RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/600439 / FO RK 25-1223
Verhuizing, hoofdverblijf, zorgregeling
Beschikking van 7 augustus 2026
in de zaak van:
[de vader] ,
wonend op een voor de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. V.R.L. Berkhout,
tegen
[de moeder] ,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. T.T. Robijn.
1. De procedure
Voor het verloop van de procedure tot 4 februari 2026 verwijst de rechtbank naar de beschikking van die datum. Bij die beschikking heeft de rechtbank de vader samen met de moeder belast met het gezag over [minderjarige] , een voorlopige zorgregeling vastgesteld, een informatieregeling vastgesteld en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht onderzoek te doen naar de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de zorgregeling. De beslissing over de hoofdverblijfplaats, de definitieve zorgregeling en de vervangende toestemming voor de verhuizing is aangehouden.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier van de moeder (met bijlage), ontvangen op 8 juni 2026;
het rapport van de Raad, ontvangen op 8 juni 2026.
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 17 juni 2026. Tijdens deze zitting is ook het verzoek van de Raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen behandeld (zaaknummer C/16/612766 / JE RK 26-844). Daarbij waren aanwezig:
de vader en zijn advocaat;
de moeder en haar advocaat;
- mevrouw [A.] namens de Raad.
De gecertificeerde instelling Stichting Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de GI) was ook uitgenodigd voor de zitting, maar er is geen vertegenwoordiger verschenen.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met (kinder)rechter mr. A.G. van Doorn. Tijdens de zitting heeft zij samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. Waar de procedure over gaat
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
Zij hebben samen een kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
De moeder heeft een periode met [minderjarige] in Spanje gewoond. Bij vonnis van 31 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld binnen twee weken samen met [minderjarige] terug te verhuizen naar (de omgeving van) [plaats] . Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld aan de vader een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000, - is bereikt.
Het gerechtshof heeft deze beslissing bij beschikking van 24 februari 2026 bekrachtigd.
Bij beschikking van 4 februari 2026 heeft de rechtbank de vader samen met de moeder belast met het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat de ouders samen de beslissingen over [minderjarige] moeten nemen.
Bij beschikking van 4 februari 2026 heeft de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling vastgesteld:
- [minderjarige] verblijft bij de vader:
o een keer per 14 dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school;
o als er geen school is een keer per 14 dagen van vrijdag 12.00 uur tot maandag 12.00 uur.
De rechtbank heeft toen ook een informatieregeling vastgesteld die inhoudt dat de moeder één keer per week een e-mail stuurt aan de vader over:
de gezondheid van [minderjarige] ;
hoe het met hem gaat op school;
zijn hobby’s, etc.
Ook is bepaald dat de moeder één keer per week een recente foto van [minderjarige] aan de vader zal sturen zolang zij met [minderjarige] in Spanje verblijft.
De Raad heeft in het rapport van 5 juni 2026 geadviseerd:
het verzoek van de vader over het hoofdverblijf af te wijzen;
een voorlopige zorgregeling vast te stellen die inhoudt dat [minderjarige] één keer in de 14 dagen een weekend bij de vader is van vrijdag uit school tot maandag naar school, en in de zomervakantie twee weken, en de definitieve beslissing over de omgang één jaar aan te houden.
De Raad heeft daarnaast verzocht [minderjarige] onder toezicht te stellen.
Bij beschikking van 17 juni 2026 heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 17 juni 2026 tot 17 juni 2027.
De vader verzoekt de rechtbank in de door hem ingediende stukken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. te bepalen dat [minderjarige] voortaan zijn hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben;
subsidiair
II. een zorg- en contactregeling vast te stellen waarbij:
a. als [minderjarige] met de moeder in Nederland verblijft er in onderling overleg wordt afgesproken wanneer [minderjarige] bij de vader verblijft, waarbij het uitgangspunt is dat [minderjarige] ongeveer de helft van de tijd bij de vader verblijft, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen;
b. als [minderjarige] met de moeder in het buitenland verblijft [minderjarige] iedere schoolvakantie bij de vader in Nederland verblijft, waarbij de moeder het halen en brengen volledig voor haar rekening neemt, alsmede drie keer in de week een videobelmoment tussen de vader en [minderjarige] ;
III. een informatieregeling vast te stellen, waarbij de moeder de vader één keer per week uitgebreid dient te informeren over [minderjarige] per e-mail.
De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader. Zij vraagt de rechtbank in de door haar ingediende stukken:
de verzoeken van de vader af te wijzen;
te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar zal zijn;
aan de moeder vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om met [minderjarige] naar Spanje te verhuizen;
een zorgregeling vast te stellen waarbij belmomenten tussen de vader en [minderjarige] worden ingepland in overleg met [minderjarige] , waarbij zowel de frequentie als de duur van deze contactmomenten worden afgestemd op de wensen en behoeften van [minderjarige] .
