RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit Hoofddorp, eisers
Samenvatting
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3603
(gemachtigde: mr. J.C. Walker),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigde: mr. D. Mohan).
Deze uitspraak gaat over de intrekking, herziening en terugvordering van de uitkering van eisers op grond van de Participatiewet (Pw). Eisers zijn het hiermee niet eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden de vraag of de intrekking, herziening en terugvordering stand kunnen houden.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet slaagt en dus ongegrond is. Eisers krijgen geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2.
Bij besluit van 14 november 2024 (het primaire besluit 1) heeft het college de bijstandsuitkering van eisers ingetrokken per 7 november 2024 omdat de heer [eiser 1] (hierna: eiser) inkomsten heeft die hoger zijn dan de toepasselijke bijstandsnorm en het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. Hiertegen hebben eisers op 18 december 2024 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 9 januari 2025 (het primair besluit 2) heeft het college de bijstandsuitkering van eisers ingetrokken over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 augustus 2023, 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023 en 1 april 2024 tot en met 30 september 2024 wegens het ontvangen van (verzwegen) inkomsten boven de geldende bijstandsnorm. Daarnaast is het recht op bijstand herzien over de maand september 2023, 1 januari 2024 tot en met 31 maart 2024 en de maand oktober 2024 wegens het ontvangen van (verzwegen) inkomsten. Van eisers wordt € 29.306,43 (gedeeltelijk) bruto aan over de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 oktober 2024 ontvangen bijstand teruggevorderd. Hiertegen hebben eisers op 14 februari 2025 bezwaar gemaakt.
Het college heeft de bezwaren van eisers met een besluit van 17 juli 2025 (bestreden besluit) ongegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gehouden.
Hiertegen hebben eisers op 14 augustus 2025 beroep ingesteld.
Het college heeft op 1 september 2025 op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het bestreden besluit
Onderzoek en primaire besluiten
3.
Eisers ontvangen sinds 5 maart 2015 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Eiser is sinds 1 september 2023 als chauffeur in dienst van [bedrijf] BV. In verband hiermee heeft hij van september 2023 tot en met september 2024 inkomsten opgegeven voor bedragen tussen € 90,- en € 101,50 per maand.
Het college is op 30 september 2024 vanwege een vermoeden van zwart werk als chauffeur een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eisers verstrekte bijstandsuitkering. Dit onderzoek heeft onder meer bestaan uit dossieronderzoek, administratief vooronderzoek, het vorderen van informatie bij Uber op 30 september 2024, het bij eisers op 18 oktober 2024 opvragen van schriftelijke bewijsstukken en bankafschriften en gesprekken met eiser(s) op 4 november 2024 en 7 november 2024.
Gedurende het onderzoek heeft het college (de betaling van) de bijstand van eisers op 7 november 2024 geblokkeerd omdat volgens het college het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld.
Het college heeft vervolgens het primaire besluit 1 genomen zoals vermeld onder het procesverloop.
Op 6 januari 2025 is de rapportage van het onderzoek afgerond. Hierin is – samengevat – geconcludeerd dat eisers de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden. Gebleken is dat eiser via het Uber platform in de periode van 10 mei 2023 tot en met 8 oktober 2024 2.711 ritten heeft uitgevoerd voor drie verschillende fleetpartners bij Uber. In die periode is door Uber aan deze drie fleetpartners € 45.573,76 uitbetaald. De fleetpartners hebben vervolgens bedragen uitgekeerd aan eiser. Het college was hiervan niet op de hoogte. Eiser heeft geen administratie bijgehouden van zijn verworven inkomsten, dan wel gewerkte uren. Onduidelijk is welke inkomsten aan hem toebehoren. Daarom is het recht op bijstand vanaf 7 november 2024 niet vast te stellen. Wegens verzwegen inkomsten dient de uitkering over de periodes van 1 mei 2023 tot en met 31 augustus 2023, 1 oktober 2023 tot en met 31 december 2023, februari 2024 en 1 april 2024 tot en met 31 september 2024 te worden ingetrokken wegens inkomsten boven de norm en over de maanden september 2023, januari 2024, maart 2024 en oktober 2024 te worden herzien wegens de hoogte van de ontvangen inkomsten. Uit een afzonderlijke rapportage volgt dat eisers als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting in totaal € 29.306,43 (gedeeltelijk) bruto ten onrechte aan bijstand hebben ontvangen. Dit bedrag dient van eisers te worden teruggevorderd. Er is geen reden af te zien van brutering, omdat het ontstaan van de vordering is te wijten aan eisers.
