ECLI:NL:RBNHO:2026:11564

ECLI:NL:RBNHO:2026:11564

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 02-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer C/15/380737 / KG ZA 26-458
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

De voorzieningenrechter wijst de vordering van eiser sub 1 tot het opleggen van lijfsdwang als sanctie op de eerder opgelegde ge- en verboden af. Ook de vordering tot verhoging van de dwangsommen wordt afgewezen, omdat het maximum aan dwangsommen (nog) niet is verbeurd. De vordering tot het doen van uitlatingen die schadelijk zijn voor de eer en goede naam van eiser sub 2, dan wel uitlatingen te doen die betrekking hebben op het privéleven van eiser sub 2, wordt toegewezen, op straffe van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/380737 / KG ZA 26-458

Vonnis in kort geding van 2 september 2026

in de zaak van

1. de stichting [eiseres sub 1],

te Zeist,

hierna te noemen: [eiseres sub 1] ,2. [eiseres sub 2],

te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [eiseres sub 2] ,

eisende partijen,

advocaten: mr. D. Andringa en mr. S.L.D. van den Brink,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties van 3 augustus 2026,- de aanvullende producties van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ,- het verweerschrift met producties van [gedaagde] ,- de aanvullende producties van [gedaagde] ,

- het aanvullend verweerschrift van [gedaagde] ,- de mondelinge behandeling van 19 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ,- de pleitnota van [gedaagde] .

2. De uitgangspunten

[eiseres sub 1] is een onderwijsstichting met negen basisscholen. [eiseres sub 2] is bestuurder van [eiseres sub 1] .

In de periode van 14 augustus 2023 tot 4 november 2023 had [gedaagde] als interim directeur de leiding over één van de onder [eiseres sub 1] vallende basisscholen. [eiseres sub 1] heeft de overeenkomst van opdracht met [gedaagde] op 4 november 2023 beëindigd.

Na de beëindiging van de overeenkomst heeft [gedaagde] veelvuldig berichten gestuurd aan mensen binnen en buiten de organisatie over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] . [eiseres sub 1] heeft daarom een beroep gedaan op het tussen partijen geldende geheimhoudingsbeding. De kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis van 3 juli 2024 [gedaagde] de volgende geboden en verboden opgelegd, een en ander op straffe van een dwangsom:

“4.5. gebiedt [gedaagde] om tegenover derden (waaronder wordt verstaan: alle natuurlijke personen en rechtspersonen die geen (leden van een) bestuurlijk en/of toezichthoudend orgaan zijn van [eiseres sub 1] strikte geheimhouding te betrachten ter zake van alle informatie waarvan hij uit hoofde van zijn opdracht bij [eiseres sub 1] kennis heeft genomen of heeft kunnen nemen, voor zover het gaat om organisatieaangelegenheden, waarvan hij weet of behoort te weten dat deze geheim of vertrouwelijk zijn en verbiedt [gedaagde] om dergelijke informatie in zijn contacten met derden te gebruiken;

verbiedt [gedaagde] om, behoudens een uitdrukkelijk andersluidend verzoek van of

namens [eiseres sub 1] , (organen van) [eiseres sub 1] in woord of(elektronisch) geschrift te

benaderen, voor zover het gaat over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] in de ruimste

zin van het woord;

verbiedt [gedaagde] om, al dan niet op zijn initiatief, contact te hebben met individuele

medewerkers respectievelijk opdrachtnemers van [eiseres sub 1] , voor zover het gaat over

organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] in de ruimste zin van het woord;

verbiedt [gedaagde] om, al dan niet op zijn initiatief, contact te hebben met derden

(waaronder wordt verstaan: alle natuurlijke personen en rechtspersonen die niet behoren tot

de hiervoor onder 4.5 tot en met 4.7 genoemde categorieën) over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] in de ruimste zin van het woord;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres sub 1] van een dwangsom van € 5.000

voor iedere overtreding van het onder 4.5 tot en met 4.8 bepaalde, tot een maximum van

€ 50.000;”

Ondanks de aan [gedaagde] opgelegde ge- en verboden, heeft [gedaagde] zich veelvuldig uitgelaten over de organisatie van [eiseres sub 1] . Bij vonnis van 25 februari 2025 van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland is vastgesteld dat [gedaagde] het vonnis van 3 juli 2024 meermaals had overtreden en daarmee het maximum van € 50.000,00 aan dwangsommen had verbeurd. De kantonrechter heeft vervolgens de dwangsommen verhoogd naar € 10.000,- per overtreding met opnieuw een maximum van € 50.000,00 (in totaal € 100.000,00).

