ECLI:NL:RBLIM:2022:2137

ECLI:NL:RBLIM:2022:2137, Rechtbank Limburg, 21-03-2022, ROE - 21/92

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 21-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer ROE - 21/92
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Roermond
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken

Aangehaald door

Samenvatting

Wabo; omgevingsvergunning voor perifere detailhandel; ‘binnenplanse’ afwijking; ruimtelijke onderbouwing; (aantal) parkeerplaatsen; woon- en leefklimaat.

Uitspraak

4. De rechtbank overweegt als volgt.

Onderhavig perceel is gelegen in het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen Peel en Maas’ en is bestemd als ‘Waarde-Archeologie-3’ en ‘Bedrijfenterrein-1’.

Ingevolge artikel 6.4.1 van de planregels wordt onder gebruiken of laten gebruiken in strijd met de bestemming in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

d. perifere detailhandel, behoudens toegestaan krachtens artikel 6.1.

Niet in geschil is dat onderhavige aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 6.5.3 van de planregels kan verweerder met een omgevingsvergunning afwijken van het gebruiksverbod voor perifere detailhandel in, onder meer, auto’s. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

1.er moet voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein zijn gewaarborgd;

2.er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

a. de verkeersveiligheid;

b. het woon- en leefklimaat;

c. de milieusituatie;

d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5. Over de vraag of er voldoende parkeergelegenheid is op eigen terrein overweegt de rechtbank het volgende.

In de Nota parkeernormen Peel en Maas 2018 (Nota) -met een ‘stappenplan’ voor de beoordeling van de parkeerbehoefte- is de functie perifere detailhandel in auto’s niet als specifieke functie benoemd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de aard en omvang van de functie, in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij de parkeernorm voor een ‘showroom’ (1,7) en niet bij de norm voor ‘detailhandel’(4,0), zoals door eisers is betoogd. Daartoe overweegt de rechtbank dat geen sprake is van detailhandel in een buurt- en dorpscentrum, waarnaar in de Nota wordt verwezen bij detailhandel. Ook is in dit geval sprake van perifere en niet van reguliere detailhandel, specifiek in auto’s.

6. Uitgaande van de parkeernorm voor een ‘showroom’ is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er voldoende parkeergelegenheid (19 parkeerplaatsen: waarbij rekening is gehouden met 2 extra parkeerplaatsen op grond van de getroffen gebruiksovereenkomst) op eigen terrein is gewaarborgd. In dit verband overweegt de rechtbank dat verweerder bij de bepaling van de parkeerbehoefte van [adres 3] , gelet op de werkzaamheden die ter plaatse worden uitgeoefend (opslag en internetverkoop van rolluikonderdelen) terecht is uitgegaan van de kwalificatie: bedrijf arbeidsextensief / bezoekers extensief. Eisers hebben ook onvoldoende gemotiveerd waarom zou moeten worden uitgegaan van de kwalificatie: bedrijf arbeidsintensief / bezoekers extensief.

7. De rechtbank zal, gelet op het vorenstaande, niet verder ingaan op het hetgeen door verweerder met betrekking tot de beschikbaarheid van aanvullende parkeergelegenheid in het bestreden besluit is vermeld onder ‘aanvullende motivering’ namelijk dat een terrein op 195 meter afstand van onderhavig perceel beschikbaar is voor parkeren ten bate van het perceel [adres 1] .

8. Met betrekking tot hetgeen eisers hebben aangevoerd over de verkeersveiligheid ter plaatse overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vergunde activiteit geen (substantiële) toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg zal hebben. De vergunde activiteit ligt immers in het verlengde van de reeds ter plaatse toegestane activiteit en de omvang van het perceel en de bedrijfsbebouwing voorzien eveneens niet een toename van activiteiten met een (substantieel) toename van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Bovendien is onderhavig perceel gelegen op een bedrijventerrein met een volwaardige infrastructuur.

Eisers stelling dat desalniettemin sprake zal zijn van een substantiële toename van het verkeer acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd.

9. Over de stelling van eisers met betrekking tot het woon- en leefklimaat van hun (bedrijfs)woning aan de [adres 2] overweegt de rechtbank het volgende.

De onderhavige omgevingsvergunning heeft betrekking op een perceel op een bedrijventerrein. Ter plaatse zijn, conform het bestemmingsplan, reeds activiteiten toegestaan die gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat en de milieusituatie ter plaatse. Deze gevolgen zijn dus al meegewogen bij de vaststelling van onderhavig bestemmingsplan. Dit betekent dat verweerder niet gehouden was nader onderzoek in te stellen naar de effecten van de omgevingsvergunning op het woon- en leefklimaat van de woning. Door eisers is ook niet gemotiveerd aangevoerd dat sprake zou zijn van een (onevenredige) aantasting van het woon- en leefklimaat van de woning.

10. Met betrekking tot het milieuaspect (stikstofdeposities op gevoelige gebieden) is de rechtbank van oordeel dat deze (rechts)norm niet strekt tot bescherming van de (privé) belangen van eisers, hetgeen de gemachtigde van eisers ter zitting ook heeft erkend. Deze beroepsgrond van eisers kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

11. Over de beroepsgrond van eisers met betrekking tot de toetsing door verweerder aan de ‘goede ruimtelijke ordening’ overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat, aangezien het bestemmingsplan zelf voorziet in de vergunde activiteit, mits wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden de vergunde activiteit reeds ruimtelijk afgewogen is en geacht wordt in overeenstemming te zijn met een goede ruimtelijke ordening, indien wordt voldaan aan deze voorwaarden voor toepassing van de binnenlandse afwijkingsbevoegdheid. Bovendien wordt in het primaire besluit door verweerder verwezen naar de ruimtelijke onderbouwing, die deel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. Deze beroepsgrond moet dan ook worden verworpen.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.W. Seylhouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2022.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 21 maart 2022

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G. Leijten

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand