijf] uit [plaats]
(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam).
1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om handhavend op te treden tegen alle bouw- en/of aanlegactiviteiten die de derde-partij verricht op het terrein [adres] in Oosterbeek zolang er geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit is verleend.
2. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek heeft mogen afwijzen. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiseres heeft op 12 juni 2025, aangevuld op 31 juni 2025, het betreffende handhavingsverzoek ingediend bij het college. Bij besluit van 28 augustus 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 maart 2026 op het bezwaar van eiseres is het college bij deze afwijzing gebleven. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Ook de derde-partij heeft schriftelijk gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigden hebben deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de derde-partij hebben [persoon] en de gemachtigde deelgenomen.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiseres daartegen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna beoordeelt zij de afwijzing van het handhavingsverzoek aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Waar gaat deze zaak over?
De derde-partij is eigenaar van het perceel [adres] in Oosterbeek. Op dit perceel worden 52 woningen gerealiseerd. De derde-partij is ondertussen vergevorderd met de bouw van deze woningen.
Omdat deze ontwikkeling niet paste binnen het oude bestemmingsplan, is op 29 september 2021 – voor zover relevant in deze zaak – een nieuw bestemmingsplan vastgesteld: het bestemmingsplan ‘ [adres] , 2021.’ Dat bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk. Ook de benodigde omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen is verleend. Het beroep tegen deze omgevingsvergunning is door de rechtbank afgedaan, maar er loopt nog – zo is op zitting toegelicht – hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Eiseres woont in de buurt van het perceel waar de woningbouw plaatsvindt. Ook woont zij dichtbij Natura 2000-gebied De Veluwe. De kortste afstand tussen haar en dit Natura 2000-gebied is hemelsbreed ongeveer 120 meter.
Op 12 juni 2025, aangevuld op 31 juni 2025, heeft eiseres een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Zij verzoekt het college daarin – kort samengevat – om handhavend op te treden tegen alle aanleg- en bouwwerkzaamheden op het perceel, omdat deze worden verricht zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit. Bij besluit van 28 augustus 2025 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Voordat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft het advies ingewonnen bij de Advies Commissie Rechtsbescherming. Bij besluit van 12 maart 2026 heeft het college de afwijzing, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
Is sprake van een spoedeisend belang?
5. Eiseres betoogt dat sprake is van een spoedeisend belang omdat reeds is aangevangen met de bouw van de woningen. Het college stelt dat eiseres het spoedeisend belang onvoldoende heeft onderbouwd en dat niet is gebleken dat sprake is van zodanige, op korte termijn optredende gevolgen, dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen is.
Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst. Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de beroepsprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de uitspraak in de beroepszaak niet kan worden afgewacht. Die uitspraak kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in dit geval wel sprake is van een spoedeisend belang. De enige mogelijkheid voor eiseres om de eventuele gevolgen voor Natura 2000-gebied De Veluwe tegen te gaan is door de voorzieningenrechter te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele nadelige gevolgen voor de natuur zijn nadien niet meer met terugwerkende kracht ongedaan te maken. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Heeft het college het handhavingsverzoek af kunnen wijzen?
6. Eiseres betoogt dat het college het handhavingsverzoek niet heeft mogen afwijzen. Zij voert daartoe aan dat voor dit project een voortoets is verricht en dat de voortoets aantoont dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, als gevolg van het project, afneemt. Bij de voortoets is echter intern gesaldeerd. Sinds de 18 december-uitspraak mag – kort samengevat – intern salderen niet meer betrokken worden in het kader van de voortoets. Eiseres meent dat daarom een natuurvergunning nodig is, omdat niet kan worden uitgesloten dat het project significante gevolgen kan hebben voor De Veluwe. Volgens eiseres valt de derde-partij niet onder de overgangstermijn uit de 18 december-uitspraak en heeft het college het handhavingsverzoek dan ook ten onrechte afgewezen.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat als uit een voortoets blijkt dat significante gevolgen op voorhand zijn uitgesloten, geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig is. Bij de beoordeling van de vraag of een project significante gevolgen kan hebben in een voortoets mochten volgens vaste rechtspraak van vóór 18 december 2024 de gevolgen van het voorgenomen project worden bezien in relatie tot de gevolgen van de bestaande vergunde situatie. Dat wordt intern salderen met de referentiesituatie genoemd. Voor dit project is gebruikt gemaakt van intern salderen in de voortoets. Vast staat dat sinds de 18 december-uitspraak niet meer intern gesaldeerd mag worden in de voortoets. Dit betekent dat in de voortoets de gevolgen van het project op zichzelf moeten worden onderzocht. In voorliggend geval is bij de voortoets gebruik gemaakt van intern salderen, terwijl dat niet had gemogen. Significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn daarom niet op voorhand uitgesloten en de derde-partij heeft daarom een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Nu de derde-partij op dit moment werkzaamheden verricht zonder omgevingsvergunning voor een Natura 2000-acitiviteit, is sprake van een overtreding. Dat is in zoverre ook niet in geschil tussen partijen.
