RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 10013964 UC EXPL 22-5010 HvS/1268
Vonnis van 26 april 2023
inzake
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. M.S. Bugter,
tegen:
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer en mr. A.S. van der Laken.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 9 november 2022,
- de brief van 17 januari 2023 van [gedaagde] met een productie,
- de brief van 25 januari 2023 van [gedaagde] met drie producties,
- de brief van 25 januari 2023 van [eiser] met een productie en
- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 8 februari 2023.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] heeft onder de naam [handelsnaam] via de website [website] een auto, een Range Rover Vogue met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto), te koop aangeboden. Op de website staat het volgende over [handelsnaam] vermeld:
“ [handelsnaam] helpen u met de verkoop van uw exclusieve auto en biedt u de volgende voordelen:
* Professionele advertentie
* Exclusieve foto reportage
* Europees advertentiebereik
* Directe en professionele leadopvolging
* 100% aandacht voor uw advertentie
* 24/7 bereikbaar
* Gunstige tarieven
U kunt ook gebruik maken van de onderstaande diensten:
* Import, Export, Transport & Opslag
* Fiscale afhandeling
* Lease & Verzekering […]”
Op foto’s van de auto die op de website zijn geplaatst is ter plaatse van de kentekenplaat aan de voorkant van de auto een plaat met de naam [handelsnaam] bevestigd.
[eiser] heeft de website bezocht en contact gezocht met [gedaagde] .
[eiser] heeft de auto op 16 januari 2022 voor een prijs van € 60.000,- gekocht. Daarbij is overeengekomen dat [gedaagde] een onderhoudsbeurt aan de auto zou doen uitvoeren.
[eiser] heeft op 17 januari 2022 een bedrag van € 10.000,- op de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt.
[gedaagde] heeft op 27 januari 2022 door garage [onderneming 1] een onderhoudsbeurt aan de auto doen uitvoeren. [gedaagde] heeft daarna aan [eiser] gemeld dat [onderneming 1] een lek in de koelvloeistofleiding had ontdekt, waarna partijen in verband daarmee een korting van € 1.475,- op de koopprijs zijn overeengekomen.
[eiser] heeft op 24 februari 2022 de auto bij [gedaagde] opgehaald. [eiser] heeft toen een bedrag van € 48.525,- (€ 60.000,- minus € 10.000,- minus € 1.475,-) op de bankrekening van [gedaagde] overgemaakt.
[onderneming 2] heeft op 9 maart 2022 geconstateerd dat de remblokken en remschijven van de auto “kaal” zijn.
De auto heeft op 10 maart 2022 een foutmelding gegeven (hierna: de foutmelding), waarna de auto naar [onderneming 2] is getransporteerd. [onderneming 2] heeft de auto onderzocht en aan [eiser] meegedeeld dat hoogstwaarschijnlijk de distributieketting moet worden vervangen.
[onderneming 2] heeft op 25 maart 2022 remschijven, remblokken en banden van de auto vervangen. De kosten daarvoor bedroegen € 3.100,32.
[eiser] heeft vanaf 12 maart 2022 een auto, een Audi Q7, geleased. De kosten daarvan bedragen € 4.052,99 per maand.
[eiser] heeft de koopovereenkomst op 14 april 2022 ontbonden.
[eiser] heeft de auto laten onderzoeken door [onderneming 3] . Met een rapport van 1 juni 2022 heeft [onderneming 3] haar bevindingen kenbaar gemaakt. In het rapport staat, samengevat, dat [onderneming 3] van mening is dat het zeer aannemelijk is dat een uitgerekte distributieketting de oorzaak is van de foutmelding en dat het voor een goed en deugdelijk herstel noodzakelijk is dat de distributieketting inclusief geleiders, tandwielen en spanner wordt vervangen. De kosten voor het onderzoek door [onderneming 3] bedroegen € 834,90.
3. Het geschil
[eiser] vordert, na wijziging van eis, samengevat:
primair
voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden dan wel de koopovereenkomst te ontbinden,
[gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 58.525,-, met rente,
voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het tekortkomen van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen,
[gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 41.714,62 aan schadevergoeding, met rente,
subsidiair
de koopovereenkomst op grond van dwaling te vernietigen en [gedaagde] te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het te wijzen van vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 58.525,-,
voor recht te verklaren dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van ongerechtvaardigde verrijking en onrechtmatig handelen van [gedaagde] ,
[gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 41.714,62 aan schadevergoeding, met rente,
primair en subsidiair
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, met rente.
[gedaagde] voert verweer. De kantonrechter gaat hierna, onder hoofdstuk 4, in op de stellingen van partijen voor zover die stellingen nodig zijn voor de beoordeling van de vorderingen.