Het college heeft gelet op voornoemde resultaten het primaire besluit 2 genomen zoals vermeld onder het procesverloop.
Bezwaar
4. Eisers stellen zich in bezwaar – samengevat – op het standpunt dat de van Uber verkregen informatie als onrechtmatig verkregen bewijs moet worden aangemerkt en niet ten grondslag mag worden gelegd aan de besluiten. Door het college is niet aangetoond dat eisers € 29.306,43 te veel aan bijstand hebben ontvangen en per 7 november 2024 geen recht meer zouden hebben op bijstand. Eiser was in loondienst en had een zeer laag loon omdat alle boetes en kosten in verband met schade hierop werden gekort.
Hoorzitting
Op 26 mei 2025 heeft de hoorzitting plaatsgevonden. In het verslag van de hoorzitting is vermeld dat eiser erkent dat hij meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven aan het college. Het inkomen van eiser is echter lager dan waarvan het college uitgaat. Ook zijn er boetes en schade ingehouden op zijn loon. De eerste rit voor Uber was op 10 mei 2023 en daarom kan volgens eiser de uitkering niet al per 1 mei 2023 worden ingetrokken. Op de hoorzitting is afgesproken dat eiser voor 25 juni 2025 de loongegevens over de periode van mei 2023 tot en met oktober 2024 zal overleggen en dat het college deze zal beoordelen.
Eiser heeft op 25 juni 2025 toegelicht dat de fleetpartners niet meewerken en geen informatie verschaffen. Eiser stelt het teruggevorderde bedrag nooit te hebben ontvangen of verdiend. Op verzoek van het college is hij verplicht gaan werken als taxichauffeur. Het eerste bedrijf gaf hem geen loonstroken en betaalde onduidelijk. Daarna is hij overgestapt naar een andere werkgever. Ook daar was het lastig om loonstroken te krijgen. In oktober 2023 heeft hij een ongeluk gehad met schade en boetes, die hij moet terugbetalen. Ook moest hij € 450,- per maand aan autohuur betalen. De kosten liepen op en hij raakte uitgeput en depressief. Er is door het college alleen gekeken naar het bruto door Uber of de fleetpartners geregistreerde bedrag. Er is geen rekening gehouden met de maandelijkse autohuur, de kosten van brandstof en boetes en schades die hij moest afbetalen. Eisers hebben een door eiser opgesteld overzicht overgelegd waaruit dit volgens hen volgt.Advies van de commissie
De commissie van advies voor de bezwaarschriften heeft geadviseerd de besluiten in stand te laten. Door eisers wordt niet betwist dat de inlichtingenplicht is geschonden. Erkend is dat eiser ritten heeft gereden via het Uber platform. Volgens de commissie dienen de gevorderde Uber gegevens echter buiten beschouwing te blijven omdat er sprake is van een inbreuk op het privéleven van bezwaarden. Er is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs omdat het onderzoeksmiddel niet aan het vereiste van subsidiariteit voldoet. De gegevens hadden eerst bij eiser kunnen worden opgevraagd. Pas als dat niet toereikend zou zijn geweest hadden de stukken alsnog gevorderd kunnen worden van Uber. Dat eisers deze stukken achteraf gezien niet hadden kunnen leveren doet daar niet aan af.
De commissie is van oordeel dat gelet op de overgelegde onderzoeksresultaten er desalniettemin duidelijke aanwijzingen en bewijzen waren voor het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden in de periode in geding. Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt recht op (aanvullende) bijstand te hebben. De resterende onderzoeksresultaten bieden voldoende basis voor de besluiten. In geval van eiser is het volgende gebleken:- het niet melden van een eigen bedrijf;- het niet melden van de inschrijving in de KvK per 6 juli 2023;- dat eiser in loondienst werkt bij [bedrijf] (‘wit’ werk) voor twee uur per week;- dat eiser ook dag en nacht een (taxi)auto van de werkgever tot zijn beschikking heeft, waar hij naar eigen zeggen doelloos rondjes mee rijdt, terwijl hij weet dat dit niet mag en het gezin ook zelf een auto heeft;- de taxi op naam van de besloten vennootschap [naam] B.V. staat;- de autokosten hoog zijn blijkens de bankafschriften;- uit de bankafschriften blijkt dat het uitgavenpatroon niet consistent is en soms rond de Nibud-norm is en soms lager;- eisers geen afschriften van de creditcard, spaarrekening en bankrekening hebben verstrekt ondanks dat hierom verzocht is;- eiser geen administratie van gereden ritten, de ontvangsten hieruit en de op geld waardeerbare activiteiten heeft bijgehouden; - eiser in bezwaar heeft gemeld dat hij een Uber-account heeft, dat hij via Uberplatform en/of fleetpartners gewerkt heeft en dat hij daarbij schade heeft gemaakt en boetes heeft gekregen die op zijn loon worden ingehouden;- eiser geen loonstroken heeft kunnen verkrijgen;- eiser geen contract heeft met Uber en/of de fleetpartners.
