RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12215604 \ UE VERZ 26-184
Beschikking van 25 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A. Azauiyat,
tegen
[verweerder] H.O.D.N. [handelsnaam],
wonende in [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: J. Peters.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 29 april 2026,
- het verweerschrift van 3 augustus 2026.
Op 4 augustus 2026 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Hierbij was [verzoeker] aanwezig met zijn gemachtigde mr. A. Azauiyat aanwezig. [verweerder] was aanwezig zonder zijn gemachtigde. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
Ten slotte heeft de kantonrechter partijen laten weten dat de beschikking vandaag wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1999, is van 1 november 2021 tot en met 4 maart 2026 in dienst geweest bij [verweerder] als [functie] . [verweerder] heeft [verzoeker] op staande voet ontslagen, op het moment dat hij ziek thuis was, vanwege een vermoeden van betrokkenheid bij een strafbaar feit dat niet werkgerelateerd is. [verzoeker] berust in het ontslag, maar vordert in deze procedure onder andere betaling van een transitievergoeding, een vergoeding vanwege de onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding van € 66.343,20 bruto, omdat het ontslag niet rechtsgeldig is. De kantonrechter stelt vast dat er geen dringende reden was om [verzoeker] op 4 maart op staande voet te ontslaan. [verweerder] moet daarom de gevorderde transitievergoeding, vergoeding onregelmatige opzegging en een billijke vergoeding van € 16.585,80 bruto aan [verzoeker] betalen.
3. De beoordeling
[verzoeker] berust in het ontslag op staande voet
[verzoeker] heeft in eerste instantie verzocht om én het ontslag op staande voet te vernietigen én [verweerder] te veroordelen een billijke vergoeding te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [verzoeker] echter toegelicht dat het in het belang van de gezondheid van [verzoeker] is dat er een einde komt aan de samenwerking tussen [verzoeker] en [verweerder] , omdat deze kwestie aan het herstel van [verzoeker] in de weg staat. Daarom berust [verzoeker] in de opzegging. Dit betekent dat het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet niet meer hoeft te worden behandeld.
Juridisch kader ontslag op staande voet
Voor de beantwoording van de vraag of [verzoeker] recht heeft op de verzochte vergoedingen, moet de kantonrechter beoordelen of het ontslag van 4 maart 2026 rechtsgeldig is aan de hand van het toepasselijke recht, dat luidt als volgt.
Een werkgever kan een arbeidsovereenkomst alleen rechtsgeldig opzeggen als de werknemer daarmee schriftelijk akkoord gaat. Dat kan anders zijn als de werknemer zich zó gedraagt, dat het niet redelijk is om van de werkgever te verlangen dat hij hem nog in dienst houdt. In dat geval kan een werkgever een werknemer op staande voet ontslaan. Dat moet hij dan wel direct, of zo snel mogelijk, doen en dat ook direct meedelen aan de werknemer. In dit geval is aan die vereisten niet voldaan. Dat wordt hierna toegelicht.
[verweerder] mocht [verzoeker] niet op staande voet ontslaan
[verweerder] noemt als dringende reden om [verzoeker] te ontslaan dat [verzoeker] te zien was in een uitzending van [programma] , waarin werd gezocht naar verdachten van een woningoverval. Het gaat hier om een niet werkgerelateerd misdrijf. [verweerder] heeft bij de mondelinge behandeling toegelicht dat hij de veronderstelde betrokkenheid van [verzoeker] bij een ernstig strafbaar feit ziet als een bewijs dat [verzoeker] niet betrouwbaar is. Dat kan zijn bedrijfsvoering schaden en dat maakt dat hij niet meer verder met [verzoeker] kan en wil. Zo heeft [verweerder] het ook opgeschreven in de brief waarmee [verweerder] [verzoeker] op staande voet heeft ontslagen. Dat bericht luidde namelijk als volgt:
Beste [verzoeker] ,
Al in december 2025 sprak ik je, naar aanleiding van een uitzending van [programma] op 23-09-2025. Hierbij meende ik je te herkennen als een van de getoonde personen in de uitzending. De beelden die jou tonen bij het plegen van een strafbaar feit: gewelddadige huisoverval
Ik heb de beelden deze dagen nogmaals bekeken en bestudeerd en ben er nu 100 % van overtuigd dat jij de persoon bent dit feit pleegt.