Bij vonnis van 8 mei 2026 heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland opnieuw bepaald dat [gedaagde] het (verhoogde) maximum aan dwangsommen had verbeurd. De kantonrechter heeft vervolgens de dwangsommen opnieuw verhoogd naar € 10.000,00 per overtreding met opnieuw een maximum van € 50.000,00. Het totale maximum bedraagt sindsdien € 150.000,00.

[gedaagde] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 juli 2024. De verwachting is dat er op 27 oktober 2026 uitspraak wordt gedaan.

3. Het geschil

De vorderingen van [eiseres sub 1]

Omdat [gedaagde] zich opnieuw meermaals heeft uitgelaten over [eiseres sub 1] vordert [eiseres sub 1] -samengevat en na eiswijziging– om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voorshands te oordelen dat [gedaagde] ten aanzien van het vonnis van 3 juli 2024 het (bij vonnis van 8 mei 2026 verhoogde) maximum aan verbeurde dwangsommen heeft bereikt, en te bepalen dat de veroordelingen onder 4.5. tot en met 4.8. van het vonnis van 3 juli 2024, primair, ten uitvoer bij lijfsdwang worden bepaald, dan wel subsidiair op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding, tot een maximum van € 350.000,00 wordt bereikt, ofwel het maximum aan te verbeuren dwangsommen te verhogen tot € 500.000,00.

De vorderingen van [eiseres sub 2]

Omdat de uitlatingen van [gedaagde] ook gericht zijn op de bestuurder van [eiseres sub 1] persoonlijk, te weten [eiseres sub 2] , vordert zij -samengevat- [gedaagde] te verbieden om op enigerlei uitlatingen te doen die schadelijk kunnen zijn voor de eer en goede naam van [eiseres sub 2] , dan wel uitlatingen te doen die betrekking hebben op het privéleven van [eiseres sub 2] , waarbij ieder bericht als aparte overtreding geldt, en te bepalen dat deze veroordeling, primair, ten uitvoer bij lijfsdwang wordt bepaald, dan wel subsidiair op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per overtreding, tot een maximum van € 500.000,00 wordt bereikt.

[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gezamenlijk

[eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] vorderen gezamenlijk dat [gedaagde] in de proceskosten van dit geding wordt veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente.

Standpunt van [gedaagde]

voert verweer tegen alle tegen hem ingediende vorderingen, en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] , met veroordeling van hen in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Spoedeisend belang

Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

Volgens [gedaagde] is er geen sprake van een spoedeisend belang, omdat het Gerechtshof op 18 augustus 2026 uitspraak zal doen in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van 3 juli 2024. Omdat ter zitting bekend is geworden dat de uitspraak van het Gerechtshof inmiddels is uitgesteld tot 27 oktober 2026, en [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] stellen dat [gedaagde] recent nog berichten heeft verstuurd die in strijd zijn met de aan hem opgelegde ge- en verboden en die de eer en goede naam van [eiseres sub 2] aantasten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat daarmee het spoedeisend belang van de vorderingen is gegeven. De zaak leent zich bovendien voor een behandeling in kort geding.

Het beoordelingskader ten aanzien van de vorderingen van [eiseres sub 1]

De voorzieningenrechter moet beoordelen of de voorwaarden zijn vervuld waaronder de dwangsom verschuldigd is. De voorzieningenrechter moet daarbij de handelingen en uitlatingen van [gedaagde] , die volgens [eiseres sub 1] een overtreding vormen van de in het vonnis van 3 juli 2024 neergelegde ge- en verboden, toetsen aan de inhoud van de veroordelingen. Bij die beoordeling is het niet aan de voorzieningenrechter om te beoordelen of de kantonrechter de verschillende ge- en verboden terecht heeft opgelegd. Voor zover [gedaagde] zich dus beroept op zijn status als klokkenluider en zijn vrijheid van meningsuiting kan de voorzieningenrechter daar in dit kort geding niet in mee gaan. Dit betreft immers een inhoudelijk verweer tegen de reeds aan [gedaagde] opgelegde veroordelingen en het is aan het Gerechtshof om daarover in de hoger beroepsprocedure te oordelen. De voorzieningenrechter moet in dit kort geding uitgaan van de in het vonnis van 3 juli 2024 opgelegde ge- en verboden.