Gelet hierop is volgens de commissie voldoende reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de verstrekte bijstand. Er is geen duidelijkheid over de gewerkte uren, het ontvangen van loon en daardoor of er recht bestaat op (aanvullende) bijstand. Er is sprake van schending van de inlichtingenplicht en ook van de medewerkingsplicht omdat de opgevraagde bankafschriften niet zijn overgelegd. Op basis van de door eiser overgelegde berekening kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, ook niet schattenderwijs. Het overzicht dat eisers hebben overgelegd is niet controleerbaar, maar ook ongeloofwaardig, omdat daarin negatieve bedragen worden genoemd. Met verwervingskosten zoals huurkosten en benzinekosten of aflossing van schulden wordt geen rekening gehouden. Het recht op bijstand kan dan ook volgens het college niet vastgesteld worden. De commissie houdt verder als intrekkingsdatum 1 mei 2023 aan. Het is aan eiser om te onderbouwen dat hij pas 10 mei 2023 zijn eerste rit reed. Dit heeft hij niet gedaan.
De commissie stelt verder vast dat de intrekking, herziening en terugvordering zijn ontstaan door toedoen van eisers doordat zij geen inlichtingen hebben verschaft. Dat eiser naar eigen zeggen geen of minder loon ontving en dit daarom niet zou hebben doorgegeven is geen reden om het eisers minder zwaar aan te rekenen. Er zijn verder geen redenen aangevoerd, onderbouwd of aanwezig waaruit blijkt dat de gevolgen dusdanig nadelig zijn voor eisers dat van terugvordering of brutering moet worden afgezien. De stelling dat hij uitgeput en depressief was en moest doorwerken om de schuld bij Uber of de fleetpartners af te lossen, ziet niet op de terugvordering. Ook hebben eisers dit niet verder onderbouwd. Verder zal bij de invordering rekening worden gehouden met de beslagvrije voet. Er is dan ook geen reden om af te zien van terugvordering of brutering, dan wel om deze te matigen.
Bestreden besluit
7. Het college heeft het advies van de commissie overgenomen in het bestreden besluit. Het college heeft onder verwijzing naar het advies de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten. Het verzoek om proceskostenveroordeling is afgewezen.
Het beroep
Standpunten van eisers
8.
Eisers stellen zich op het standpunt dat alles wat zij na confrontatie met de gegevens van Uber hebben verklaard tijdens het gesprek van 7 november 2024 en door en namens hen in de bezwaarprocedure is verklaard ‘fruit of the poisonous tree’ is. Deze informatie dient – net als de informatie verkregen van Uber – als onrechtmatig verkregen bewijs te worden aangemerkt en kan dan ook niet ten grondslag worden gelegd aan de intrekking, herziening en terugvordering van de bijstand.
Daarnaast stellen eisers dat er onvoldoende rechtmatige aanwijzingen en bewijzen zijn voor het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden in de periode in geding. Het college heeft niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat eisers geen recht hadden op bijstand.
Standpunten van het college
9. Volgens het college leiden de in het bestreden besluit naar voren gebrachte punten in onderlinge samenhang beschouwd tot de conclusie dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is namelijk niet duidelijk geworden wat de omvang is van eisers taxiwerkzaamheden. Na de hoorzitting zijn eisers in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat zij recht op aanvullende bijstand hebben. Daarin zijn zij niet geslaagd. Dat eiser geen objectiveerbare administratie en/of loonstroken heeft, is een factor die voor risico van eisers dient te komen. Het recht op bijstand is als gevolg hiervan niet vast te stellen.
Het oordeel van de rechtbank
10.
De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of het college de bijstandsuitkering van eisers terecht heeft herzien, ingetrokken en teruggevorderd in de periode van 1 mei 2023 tot en met 31 oktober 2024 en vanaf 7 november 2024.
Naar het oordeel van de rechtbank is het college hiertoe terecht overgegaan. Het college heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening, intrekking en terugvordering is voldaan.