Dit is voor mij reden je op staande voet, per 1 maart jongstleden te ontslaan. Als werkgever is een dergelijk crimineel gedrag van een werknemer totaal onacceptabel. Ik wil op geen enkele wijze met mijn bedrijf in verband worden gebracht met dit soort van activiteiten door een van mijn werknemers omdat dit veel schade kan aanrichten voor mijn bedrijf.
Klanten zullen bij wetenschap ervan niet meer met mij in zee willen gaan.
Maar, er is geen enkel ander aanknopingspunt dat [verzoeker] daadwerkelijk bij het betreffende strafbare feit betrokken is geweest dan de overtuiging van [verweerder] en zijn verklaring dat die overtuiging gebaseerd is op het voorkomen van één van de gemaskerde overvallers en het feit dat de overvaller linkshandig is, net als [verzoeker] . Dat is onvoldoende om iemand van betrokkenheid bij een strafbaar feit te beschuldigen, laat staan hem daarvoor te ontslaan.
[verweerder] heeft het ontslag ook niet meteen gegeven nadat hij de uitzending van [programma] waarin [verzoeker] volgens hem te zien is, op 23 september 2025 had gezien. Dat heeft hij pas gedaan nadat op hij op een veel later moment twee kennissen heeft verzocht nog eens mee te kijken naar de betreffende uitzending. Waarom dit zo lang heeft geduurd en waarom die kennissen het met [verweerder] eens waren dat de overvaller in kwestie [verzoeker] zou zijn heeft [verweerder] niet uitgelegd. Er zijn dus geen aanknopingspunten dat [verweerder] pas na de bevindingen van die kennissen een goede reden had [verzoeker] op staande voet te ontslaan. .
[verweerder] moet een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.764,30 bruto betalen
De gevorderde vergoeding wegens onregelmatig opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan op grond van de tussen partijen geldende opzegtermijn zou mogen. De vergoeding wegens onregelmatige opzegging is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te vermeerderen met vakantietoeslag. [verzoeker] vordert een vergoeding van € 2.764,30 en [verweerder] heeft deze hoogte niet betwist. De kantonrechter zal daarom het gehele bedrag toewijzen. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 maart 2026.
[verweerder] moet de transitievergoeding van € 4.069,66 bruto betalen
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] . Dit betekent dat [verweerder] de transitievergoeding aan [verzoeker] moet betalen.
[verzoeker] stelt dat hij recht heeft op een transitievergoeding van € 4.069,66. De kantonrechter zal echter slechts € 4.002,98 toewijzen. Alhoewel [verweerder] de hoogte van de transitievergoeding namelijk niet heeft betwist, volgt uit vaste rechtspraak dat de kantonrechter de transitievergoeding ambtshalve, conform de bepalingen hierover in de wet, moet berekenen, omdat de wet nauwkeurige regels bevat voor de berekening van deze vergoeding. [verzoeker] is in zijn berekening uitgegaan van een arbeidsduur van 4 jaar en 5 maanden, maar [verzoeker] is slechts 4 jaar, 4 maanden en 4 dagen bij [verweerder] in dienst geweest. De kantonrechter heeft daarom de transitievergoeding over deze periode berekend op € 4.002.98 en is daarbij uitgegaan van het door [verzoeker] genoemde bruto maandloon van € 2.764,30 inclusief vakantietoeslag. [verweerder] moet de wettelijke rente over de transitievergoeding betalen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 4 april 2026.
[verweerder] moet een billijke vergoeding van € 16.585,80 bruto betalen
[verweerder] heeft [verzoeker] onterecht op staande voet ontslagen en daardoor ernstig verwijtbaar gehandeld. Dat maakt dat [verzoeker] recht heeft op een billijke vergoeding.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
[verzoeker] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van € 66.343,20. Hij geeft hier als onderbouwing voor dat hij door het ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] (het onterecht ontslaan op staande voet) inkomensschade heeft geleden van € 66.343,20, omdat de arbeidsovereenkomst anders nog 24 maanden had voortgeduurd. [verzoeker] maakt aanspraak het loon dat hij bij [verweerder] gedurende die 24 maanden zou hebben gehad.
Voor het bepalen van de hoogte van de verzochte billijke vergoeding weegt de kantonrechter de volgende omstandigheden van dit geval.