Tijdens de zitting heeft de moeder verklaard dat haar verzoek over de belregeling inmiddels is verouderd, en dat zij achter de door de Raad geadviseerde zorgregeling staat.
3. De beoordeling
De rechtbank zal hierna per onderwerp de beslissing noemen en uitleggen waarom zij die beslissing neemt.
Verhuizing
De rechtbank zal het verzoek van de moeder afwijzen.
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] en daarom heeft de moeder de toestemming van de vader nodig om met [minderjarige] naar Spanje te verhuizen. Als de vader die toestemming niet verleent, kan de rechtbank op verzoek van de moeder hiervoor vervangende toestemming verlenen.
Ten tijde van de vorige beschikking in deze procedure (4 februari 2026) verbleef de moeder met [minderjarige] in Spanje. Op 9 maart 2026 zijn zij met behulp van het Rode Kruis naar Nederland teruggekeerd. Tijdens de zitting van 17 juni 2026 heeft de moeder verteld dat zij weer met [minderjarige] naar Spanje wil verhuizen als [minderjarige] in Nederland zijn school heeft afgemaakt. Dat is over ongeveer vier jaar. Zij wil nu toestemming, zodat het haar vrijstaat om op termijn met [minderjarige] te vertrekken.
De rechtbank is van oordeel dat toewijzing van het verzoek van de moeder niet in het belang van [minderjarige] is. De moeder heeft het plan om te verhuizen niet uitgewerkt. Bovendien is op dit moment niet te beoordelen wat over vier jaar goed is voor [minderjarige] . De Raad heeft tijdens de zitting benadrukt dat het belangrijk is dat [minderjarige] duidelijkheid en rust ervaart. De rechtbank vindt het voor [minderjarige] nodig dat hij weet dat hij in Nederland blijft wonen en zijn vader blijft zien. Het is niet in zijn belang om onrust te ervaren over een eventuele verhuizing naar Spanje.
Hoofdverblijfplaats
De rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft.
Als ouders samen het gezag hebben, moeten zij samen beslissen waar hun kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Als zij het daar niet over eens worden, kunnen zij de rechtbank vragen hierover een beslissing te nemen. Dat staat in de wet. De rechtbank moet in zo’n geval beoordelen welke beslissing het meest in het belang van het kind is.
Het hoofdverblijf van [minderjarige] is niet eerder formeel vastgesteld. [minderjarige] woont heel zijn leven bij de moeder. De rechtbank ziet geen aanleiding om dat te veranderen. [minderjarige] heeft aan de (kinder)rechter verteld dat hij bij de moeder wil blijven wonen.
De vader woont bij zijn zus en zwager en heeft nu geen eigen woning. Weliswaar is het de wens van de vader dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem wordt bepaald, maar hij heeft ook verklaard dat hij [minderjarige] in deze situatie niet het merendeel van de tijd kan opvangen. Het is daarom nu (praktisch) niet mogelijk dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij hem heeft.
Er zijn zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de moeder en de keuzes die de moeder maakt. Een voorbeeld daarvan is de verhuizing met [minderjarige] naar Spanje. Ook in Spanje waren er zorgen. Vanwege een zorgmelding van de Internationale Kinderbescherming heeft de Raad het zogenoemde gezag- en omgangsonderzoek uitgebreid met een beschermingsonderzoek.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om de beslissing aan te houden, bijvoorbeeld om de ontwikkelingen in de komende periode af te wachten of tot de vader een eigen woning heeft. Sinds 17 juni 2026 staat [minderjarige] onder toezicht van de GI en de GI kan de situatie monitoren en zo nodig ingrijpen.
Zorgregeling
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen die overeenkomt met de huidige voorlopige zorgregeling, en daarbij bepalen dat de vader en [minderjarige] in het weekend dat [minderjarige] bij de moeder is op zaterdag om 17.30 uur (video)belcontact met elkaar hebben.
De vader verzoekt een co-ouderschapsregeling vast te stellen, maar kan op dit moment niet in die mate voor [minderjarige] zorgen. Dat heeft te maken met het ontbreken van een eigen woning. Gebleken is dat de ouders en [minderjarige] tevreden zijn met de huidige voorlopige zorgregeling. De rechtbank acht het nu in het belang van [minderjarige] en de ouders dat er duidelijkheid is over de omgang. Binnen de ondertoezichtstelling kan de GI beoordelen of uitbreiding mogelijk is. Het maakt daarvoor ook uit wanneer en waar de ouders een nieuwe woning vinden. De moeder is namelijk ook op zoek naar een nieuwe woning, omdat de plek waar zij nu verblijft, tijdelijk is.