4. De beoordeling
Contractspartij
[gedaagde] stelt dat de vorderingen moeten worden afgewezen, omdat de koopovereenkomst niet met hem, maar met zijn echtgenote is gesloten. Zijn echtgenote was de eigenaar van de auto. [eiser] heeft volgens [gedaagde] bij het overschrijven van het kenteken kunnen zien dat het kenteken van de auto op naam van zijn echtgenote stond geregistreerd. Verder heeft [gedaagde] dit ook tegen [eiser] gezegd.
De kantonrechter passeert dit verweer. [gedaagde] heeft ter zitting gesteld dat hij de auto zélf uit Zweden heeft geïmporteerd. De kantonrechter leidt daaruit af dat [gedaagde] zélf een koopovereenkomst met de Zweedse verkoper heeft gesloten, de koopprijs heeft voldaan en eigenaar van de auto is geworden. Het had in de gegeven omstandigheden, indien en voor zover zijn echtgenote toen daadwerkelijk de eigenaar van de auto was geworden, op de weg van [gedaagde] gelegen om toe te lichten hoe dat in zijn werk was gegaan. Uit de whatsappberichten van 16 januari 2022 die hebben geleid tot een koopovereenkomst blijkt immers niet dat [gedaagde] namens zijn echtgenote handelde. Verder heeft [eiser] de koopprijs, op verzoek van [gedaagde] , aan [gedaagde] zélf voldaan. Dit alles duidt erop, zoals [eiser] ook stelt, dat [gedaagde] de eigenaar van de auto was. De kantonrechter merkt bij het voorgaande nog op dat het enkele feit dat het kenteken van de auto vanaf de import uit Zweden op naam van zijn echtgenote is geregistreerd nog niet meebrengt dat zij vanaf dat moment eigenaar van de auto is geworden.
Consumentenkoop
De kantonrechter heeft geen reden om terug te komen van het in 2.11 van het vonnis in het incident van 9 november 2022 gegeven voorlopige oordeel dat sprake is van consumentenkoop. [gedaagde] profileerde zich op de website [website] onder de naam [handelsnaam] als een professionele verkoper van auto’s. Dit blijkt uit de vermeldingen over [handelsnaam] (zie 2.1 van dit vonnis) en uit de professionele uitstraling van de foto’s van de auto (zie 2.2; in plaats van een kentekenplaat op de voorkant van de auto, een plaat met de naam [handelsnaam] ). [eiser] heeft er dan ook op mogen vertrouwen dat hij te maken had met een persoon die handelde in het kader van een handels-, bedrijfs- of beroepsactiviteit. Daaraan kan niet afdoen dat [eiser] bij [gedaagde] thuis is geweest om de auto te bekijken en dat [eiser] het privételefoonnummer van [gedaagde] heeft gekregen. Die feiten hoeven professioneel handelen immers niet in de weg te staan. Hetzelfde geldt voor het feit dat [handelsnaam] geen eigen website heeft en ook geen KvKnummer heeft. Hetgeen overigens door [gedaagde] in dit verband is gesteld, brengt de kantonrechter niet op andere gedachten.
Verder gaat de kantonrechter er van uit dat [eiser] heeft gehandeld als natuurlijk persoon. Doorslaggevend daarvoor is, zoals ook in 2.11 van het vonnis in het incident van 9 november 2022 is overwogen, dat de auto op zijn eigen naam is gezet en dat hij door middel van foto’s heeft onderbouwd dat hij voor zijn werk (als aannemer in de bouw) gebruik maakt van bedrijfsbussen. Dat de auto ook zakelijk is gebruikt, zoals [gedaagde] stelt, kan hier niet aan afdoen.
Het voorgaande betekent dat sprake is van consumentenkoop in de zin artikel 7:5 lid 1 BW (zoals dat tot 27 april 2022 gold) en dat daarom, naast artikel 7:17 BW, ook artikel 7:18 BW (zoals dat tot 27 april 2022 gold) van toepassing is.
Non-conformiteit
Op grond van artikel 7:17 BW geldt het volgende. Een afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Op grond van artikel 7:18 lid 2 BW wordt bij een consumentenkoop vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet.
