uitspraak van de voorzieningenrechter van
in de zaak tussen
[V.O.F] en haar vennoten [verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaats] , verzoekster
en
de burgemeester van de gemeente Oldebroek
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster dat verband houdt met de (tijdelijke) beëindiging van een samenwerkings- en een werknemersovereenkomst door de burgemeester van de gemeente Oldebroek.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoekster is eigenaar van het [restaurant] in [plaats] . Tussen de gemeente Oldebroek en verzoekster bestaat een samenwerkingsverband, bedoeld om het restaurant als werkervaringsplek in te kunnen zetten voor personen vanuit Werk en Inkomen.
Met het besluit van 29 juli 2026 heeft de gemeente Oldebroek het samenwerkingsverband met verzoekster opgeschort. Tegelijkertijd heeft de gemeente Oldebroek de werkervaringsovereenkomst voor één van de bij verzoekster tijdelijk werkzame medewerkers beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoekster om een voorlopige voorziening verzocht.
Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Het aangaan of het opschorten van een samenwerkingsverband, dan wel het sluiten of beëindigen van een werkervaringsovereenkomst wordt beheerst door regels van privaatrecht. Van een publiekrechtelijke rechtshandeling is in dit geval geen sprake. Dit betekent dat de opschorting van het samenwerkingsverband en ook de beëindiging van de werkervaringsovereenkomst geen besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is daarom onbevoegd om op het verzoek van eiser te beslissen.
Conclusie en gevolgen
3. De voorzieningenrechter is kennelijk onbevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Voor het aanvechten van de opschorting van het samenwerkingsverband of de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst, moet verzoekster een procedure starten bij de civiele rechter. Daarom is de voorzieningenrechter kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening.
Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: