RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/376188 / HA RK 26-57
Beschikking van 26 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: M. Weelen,
tegen
[verweerder] ,
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. D.W. Giltay Veth.
1. De procedure
De rechtbank heeft op 13 juli 2026 een eindbeschikking gegeven in de zaak tussen partijen.
Bij e-mail van 28 juli 2026 heeft [verzoeker] verzocht om verbetering van de beschikking van 13 juli 2026. Volgens [verzoeker] is het griffierecht niet tijdig door [verweerder] betaald waardoor de conclusie van antwoord, het aanvullende verweerschrift en de daarbij behorende producties van [verweerder] bij de behandeling van de zaak buiten beschouwing hadden moeten blijven. [verzoeker] wijst er op dat in de proceskostenveroordeling daarom slechts rekening moet worden gehouden met één procespunt aan advocaatkosten. [verzoeker] stelt daarnaast dat de rechtbank rekening heeft gehouden met een onjuist griffierechttarief. Er had rekening moeten worden gehouden met een bedrag van € 341,- in plaats van het in de beschikking opgenomen bedrag van € 735,-. [verzoeker] verzoekt de rechtbank de beschikking op deze punten te verbeteren.
Per e-mail van 20 augustus 2026 heeft mr. Giltay Veth namens [verweerder] aan de rechtbank laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.
2. De beoordeling
Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct, ook voor derden, duidelijk is dat sprake is van een vergissing. Daarvan is in dit geval alleen sprake voor wat betreft het in de beschikking genoemde tarief aan griffierecht.
In de beschikking van 13 juli 2026 is opgenomen dat een bedrag van € 735,- aan griffierecht van [verweerder] is geheven. Dat is onjuist. Van [verweerder] is, omdat het een eenmanszaak is, een griffierecht van € 341,- geheven. Dit bedrag is ook door [verweerder] betaald. De rechtbank is van oordeel dat de beschikking van 13 juli 2026 op dit punt een kennelijke fout bevat en om die reden moet worden aangepast.
De overige punten van [verzoeker] betreffen geen kennelijke fouten die zich voor eenvoudig herstel lenen, maar betreffen inhoudelijk oordelen. Er is geen sprake van een fout die voor partijen en derden kenbaar en op het eerste gezicht duidelijk is. De omstandigheid dat het griffierecht, volgens [verzoeker] , niet tijdig zou zijn betaald, blijkt niet uit de beschikking van 13 juli 2026. Indien [verzoeker] het niet eens is met het oordeel en de overwegingen van de rechtbank, kan hij dat in een eventueel in te stellen rechtsmiddel aan de orde stellen. Daarvoor biedt artikel 31 Rv geen ruimte.
De rechtbank zal het verzoek tot verbetering van de beschikking deels toewijzen. De rechtbank zal de beschikking dan ook aanpassen als volgt.
3. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat nr. 4.21 van de op 13 juli 2026 tussen partijen gegeven beschikking waar staat
“€ 735,-” en “€ 2.230,-” en “€ 583,-”
wordt gewijzigd in
“€ 341,-” en “€ 1.836,-” en “€ 189,-”
bepaalt dat nr. 5.2 van de op 13 juli 2026 tussen partijen gegeven beschikking waar staat
“€ 2.230,-” en “€ 583,-”
wordt gewijzigd in
“ € 1.836,-” en “ € 189,-”
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 26 augustus 2026 wordt vermeld op de minuut van de beschikking van 13 juli 2026,
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van de beschikking van 13 juli 2026 na ontvangst van deze herstelbeschikking aan de griffie van de rechtbank te retourneren.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.