RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Krommenie, eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/1090
(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),
en
(gemachtigde: mr. D. Arslan).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (PW). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van therapiezwemmen en de daaraan verbonden reiskosten. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 september 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 29 december 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
5. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat geen recht op bijzondere bijstand bestaat, omdat er sprake is van een voorliggende voorziening. Het gaat om medische kosten, waarvoor de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een passende en toereikende voorziening wordt gezien. Daarnaast is er geen sprake van zeer dringende redenen om alsnog bijstand toe te kennen.
6. Eiser voert – kort samengevat – aan dat geen sprake is van een voorliggende voorziening, nu er vanuit de zorgverzekering niets vergoed wordt. Verder voert eiser aan dat de huisarts aangeeft dat het zwemmen een noodzakelijke behandeling is.
7. Het college stelt zich hierover op het standpunt dat eiser in de in geding zijnde periode collectief verzekerd was via de gemeente Zaanstad (basis- en aanvullende verzekering). Vanuit de aanvullende verzekering had eiser recht op een vergoeding voor hydrotherapie, van 12 behandelingen per jaar. De zorgverzekering wordt ten aanzien van de kosten van hydrotherapie aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening. Daaraan doet niet af dat de gemaakte kosten niet daadwerkelijk en/of volledig worden vergoed vanuit de voorliggende voorziening. Verder is er volgens het college geen sprake van zeer dringende redenen. Eiser heeft alleen de verklaring van de huisarts overgelegd waaruit blijkt dat aquazwemmen een noodzakelijke behandeling is, deze verklaring bevat echter geen informatie over de ernst van de medische situatie en de gevolgen die dit voor de gezondheid van eiser kan hebben. Subsidiair stelt het college zich op het standpunt dat de kosten niet noodzakelijk zijn in dit geval. Het college wijst daarbij op het advies van Argonaut dat in beroep is ingebracht. Eiser heeft niet betwist dat andere bewegingsmogelijkheden, zoals wandelen, voor hem open stonden en dat dit een positief effect zou kunnen hebben. Nu hij die andere mogelijkheden niet heeft geprobeerd zoals volgt uit het advies van de arts, kan niet worden gezegd dat het zwemmen voor eiser vanuit medisch oogpunt noodzakelijk is.
De rechtbank overweegt als volgt.
8. Er bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt (artikel 15 van de PW).
9. Volgens vaste rechtspraak geldt dat voor de kosten van medische zorg de Zvw en het daarop gebaseerde Besluit zorgverzekering en de Regeling zorgverzekering een toereikende en passende voorliggende voorziening is. De omstandigheid dat een behandeling (mogelijk) geheel of gedeeltelijk niet vergoed wordt op basis van de (aanvullende) zorgverzekering betekent dus niet dat er geen sprake is van een passende en toereikende voorliggende voorziening.
10. Het college kan aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderings-mogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen als bedoeld in deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie doet zich voor als het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is.
11. Gelet op het hiervoor weergegeven kader is het aan eiser om te onderbouwen dat de kosten niet vergoed konden worden op basis van de (aanvullende) zorgverzekering. De verwijzing naar een telefoongesprek dat de middag voor de zitting door gemachtigde met de zorgverzekeraar is gevoerd en waarin zou zijn gezegd dat de therapie niet vergoed werd, is onvoldoende tegenover de door het college in geding gebrachte informatie over het (toenmalige) vergoedingenpakket van Univé. Daarin is immers wel de mogelijkheid opgenomen een aantal malen per jaar oefentherapie te vergoeden.
12. Verder is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het college toch bijzondere bijstand zou moeten verlenen. Weliswaar heeft de huisarts gesteld dat het zwemmen noodzakelijk is, maar de arts van Argonaut heeft in zijn advies aangegeven dat het erom gaat dat eiser moet bewegen en dat dit ook kan door bijvoorbeeld te wandelen. Eiser heeft onvoldoende (medisch) onderbouwd dat hij alleen door therapiezwemmen kan bewegen en dat alleen daardoor ernstige gevolgen voor zijn gezondheid kan worden voorkomen. Er kan daarom niet worden gesproken van een schrijnende situatie waarin weigering van bijzondere bijstand onaanvaardbaar is.
13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepsgronden geen doel treffen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van therapiezwemmen in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.