De auto heeft twee weken na aflevering een foutmelding gegeven, waarna de auto naar [onderneming 2] is getransporteerd. [onderneming 2] heeft daarna meegedeeld dat hoogstwaarschijnlijk de distributieketting moet worden vervangen. [onderneming 3] heeft na onderzoek geconstateerd dat het zeer aannemelijk is dat de slechte staat van de distributieketting, een (teveel) uitgerekte distributieketting, de oorzaak is van de foutmelding. [onderneming 3] heeft daarbij ook gewezen op het relatief hoge percentage ijzer in de olie van de auto, ijzer dat afkomstig is van de distributieketting en de bijbehorende tandwielen. De kantonrechter gaat er gelet op de bevindingen van [onderneming 2] en [onderneming 3] van uit dat de distributieketting van de auto gebrekkig is. Omdat verder onbetwist tussen partijen vaststaat dat niet in een auto met een gebrekkige distributieketting kan worden gereden omdat rijden met zo’n distributieketting een groot risico op ernstige motorschade met zich brengt, moet op grond van artikel 7:18 lid 2 BW worden vermoed dat de auto bij aflevering niet aan de koopovereenkomst heeft beantwoord. [eiser] mocht immers bij het sluiten van de koopovereenkomst verwachten dat hij zonder groot risico op ernstige motorschade met de auto kon rijden.
[gedaagde] heeft dit vermoeden niet ontzenuwd. Het feit dat uit door [gedaagde] overgelegde verklaringen van aan autobedrijven verbonden personen blijkt dat zij van mening zijn dat de auto goed onderhouden was en in uitmuntende staat verkeerde en dat gebreken aan de distributieketting van dit type auto vrijwel nooit voorkomen, kan hier niet aan afdoen. De kantonrechter wijst er hierbij op dat die personen geen onderzoek naar de staat van de distributieketting van de auto hebben gedaan.
De kantonrechter acht verder niet aannemelijk dat de slechte staat van de distributieketting is ontstaan in de twee weken dat [eiser] met de auto heeft gereden, zoals [gedaagde] suggereert. [gedaagde] heeft dit onvoldoende toegelicht. Daarbij komt dat uit het rapport van [onderneming 3] blijkt dat het uitrekken van een distributieketting, zoals hier aan de orde, wordt veroorzaakt door langdurig gebruik van de auto. Tot slot overweegt de kantonrechter dat [gedaagde] op geen enkele manier aannemelijk heeft gemaakt dat [onderneming 2] de distributieketting zou hebben beschadigd.
Het feit dat [eiser] vóór het sluiten van de koopovereenkomst de auto uitvoerig heeft bekeken en een proefrit heeft gemaakt, kan, anders dan [gedaagde] meent, niet meebrengen dat de gebrekkige distributieketting voor zijn risico moet komen. Weliswaar rustte op [eiser] op grond van artikel 7:17 lid 5 BW een onderzoeksplicht, zoals [gedaagde] stelt, maar die plicht reikte niet zo ver dat hij onderzoek had moeten doen naar de staat van de distributieketting. Daarbij komt dat [eiser] op grond van artikel 7:18 lid 1 BW als consument heeft mogen afgaan op de mededeling van [gedaagde] als professionele verkoper dat de auto in uitstekende staat verkeerde.
Het door [gedaagde] gestelde feit dat hij niet wist dat de distributieketting gebrekkig was en (dus) op dit punt geen informatie heeft achtergehouden, betekent niet dat de gebrekkige distributieketting voor risico van [eiser] moet komen.
De kantonrechter concludeert op grond van het voorgaande dat de auto bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord door de gebrekkige distributieketting. Dit betekent dat [eiser] bevoegd was om de koopovereenkomst op 14 april 2022 buitengerechtelijk te ontbinden en dus ook dat de primair onder A gevorderde verklaring voor recht dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden, toewijsbaar is.
[eiser] heeft ook gesteld dat de remschijven en remblokken van de auto bij aflevering gebrekkig waren. De kantonrechter volgt die stelling niet. Weliswaar is aannemelijk dat vervanging van de remschijven en de remblokken over niet al te lange tijd, binnen 10.000 kilometer, zou moeten plaatsvinden, maar [gedaagde] heeft onbetwist gesteld dat op dit punt werd voldaan aan de APK-normen.
[gedaagde] moet gelet op de ontbinding de koopprijs van € 58.525,- aan [eiser] terugbetalen. Het primair onder B gevorderde bedrag van € 58.525,- is dus toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de over dat bedrag gevorderde wettelijke rente vanaf 18 april 2022.
De kantonrechter merkt nog op dat de ontbinding meebrengt dat de auto moet worden teruggegeven aan [gedaagde] , het kenteken van de auto op naam moet worden gesteld van iemand anders dan [eiser] en dat aan [eiser] een vrijwaringsbewijs moet worden verstrekt.
