RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 september 2026
Stichting Malderburch, welzijn, wonen en zorg uit Heumen, eiseres
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/2059
in de zaak tussen
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigden: mr. R. Spanjer, mr. M. Kooistra en mr. Ö. Yazici).
1. In deze uitspraak legt de rechtbank haar lijn vast die zij zal hanteren bij het bepalen van de nadere beslistermijn bij beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze lijn wordt uiteengezet onder 6.3.2. De rechtbank wijkt daarbij af van de lijn uit haar eerdere uitspraak van 15 april 2025.
De rechtbank past vervolgens die lijn toe in het beroep dat eiseres heeft ingesteld. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn vast van 52 weken na de dag van verzending van deze uitspraak en legt een dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor iedere dag dat het UWV in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
Procesverloop
2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 22 januari 2026 om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van [persoon 1] ,
(ex-)werkneemster van eiseres, op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Eiseres heeft het UWV in gebreke gesteld. De rechtbank heeft op 21 april 2026 het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvangen. Eiseres stelt dat het UWV niet binnen de beslistermijn en ook niet binnen twee weken na de ingebrekestelling op haar aanvraag heeft beslist.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en de brief van 29 juli 2026.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres, vergezeld door [persoon 2] , en de gemachtigden van het UWV deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij of zij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn of haar aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als het bestuursorgaan na die twee weken nog steeds geen besluit heeft genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
4. Eiseres heeft haar aanvraag op 22 januari 2026 naar het UWV toegestuurd. Het UWV dient in beginsel binnen acht weken na de ontvangst van de aanvraag te beslissen. Het UWV heeft geen ontvangstbevestiging van de aanvraag aan de gedingstukken toegevoegd. Daarom gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van de datumstempel, door het UWV aangebracht op de aanvraag, van 23 januari 2026.
Het UWV heeft in het verweerschrift gesteld dat de beslistermijn in deze zaak nog niet is verstreken, omdat het UWV sinds 1 januari 2026 zestien weken heeft om een beslissing te nemen. De ingebrekestelling is daarom prematuur en het beroep is niet-ontvankelijk, aldus het UWV. Met de brief van 29 juli 2026 heeft het UWV dit standpunt verlaten. Volgens het UWV is de beslistermijn per 1 januari 2026 weliswaar gewijzigd naar zestien weken, maar wordt hier vooralsnog geen uitvoering aan gegeven.
Geldt een beslistermijn van zestien weken?
5. Het verweerschrift, waarin het UWV zich op het standpunt stelde dat de beslistermijn vanaf 1 januari 2026 zestien weken bedraagt, was de aanleiding voor de meervoudige kamer van de rechtbank om het beroep op een zitting te behandelen. Hoewel het UWV nadien dit standpunt heeft verlaten, hecht de rechtbank eraan om in deze uitspraak hierop toch in te gaan.
Vast staat dat het in het verweerschrift neergelegde standpunt van het UWV te herleiden is naar de kamerbrief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 11 juni 2025. De minister schrijft hierin dat het UWV per 1 januari 2026 de beslistermijnen standaard zal verlengen van acht weken naar zestien weken. Op de zitting heeft het UWV toegelicht dat geen sprake is van een standaard beslistermijn van zestien weken, maar dat de uit de Wet WIA voortvloeiende beslistermijn van acht weken in elke afzonderlijke zaak zal worden verlengd met een aparte verlengingsbrief. In de praktijk zal de verlenging al in de ontvangstbrief bekend worden gemaakt, aldus het UWV. De rechtbank is van oordeel dat deze uitleg zich verenigt met het wettelijk kader in de Wet WIA.
In deze zaak heeft een dergelijke verlenging echter niet plaatsgevonden. Dit was – zo bleek op de zitting – ook de reden dat het UWV zijn standpunt in het verweerschrift, namelijk dat de ingebrekestelling prematuur was en het beroep daarom niet-ontvankelijk, had verlaten. Dit betekent dat het UWV uiterlijk op 20 maart 2026 op de aanvraag van eiseres had moeten beslissen.
Partijen zijn het erover eens dat het UWV niet binnen de beslistermijn heeft beslist. Na afloop van de beslistermijn heeft het UWV de ingebrekestelling van eiseres ontvangen op 25 maart 2026. Het beroepschrift heeft de rechtbank meer dan twee weken daarna ontvangen. Omdat het UWV niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling op de aanvraag van eiseres heeft beslist, en nog altijd niet heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan het UWV worden opgelegd?
6. Als het beroep gegrond is en het bestuursorgaan nog geen besluit heeft bekendgemaakt, bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekendmaakt. Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen.
Is er sprake van een bijzonder geval?
Het UWV heeft nog steeds geen besluit genomen en moet dit alsnog doen. Het UWV heeft in de brief van 29 juli 2026 meegedeeld dat het UWV nog geen besluit op de aanvraag heeft kunnen nemen vanwege een groot tekort aan verzekeringsartsen.