De rechtbank zal bepalen dat [minderjarige] en de vader in het weekend dat [minderjarige] bij de moeder is op zaterdag om 17.30 uur met elkaar (video)bellen. Op deze manier hebben de vader en [minderjarige] tussen de omgangsweekenden door een contactmoment. Het is belangrijk dat de moeder [minderjarige] stimuleert met de vader te (video)bellen.
Ouderschapsbemiddeling en emotieregulatietherapie
Tijdens de zitting is gesproken over het ontbreken van communicatie tussen de ouders. De ouders staan achter het advies van de Raad om een ouderschapsbemiddelingstraject te gaan volgen. Zij moeten zich daarvoor aanmelden. Het is belangrijk dat zij leren samenwerken en beslissingen te nemen, om zo samen op een goede manier ouders te zijn voor [minderjarige] . Dat is ook één van de doelen van de ondertoezichtstelling.
Het is verder belangrijk dat [minderjarige] emotieregulatietherapie gaat volgen. De moeder heeft via de huisarts een verwijsbrief aangevraagd. Tijdens de zitting vertelde de vader dat hij hiervan niet op de hoogte was. Bij de intake moet een toestemmingsformulier door beide ouders worden ingevuld. Dan wordt de vader op de hoogte gesteld van het verloop van de therapie.
Vakanties en feestdagen
De rechtbank zal voor de zomervakantie van 2026 bepalen dat [minderjarige] in de weken 1, 5 en 6 bij de moeder is en in de weken 2, 3 en 4 bij de vader.
De vakantie gaat in op maandag. Het weekend ervoor geldt de reguliere zorgregeling. Op maandag 13 juli 2026 om 12.00 uur gaat [minderjarige] naar de vader en daar blijft hij tot maandag 3 augustus 12.00 uur. Dan gaat hij naar de moeder. Op maandag 17 augustus 2026 start zijn school. Het weekend dat daarop volgt is hij bij de vader.
De rechtbank heeft deze verdeling van de zomervakantie aan het eind van de zitting van 17 juni 2026 aan de ouders doorgegeven.
De rechtbank zal verder bepalen dat de ouders de vakanties en feestdagen in onderling overleg moeten verdelen, waarbij het uitgangspunt is dat dit bij helfte wordt gedaan. De rechtbank vindt namelijk dat de ouders hierover tijdens het ouderschapsbemiddelingstraject (en met de jeugdbeschermer) moeten overleggen. De rechtbank zal daarom nu geen gedetailleerde regeling vaststellen.
Informatie
De rechtbank heeft bij beschikking van 4 februari 2026 een informatieregeling vastgesteld. Er ligt nu geen verzoek over de informatieregeling voor en de rechtbank kan hierover niet beslissen. De situatie is ten opzichte van 4 februari 2026 veranderd. De moeder woont weer met [minderjarige] in Nederland en de vader heeft omgang met hem. Daarom is het niet meer nodig dat de moeder foto’s naar de vader stuurt. Vader heeft gezag over [minderjarige] en weet naar welke school hij gaat. De vader kan zelf bij school informeren over hoe het met [minderjarige] gaat op school. Ook zal de school de vader hierover informeren. Het is dus niet meer nodig dat de moeder de vader hierover informeert.
Omdat [minderjarige] zowel bij zijn vader als bij zijn moeder tijd doorbrengt, is het van belang dat de ouders elkaar op de hoogte houden over hoe het met [minderjarige] gaat. De ouders zullen hierin een weg moeten vinden. Dat kan worden meegenomen in het ouderschapsbemiddelingstraject.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
Hierna volgt de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de moeder heeft;
stelt de volgende zorgregeling vast:
[minderjarige] verblijft bij de vader een keer per 14 dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school, en als er geen school is een keer per 14 dagen van vrijdag 12.00 uur tot maandag 12.00 uur;
[minderjarige] en de vader hebben in het weekend dat [minderjarige] bij de moeder verblijft op zaterdag om 17.30 uur (video)belcontact met elkaar;
bepaalt dat de ouders de vakanties en feestdagen in onderling overleg moeten verdelen, met als uitgangspunt een verdeling bij helfte;
bepaalt dat [minderjarige] in de zomervakantie van 2026 in de weken 1, 5 en 6 bij de moeder is en in de weken 2, 3 en 4 bij de vader, waarbij de weken ingaan op de maandag;
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door (kinder)rechters mr. L.A.C. de Vaan (voorzitter), mr. A.G. van Doorn en mr. N.J.W.G. Simons, in samenwerking met mr. M.J.W. Rietveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.