RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: C/15/376218 / HA RK 26-65
Beschikking van 26 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: E. Donkersloot,
tegen
TUINMEUBELWERELD B.V., T.H.O.D.N. KERSTLAND.NL,
te Oud-Beijerland,
verwerende partij,
hierna te noemen: Tuinmeubelwereld,
advocaat: mr. M.J. de Vries.
1. De procedure
De rechtbank heeft op 13 juli 2026 een eindbeschikking gegeven in de zaak tussen partijen.
Bij e-mail van 4 augustus 2026 heeft [verzoeker] verzocht om verbetering van de beschikking van 13 juli 2026. Volgens [verzoeker] ontbreekt de grondslag voor toewijzing van € 9.181,49 aan werkelijke advocaatkosten. Ook het niet tijdig betaalde griffierecht van € 735,- kan naar mening van [verzoeker] niet op hem worden afgewenteld. Daarnaast is [verzoeker] van mening dat de proceskostenveroordeling te hoog is, omdat deze deels uit btw bestaat.
Per e-mail van 13 augustus 2026 heeft mr. N. Mantchev namens Tuinmeubelwereld aan de rechtbank laten weten zich te verzetten tegen toewijzing van het verzoek.
Op de berichten die partijen vervolgens aan de rechtbank hebben gestuurd, heeft de rechtbank geen acht geslagen.
2. De beoordeling
Op grond van artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verbetert de rechter te allen tijde, op verzoek van een partij of ambtshalve, in zijn vonnis een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Dit is het geval als het gaat om duidelijke verschrijvingen of fouten waarvan direct, ook voor derden, duidelijk is dat sprake is van een vergissing. Daarvan is in dit geval geen sprake.
[verzoeker] verzoekt om een inhoudelijke aanpassing van de beschikking voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, en – zo begrijpt de rechtbank – om het alsnog buiten beschouwing laten van de daaraan ten grondslag liggende stukken van Tuinmeubelwereld, alsmede aanpassing van het dictum op het punt van de proceskostenveroordeling. Dit betreft geen kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, maar een inhoudelijk oordeel en beslissing. Geen sprake is van een fout die voor partijen en derden kenbaar en op het eerste gezicht duidelijk is. De omstandigheid dat het griffierecht, volgens [verzoeker] , niet tijdig zou zijn betaald, blijkt ook niet uit de beschikking van 13 juli 2026. Indien [verzoeker] het niet eens is met het oordeel en de overwegingen van de rechtbank, kan hij dat in een eventueel in te stellen rechtsmiddel aan de orde stellen. Daarvoor biedt artikel 31 Rv geen ruimte.
De rechtbank zal het verzoek tot verbetering van de beschikking afwijzen.
3. De beslissing
De rechtbank
wijst af het verzoek om verbetering van de op 13 juli 2026 tussen partijen gewezen beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.