De rechtbank is bekend met deze al lang bestaande problematiek en heeft op 15 april 2025 een lijn uitgezet over de nadere beslistermijnen die zij toepast in beroepen tegen het niet tijdig beslissen door het UWV in zaken waar een medisch onderzoek moet worden verricht door (een) verzekeringsarts(en). Omdat de rechtbank steeds meer beroepen wegens het niet tijdig beslissen op aanvragen om (her)beoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid en op bezwaarschriften tegen dergelijke besluiten ontvangt en gelet op de recente ontwikkelingen bij het UWV zag de rechtbank aanleiding om te onderzoeken of deze lijn nog steeds aansluit bij de huidige stand van zaken. Daarom heeft de rechtbank besloten dit beroep door de meervoudige kamer op een zitting te behandelen. In dat kader is het UWV uitgenodigd om informatie te verstrekken over de huidige stand van zaken.
Op de zitting is gebleken dat het UWV al langer kampt met grote achterstanden in de sociaal-medische dienstverlening door het grote aantal aanvragen voor een WIA-uitkering en onvoldoende verzekeringsgeneeskundige capaciteit heeft om alle (her)beoordelingen tijdig uit te voeren. De achterstanden nemen toe en er is een verminderde instroom aan artsen die bij het UWV als verzekeringsarts aan de slag willen. Omdat alleen het werven van nieuwe artsen geen oplossing is, richt het UWV zich nu ook op andere opties om de werkvoorraad aan te kunnen. Zo is er voor het jaar 2024 een nieuwe prioritering gegeven bij het behandelen van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen op basis van de verzekeringsgeneeskundige capaciteit. Het UWV geeft de hoogste prioriteit aan Wajong-aanvragen en aanvragen beoordeling arbeidsvermogen (ABA). Hiervoor is gekozen gelet op de grote impact die deze aanvragen hebben op de inkomenszekerheid van zieke of arbeidsongeschikte mensen, omdat deze beoordelingen bepalen of iemand wel of geen recht heeft op een uitkering. Verder wordt prioriteit gegeven aan WIA-eindewachttijdbeoordelingen. Naast deze nieuwe prioritering worden met intermediairs onderlinge afspraken gemaakt over de behandeling van aanvragen. Naar verwachting wordt de wachttijd voor de Wajong- en ABA-beoordelingen binnen afzienbare tijd geminimaliseerd. De wachttijden voor eindewachttijdbeoordelingen variëren tussen de districten en kan gelet op de samenwerkingen tussen de districten nog veranderen. Gemiddeld is de wachttijd daar nu tussen de zes tot negen maanden. De wachttijden voor een sociaal-medische bezwaarzaak variëren per district tussen de negen tot twintig maanden. Er wordt – anders dan in het verleden – geen voorrang meer gegeven aan aanvragen en bezwaarschriften waarin een beroep tegen het niet tijdig beslissen is ingesteld.
Uit deze prioritering volgt – zoals het UWV op de zitting verder heeft toegelicht – dat de beschikbare verzekeringsgeneeskundige capaciteit geen ruimte laat om aanvragen om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemers die al een WIA-uitkering hebben op te pakken. Het UWV neemt een dergelijke aanvraag daarentegen wel in behandeling wanneer sprake is van een schrijnende situatie. Het gaat hier dan om financieel schrijnende situaties of situaties waarin het wachten op een herbeoordeling de gezondheid van een betrokkene kan verslechteren. Ook moet er sprake zijn van een spoedeisend belang. In die gevallen wordt de aanvraag binnen een beslistermijn van acht (te verlengen met acht) weken afgehandeld. Ook bezwaarschriften worden alleen opgepakt als er sprake is van een schrijnende situatie. In andere gevallen worden bezwaren nagenoeg niet opgepakt: landelijk door één of twee verzekeringsartsen. Er wordt bij het bepalen of er sprake is van schrijnendheid geen onderscheid gemaakt tussen aanvragen van werknemers of werkgevers, maar het UWV verwacht dat een schrijnende situatie eerder aan de orde komt bij een aanvraag van een werknemer. Aanvragen die vóór 1 januari 2026 zijn ingediend, zullen aan de hand van dezelfde kaders als aanvragen ingediend na 1 januari 2026 op schrijnendheid worden beoordeeld, met uitzondering van die aanvragen waarin de verzekeringsgeneeskundige beoordeling al heeft plaatsgevonden. In bezwaren van vóór 1 januari 2026 wordt vooralsnog door het UWV niet ambtshalve op schrijnendheid getoetst. Voor 2027 zal deze prioritering te zijner tijd worden heroverwogen.
De rechtbank ziet in voorgaande aanleiding om te oordelen dat sprake is van een bijzonder geval en dat er daarom een langere beslistermijn moet worden opgelegd dan twee weken.