De kantonrechter stelt voorop dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, niet alleen door [verzoeker] zonder goede reden op staande voet te ontslaan, maar ook door hem ongefundeerd te beschuldigen van betrokkenheid bij een ernstig misdrijf, terwijl [verzoeker] ziek thuis was. Dat mag tot uitdrukking komen in de toe te wijzen billijke vergoeding.
De kantonrechter heeft geen aanknopingspunten dat het dienstverband met [verweerder] nog 24 maanden had geduurd als het ontslag op staande voet niet was gegeven. De kantonrechter heeft begrepen dat er al problemen speelden op de werkvloer voordat [verzoeker] zich ziek heeft gemeld. Ook uit de rapportages van de bedrijfsarts volgt dat de medische beperkingen die er kennelijk zijn, samenhangen met de situatie op de werkvloer. Het is onduidelijk of een en ander te wijten is aan [verweerder] en zo ja, wat dit verwijt dan is. Vooralsnog lijkt [verweerder] geen verwijt gemaakt te kunnen worden van het voortduren van de situatie van arbeidsongeschiktheid. [verweerder] heeft namelijk uitgelegd dat hij maandenlang heeft geprobeerd om in contact te komen met [verzoeker] en een afspraak voor hem met de bedrijfsarts te maken, maar dat dit niet lukte, waardoor uiteindelijk een loonstop is opgelegd. Over de juistheid van de loonstop verschillen partijen van mening en uiteindelijk is de loonstop na contact tussen de gemachtigde van [verzoeker] en [verweerder] weer beëindigd, maar feit is dat de re-integratie niet wil vlotten en daar niet zonder meer [verweerder] een verwijt van kan worden gemaakt. Partijen hebben bovendien kennelijk tijdens de ziekte van [verzoeker] geprobeerd te spreken over een einde van de arbeidsrelatie, maar het ontslag op staande voet maakte hier een einde aan. De kantonrechter leidt heruit af dat als het ontslag op staande voet er niet was geweest, het dienstverband al tot een einde zou zijn gekomen. Zeker omdat het voortduren van het dienstverband het herstel van [verzoeker] niet bevorderde.
Er zijn geen aanknopingspunten dat [verzoeker] door toedoen van [verweerder] nog 24 maanden niet in staat zal zijn een inkomen te verdienen gelijk aan het inkomen dat hij had bij [verweerder] . [verzoeker] is nog jong (26) en heeft kennelijk een opleiding/werkervaring als [functie] . Het is een feit van algemene bekendheid dat er veel vraag is naar technisch geschoolde werknemers. Bij gebrek aan een toelichting dat dit in het geval van [verzoeker] anders is, gaat de kantonrechter er dus vanuit dat hij snel een andere baan zal kunnen vinden, zodra hij hersteld is. De transitievergoeding bedoeld voor de overgang naar het vinden van ander passend werk en gebaseerd op de duur van het dienstverband, lijkt daarvoor dus toereikend. Maar, op het herstel van [verzoeker] heeft de kantonrechter geen zicht en feit is dat [verzoeker] door toedoen van [verweerder] sinds het ontslag op staande voet in een onzekere situatie verkeert zonder inkomen.
Alles overziende acht de kantonrechter een billijke vergoeding gelijk aan zes maanden loon passend. Dat bedrag compenseert de inkomensterugval waarmee [verzoeker] na het ontslag op staande voet te maken heeft gekregen en dit bedrag zal hem, naast de toe te kennen transitievergoeding in staat stellen de periode tot het vinden van ander werk te overbruggen. Dit bedrag van € 16.585,80 bruto moet [verweerder] als billijke vergoeding aan [verzoeker] betalen.
[verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling nog toegelicht dat hij geen geld heeft en niet in staat is een billijke vergoeding te betalen. Hij woont vanwege een lopende echtscheiding al vijftien jaar op zijn kantoor en zou zijn bedrijfsauto en materiaal moeten verkopen om een vergoeding in deze orde van grote te voldoen. De kantonrechter heeft geen reden om aan dit verhaal te twijfelen. Maar, voor de beoordeling en toewijzing van een billijke vergoeding is de betalingsonmacht van [verweerder] geen factor die meeweegt.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
De beslissing zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
De kantonrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd door [verzoeker] . Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 2.764,30 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 maart 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 4.002,98 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 april 2026 tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 16.585,80 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.
62938