In de 18 december-uitspraak is echter ook een overgangstermijn opgenomen. Dat houdt in dat voor activiteiten die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 fysiek zijn gestart, die na die datum nog in uitvoering zijn of nog wordt geëxploiteerd én waarvan op grond van de voorheen geldende rechtspraak over intern salderen mocht worden aangenomen dat geen natuurvergunning nodig was een overgangsperiode geldt van vijf jaar (tot 1 januari 2030) waarin het college niet handhavend kan optreden met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom.
Aan de afwijzing van het handhavingsbesluit ligt ten grondslag dat het college meent dat het project onder deze overgangstermijn valt. De omvang van het geding is dan ook beperkt tot de vraag of het college heeft mogen besluiten dat het niet gehouden is om op dit moment handhavend tegen op te treden omdat de overgangsperiode uit de 18 december-uitspraak van toepassing is.
De gemachtigden van eiseres hebben op zitting desgevraagd toegelicht dat zij niet betwisten dat voor dit woningbouwproject ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op grond van de voorheen geldende rechtspraak intern gesaldeerd mocht worden in de voortoets. Ook wordt in zoverre niet betwist, zo leidt de voorzieningenrechter af uit de nadere reactie van eiseres van 18 augustus 2026, dat aangenomen mocht worden dat wegens het intern salderen in de voortoets toen (op grond van de rechtspraak van vóór de 18 december-uitspraak) geen natuurvergunning nodig was. Tussen partijen is wel in geschil of is gestart met de fysieke werkzaamheden tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025. In een nadere reactie van 18 augustus 2026 heeft eiseres toegelicht waarom de werkzaamheden volgens haar niet vóór 1 januari 2025 zijn gestart. Zij wijst er – kort samengevat – op dat de fysieke start van de (bouw)werkzaamheden van de woningen pas is aangevangen in februari/maart van 2026, en de voorbereidende werkzaamheden pas vanaf 19 augustus 2025. Dat kon ook niet eerder, omdat het perceel geruime tijd – in ieder geval tot medio 2025 – in gebruik is geweest voor de opvang van asielzoekers. De bewuste opvang vond plaats in bestaande bebouwing en de sloop van deze bebouwing en de inrichting van het perceel om over te kunnen gaan tot de oprichting van de woningen (bouwrijp maken) vond dus plaats ná augustus 2025. Eiseres betoogt dus dat er pas vanaf medio augustus 2025 sprake is van een 'fysieke start van de activiteit'.
De voorzieningenrechter volgt eiseres hierin niet en de beroepsgrond slaagt dan ook niet. De voorzieningenrechter is dus met het college van oordeel dat de activiteiten voor dit project wel tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 fysiek zijn gestart. Daarvoor is het volgende van belang.
De voorzieningenrechter stelt vast dat er feitelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025, namelijk (in ieder geval) de kap van om en nabij de 150 bomen. Eiseres betwist dit ook niet. Anders dan eiseres betoogt, hangen deze werkzaamheden naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel onlosmakelijk samen met de bouw van de woningen en vormen deze één project. Daarvoor is allereerst van belang dat deze bomen uitdrukkelijk zijn gekapt om de bouw van de woningen mogelijk te maken. De bomen waren namelijk gelegen op de plek waar de bouw van de woningen is voorzien. De kapvergunning is ook verleend met als reden dat de kap van de bomen noodzakelijk is voor de realisering van een bouw- of civieltechnisch werk. Kortom; zonder het verwijderen van de bomen is de bouw van de woningen niet mogelijk. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat bij de AERIUS-berekening die in het kader van de bestemmingsplanprocedure is uitgevoerd, de kap van de bomen ook is meegenomen. Dat er nadien gedurende langere tijd geen (bouw)werkzaamheden hebben plaatsgevonden en dat er asielzoekers werden gehuisvest op het perceel, maakt het voorgaande niet anders. Om onder de overgangstermijn van de 18 december-uitspraak te vallen, is uitsluitend bepalend of de werkzaamheden tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 fysiek zijn aangevangen. Niet van belang is of er daarna voortvarend is doorgewerkt of dat de gronden tijdelijk anders gebruikt zijn.