Schade
Op grond van artikel 7:24 lid 1 BW in samenhang met artikel 6:74 BW is de schuldenaar verplicht de schade te vergoeden die de schuldeiser lijdt door een tekortkoming van de schuldenaar in de nakoming van een verbintenis. De primair onder C gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar: [gedaagde] is aansprakelijk voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het tekortkomen van [gedaagde] in zijn verplichting om een auto te leveren die aan de koopovereenkomst beantwoordt.
Anders dan [gedaagde] meent, kan het daarbij ook gaan om schade die is ontstaan na de ontbinding van de koopovereenkomst. De schade moet wel, zo volgt uit artikel 6:98 BW, naar redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van [gedaagde] rust, dus kort gezegd aan het leveren van een auto waarmee in verband met een gebrekkige distributieketting niet kan worden gereden.
Vervangend vervoer
[eiser] heeft, doordat hij niet met de auto kan rijden, vanaf 12 maart 2022 een vervangende auto, een Audi Q7, geleased. De leasekosten bedragen € 4.052,99 inclusief BTW per maand. [eiser] vordert een bedrag van € 35.038,75 over de periode van 12 maart 2022 tot en met 30 november 2022 gemaakte leasekosten. De kantonrechter is van oordeel dat die leasekosten naar redelijkheid slechts voor een deel kunnen worden toegerekend aan het leveren van een auto die niet kan rijden. [eiser] heeft in het licht van het verweer van [gedaagde] onvoldoende onderbouwd waarom zulke hoge leasekosten moeten worden gemaakt. [eiser] heeft weliswaar gesteld dat de geleasede auto comfortabel en betrouwbaar moet zijn en zwaar beladen aanhangers moet kunnen trekken, maar dit verklaart nog niet waarom voor zo’n hoog bedrag per maand een auto zou moeten worden geleased. Verder geldt dat [eiser] , als hij met de auto had kunnen rijden, kosten had gemaakt die nu in het leasebedrag zitten. Daar moet ook rekening mee worden gehouden. De kantonrechter stelt het leasebedrag daarom schattenderwijs op € 1.000,- per maand. Tot slot zal de duur van door [gedaagde] te vergoeden leasekosten worden beperkt tot zes maanden. Een langere duur valt naar redelijkheid niet aan de gebeurtenis toe te rekenen. Het totaal aan kosten voor vervangend vervoer komt daarmee op € 6.000,- (zes maanden maal € 1.000,- per maand).
Stallingskosten
[eiser] vordert een bedrag van € 2.740,65 aan stallingskosten. Dit schadebedrag is toewijsbaar. [eiser] heeft aannemelijk gemaakt dat de auto vanaf 1 juni 2022 bij [onderneming 2] is gestald tegen een maandprijs van € 225,- (exclusief btw).
Reparatiekosten
[eiser] vordert een bedrag van € 3.100,32 aan door [onderneming 2] uitgevoerde kosten in verband met het vervangen van remschijven, remblokken en banden. Ook dit schadebedrag is toewijsbaar. Voldoende aannemelijk is dat de vervanging op relatief korte termijn noodzakelijk was. [gedaagde] is dan ook tot een bedrag van € 3.100,32 ongerechtvaardigd verrijkt, ten koste van [eiser] .
Kosten [onderneming 3]
[eiser] vordert een bedrag van € 834,90 aan kosten in verband met het onderzoek door [onderneming 3] . Dit schadebedrag is toewijsbaar op grond van artikel 6:96 lid 1 onder b BW. [eiser] heeft de kosten moeten maken ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Verder zijn de kosten redelijk.
Totale schade
Het in totaal door [gedaagde] aan schade te vergoeden bedrag komt daarmee op € 12.675,87 (€ 6.000,- plus € 2.740,65 plus € 3.100,32 plus € 834,90). Aan wettelijke rente hierover is, zoals gevorderd, de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (19 juli 2022) toewijsbaar. De primaire vordering onder D wordt dan ook toegewezen als in het dictum nader vermeld. De subsidiaire vorderingen behoeven gelet op de (gedeeltelijke) toewijzing van de primaire vorderingen geen bespreking.
Proceskosten
[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op € 2.411,96 (€ 130,96 aan explootkosten plus € 1.588,- aan salaris gemachtigde plus € 693,- aan griffierecht). Over de proceskosten zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen zoals in het dictum nader vermeld.
5. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden,
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 58.525,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 april 2022 tot de dag van volledige betaling,
verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het tekortkomen van [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen,
veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betalen een bedrag van € 12.675,87, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 juli 2022 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 2.411,96, waarin begrepen € 1.588,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.411,96 vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
verklaart de veroordelingen onder 5.2, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 april 2023.