De nieuwe lijn van deze rechtbank
Bij het bepalen van de beslistermijn betrekt de rechtbank het volgende.
Er is sprake van een tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV. Dit probleem doet zich landelijk voor en kan – zo volgt uit het verhandelde op de zitting – ook niet op korte termijn worden opgelost. Om de hieruit voortvloeiende problemen bij het beoordelen van aanvragen om een (her)beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en bezwaarschriften tegen besluiten naar aanleiding van zo’n beoordeling, waarbij een medisch onderzoek door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) noodzakelijk is, het hoofd te bieden heeft het UWV gekozen voor het hanteren van een bepaalde prioritering, waarbij inkomenszekerheid een grote rol speelt. Het gevolg van deze (politieke) keuzes is dat aanvragen om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemers die al een WIA-uitkering hebben, zoals in onderhavige zaak aan de orde is, in ieder geval in 2026 niet behandeld zullen worden en dat het nog niet duidelijk is of ze in 2027 wel behandeld gaan worden. Dat geldt ook voor bezwaarzaken. Voorop staat dat voor een zorgvuldige behandeling van dit soort aanvragen en bezwaarzaken een verzekeringsarts (en mogelijk ook een arbeidsdeskundige) onderzoek moet(en) doen. De op te leggen beslistermijn moet recht doen aan de reële mogelijkheden van het UWV om beoordelingen zorgvuldig af te handelen. De rechtbank wil geen termijn stellen waarvan het bij voorbaat duidelijk is dat het UWV die – gelet op de hiervoor beschreven huidige situatie – niet zal gaan halen. Tegelijkertijd moet de termijn ook tegemoetkomen aan het belang van de aanvrager om binnen afzienbare tijd een besluit te ontvangen.
In haar uitspraken van 6 augustus 2026 heeft de rechtbank Limburg neergelegd hoe zij vanaf die datum omgaat met het bepalen van de duur van de nadere beslistermijn in beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Limburg stelt in deze zaken een termijn vast van 52 weken waarbinnen het UWV alsnog moet beslissen op de herbeoordelingsverzoeken, te rekenen vanaf de datum van verzending van de uitspraak. De rechtbank ziet in de door het UWV gegeven toelichting en de omstandigheid dat de rechtszekerheid niet wordt gediend met verschillen tussen de lijnen van de rechtbanken op dit punt aanleiding om de lijn van de rechtbank Limburg te volgen. De rechtbank ziet dus anders dan zij deed in de uitspraak van 15 april 2025 geen aanleiding meer om onderscheid te maken tussen aanvragen om herbeoordelingen van de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemers en van (ex-)werkgevers. De rechtbank kan een andere beslistermijn opleggen, wanneer in een concrete zaak sprake is van een schrijnend geval. Het ligt dan op de weg van de indiener van het beroep om zich (gemotiveerd) op deze situatie te beroepen. Deze lijn zal de rechtbank ook toepassen bij beroepen tegen het niet tijdig beslissen op een bezwaarschrift tegen besluiten inhoudende een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De beroepen die zien op zaken die binnen de door het UWV aangegeven prioritering vallen, zullen door de rechtbank vooralsnog aan de hand van haar eerdere lijn, waarbij er wel onderscheid wordt gemaakt tussen werknemersberoepen en werkgeversberoepen, worden beslist.
De concrete toepassing in deze zaak
De rechtbank draagt het UWV op om uiterlijk binnen 52 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag van eiseres bekend te maken. In dit beroep is niet gesteld noch gebleken dat sprake is van een schrijnende situatie dat een kortere beslistermijn rechtvaardigt.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
7. Bij een gegrond beroep bepaalt de rechtbank dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000. Deze dwangsom stemt overeen met het landelijk beleid. De rechtbank ziet geen grond om in dit geval bijzondere omstandigheden aan te nemen en een andere (lagere) dwangsom op te leggen.
Hoeveel bedraagt de bestuurlijke dwangsom?
8. Eiseres heeft verzocht om de al verschuldigde bestuurlijke dwangsom op grond van artikel 4:17 van de Awb vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen.Het UWV stelt in de brief van 29 juli 2026 dat er inmiddels een dwangsom is betaald. Hoewel er geen besluit aan het dossier is toegevoegd waaruit dit blijkt, heeft eiseres deze mededeling van het UWV niet betwist. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiseres de dwangsom heeft ontvangen. De rechtbank komt dus niet toe aan beoordeling van het verzoek van eiseres om de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en het UWV de onder 6.4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en de onder 7 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiseres vergoeden. Daarbij krijgt eiseres een vergoeding voor haar proceskosten. Het UWV moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en is verschenen op de zitting. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. W.P.C.G. Derksen en mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechters, in aanwezigheid van mr. L. Beijerinck, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.