Er is geen aanleiding voor het oordeel dat alles wat eiser heeft verklaard en de informatie die is verkregen nadat hij is geconfronteerd met de resultaten van het onderzoek bij Uber ‘fruit of the poisonous tree’ is. De nadien verkregen informatie is niet uitsluitend het vervolg op en is niet onlosmakelijk verweven met deze (onrechtmatig) verkregen informatie van Uber. Deze informatie staat voldoende op zichzelf. Daarbij is van belang dat door eiser voordat hij tijdens het gesprek op 7 november 2024 met de informatie van Uber werd geconfronteerd reeds heeft verklaard dat hij taxiwerk verricht en dagelijks over de taxi beschikt. Verder is van belang dat namens eisers in het bijzijn van eiser tijdens de hoorzitting op 26 mei 2025 is verklaard dat eiser heeft erkend dat hij meer uren heeft gewerkt dan hij heeft opgegeven, maar dat het inkomen lager is dan waar het college vanuit gaat. Ook heeft eiser tijdens de hoorzitting zelf verklaard dat hij zijn loon contant heeft ontvangen. Na de hoorzitting heeft eiser op 24 juni 2025 vervolgens een eigen overzicht gegeven met kosten en loon, foto’s met schade aan een auto en een verklaring over onder meer autohuur, wekelijkse kosten van brandstof en de reden van het doorwerken. Dat voornoemde verklaringen en informatie niet uit eigen beweging zouden zijn afgelegd en overgelegd, is de rechtbank niet gebleken. De verklaringen zijn ook niet nadien door eisers ingetrokken. Dit leidt ertoe dat deze informatie geen onrechtmatig verkregen bewijs betreft en dat het college deze gegevens aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de van de informatie van Uber losstaande onderzoeksresultaten het besluit van het college kunnen dragen. Uit de door en namens eiser afgelegde verklaringen en het door eisers ingediende overzicht volgt dat hij vanaf mei 2023 activiteiten als taxichauffeur heeft verricht. Ook volgt uit het onderzoek dat eiser per 6 juli 2023 in de Kamer van Koophandel staat ingeschreven met een eigen bedrijf met de naam “ [naam bedrijf] ” en dat hij dag en nacht een (taxi)auto tot zijn beschikking heeft. Uit de door eisers overgelegde bankafschriften volgt daarnaast dat eiser maandelijks heeft betaald voor het gebruik van de auto en dat zijn uitgavenpatroon niet consistent is.
Vaststaat dat eisers van de door eiser verrichte taxiwerkzaamheden niet uit eigen beweging melding hebben gemaakt bij het college. Zij hebben daarmee de op hun rustende inlichtingenverplichting geschonden.
Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige of aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Eisers hebben geen administratie overgelegd van de werkzaamheden van eiser als taxichauffeur. De omstandigheid dat de fleetpartners hieraan niet willen meewerken dient voor risico van eisers te komen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het verstrekken van loonstroken een wettelijke verplichting is (ex artikel 7:626 BW) en dat een werkgever ter zake een bewaarplicht heeft. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat eiser zijn eerste rit pas op 10 mei 2023 heeft gereden en daarom over de maand mei 2023 recht zouden hebben gehad op volledige of aanvullende bijstand, heeft hij geen gegevens overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken. Uit het door eisers ingediende overzicht blijkt enkel dat eiser in mei 2023 is begonnen met taxiwerkzaamheden. Verder stelt de rechtbank vast dat eisers ook niet alle opgevraagde informatie, zoals rekeningafschriften vanaf mei 2023, van een ING-bankrekening, spaarrekening en creditcard hebben overgelegd.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Er is voldaan aan de voorwaarden om tot intrekking en herziening van het recht op bijstand over te gaan in de periode in geding.
Zoals ter zitting is verklaard richten de gronden van eisers zich verder niet tegen de terugvordering en de (gedeeltelijke) brutering van de terugvordering. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van het teruggevorderde bedrag. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft overwogen dat er geen dringende redenen zijn om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien, omdat niet is gebleken dat eisers door de terugvordering onevenredig in hun belangen worden geschaad. Het college heeft een belangenafweging gemaakt en deze wordt als evenwichtig beoordeeld. Eisers hebben hun financiële positie ook niet geconcretiseerd, laat staan onderbouwd. De vordering is niet onnodig opgelopen en bij de terugvordering zal de beslagvrije voet worden toegepast.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt vernietigd. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van Beek, voorzitter, en mr. L.M. de Vries en mr. I.S. Burggraaff, leden, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.