Dat betekent dat het college zich terecht op het standpunt stelt dat de overgangsperiode uit de 18 december-uitspraak van toepassing is.
De beroepsgrond slaagt niet.
Relativiteit
7. Het college en de derde-partij hebben zich op het standpunt gesteld dat het relativiteitsvereiste aan een inhoudelijke beoordeling van de vorige beroepsgrond in de weg staat. De voorzieningenrechter overweegt dat de Awb er niet aan in de weg staat dat wanneer een beroepsgrond niet slaagt, geen oordeel wordt gegeven over de toepassing van het relativiteitsvereiste op deze beroepsgrond. Dit volgt ook uit rechtspraak van de Afdeling. Omdat – zoals uit het voorgaande blijkt – de beroepsgrond niet slaagt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om geen oordeel te geven over de toepassing van het relativiteitsvereiste op deze beroepsgrond.
Is sprake van strijd met artikel 6 van de Habitatrichtlijn?
8. Eiseres heeft nog aangevoerd dat sprake is van strijd met artikel 6 van de Habitatrichtlijn, omdat slechts toestemming mag worden verleend als op basis van objectieve gegevens zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied Veluwe niet worden aangetast.
Anders dan eiseres meent, heeft het college geen toestemming verleend om een project uit te voeren dat significante negatieve effecten heeft voor een Natura 2000-gebied. Het college erkent juist dat een dergelijke toestemming ontbreekt. Maar gelet op dat wat onder 6 en verder is overwogen heeft het college mogen besluiten om niet handhavend op te treden tegen deze overtreding.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college onzorgvuldig gehandeld?
9. Eiseres heeft herhaaldelijk verzocht om overlegging van stikstofberekeningen en onderliggende stukken. Daarbij is meermaals meegedeeld dat dergelijke stukken niet aanwezig waren dan wel niet konden worden verstrekt. Pas in een later stadium zijn alsnog berekeningen overgelegd. Deze gang van zaken verdraagt zich niet met artikel 3:2 van de Awb.
De voorzieningenrechter begrijpt de beroepsgrond zo dat eiseres betoogt dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door haar mede te delen dat stukken niet aanwezig waren die later toch aanwezig bleken, en dat zij daardoor bovendien in haar belangen is geschaad. Wat betreft de verwijzing van eiseres daarbij naar artikel 3:2 van de Awb stelt de voorzieningenrechter voorop dat dat artikel zich richt tot het bestuursorgaan en dat niet is gebleken dat het college die bepaling heeft geschonden. Niet aannemelijk is geworden dat het college bij de voorbereiding van het besluit niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard en het besluit daarom onzorgvuldig heeft voorbereid. Dat bepaalde stukken niet tijdig aan eiseres zijn verstrekt maakt – wat daar ook van zij – niet dat in strijd is gehandeld met artikel 3:2 van de Awb. Eiseres is naar het oordeel van de rechtbank ook niet in haar procespositie geschaad, omdat zij ruim vóór de behandeling van deze zaak op zitting wel over alle op de zaak betrekking hebbende stukken beschikte.
Overige beroepsgronden
10. Eiseres heeft ook nog een aantal andere beroepsgronden aangevoerd. Zo voert zij bijvoorbeeld aan dat voor dit project op dit moment überhaupt niet meer intern gesaldeerd kan worden. De voorzieningenrechter begrijpt deze gronden zo dat eiseres meent dat het niet mogelijk is om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-acitiviteit te verkrijgen voor dit project. In deze zaak gaat het echter om een afgewezen handhavingsverzoek. Zoals onder 6 en verder is overwogen, is niet in geschil dat sprake is van een overtreding en is de omvang van dit geding beperkt tot de vraag of de overgangstermijn uit de 18 december-uitspraak van toepassing is. De voorzieningenrechter kan er in deze zaak niet op vooruit lopen of de omgevingsvergunning al dan niet verleend gaat worden. Deze gronden kunnen dus niet tot vernietiging van dit besluit leiden.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De voorzieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.