De voorzieningenrechter zal hierna per gestelde uitlating beoordelen of [gedaagde] daarmee een opgelegd ge- of verbod heeft overtreden en dus een dwangsom heeft verbeurd.

Het LinkedIn bericht van juni 2026

Volgens [eiseres sub 1] heeft [gedaagde] in juni 2026 een LinkedIn bericht gepubliceerd waarin hij uitlatingen doet over personeelsbeslissingen binnen de organisatie van [eiseres sub 1] .

[gedaagde] schrijft in zijn bericht onder andere:

“ [intern begeleider] ; intern begeleider met S[B]O-expertise en orthopedagoog. Wordt momenteel ontslagen door haar werkgever.”

Volgens [eiseres sub 1] verwijst [gedaagde] hier naar een werknemer van [eiseres sub 1] , te weten [intern begeleider] , ofwel [intern begeleider] . [gedaagde] stelt dat het aangehaalde bericht niet gaat over een oud medewerker van [eiseres sub 1] , maar dat dit ziet op een andere [werknemer] .

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld dat dit bericht van [gedaagde] ziet op een (oud) medewerker van [eiseres sub 1] . De voorzieningenrechter constateert dat het bericht van [gedaagde] gaat over het in zijn visie niet aanwezige lerarentekort of schoolleiderstekort. Vervolgens somt [gedaagde] een aantal voorbeelden op, waarbij hij alleen de voornaam van de desbetreffende personen noemt, en licht hij een en ander toe. Vervolgens sluit hij af met een afbeelding van een krantenartikel met de kop “Onrust bij ….. leidt tot gang naar de rechter.” Volgens [eiseres sub 1] is het evident dat het krantenartikel ziet op een school van [eiseres sub 1] , en daarmee dat het bericht over [intern begeleider] ook ziet op een medewerker van [eiseres sub 1] . Dit volgt de voorzieningenrechter niet. De naam van de school is in het bericht van [gedaagde] weliswaar uit de krantenkop verwijderd, maar uit de stukken blijkt (en [gedaagde] betwist dit ook niet) dat dit artikel ziet op een school van [eiseres sub 1] . Daarmee is echter niet gezegd dat de eerdere vermelding van [gedaagde] van ene [intern begeleider] betrekking heeft op een (oud) medewerker van [eiseres sub 1] . Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft [eiseres sub 1] daarvoor onvoldoende gesteld. Zonder nader onderzoek, waarvoor in dit kort geding geen plaats is, kan dan ook niet worden vastgesteld of [gedaagde] met de plaatsing van dit bericht één van de verboden uit het vonnis van 3 juli 2024 heeft overtreden.

De e-mail van [intern begeleider] d.d. 19 juni 2026

[eiseres sub 1] heeft een e-mailbericht van een oud-medewerker van [eiseres sub 1] , [intern begeleider] , overgelegd. Het gaat om een e-mail van 19 juni 2026 waarin zij – onder andere - stelt dat zij wordt lastiggevallen door [gedaagde] . [gedaagde] mag ingevolge rechtsoverweging 4.7. van het vonnis van 3 juli 2024 geen contact hebben met individuele medewerkers van [eiseres sub 1] , voor zover het gaat om organisatieaangelegenheden in de ruimste zin van het woord. Volgens [eiseres sub 1] kan het niet anders dan dat dit contact tussen [gedaagde] en [intern begeleider] is gegaan over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] . Daarmee heeft [gedaagde] hiermee één van de opgelegde verboden overtreden, aldus [eiseres sub 1] . [gedaagde] heeft ter zitting betwist dat hij contact heeft met [intern begeleider] . Daarbij wijst hij op een e-mail van [intern begeleider] waarin zij stelt dat de e-mail van 19 juni 2026 niet van haar afkomstig is. Bovendien heeft hij geen contact met [intern begeleider] over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] , aldus [gedaagde] .

De voorzieningenrechter stelt vast dat hij uit de overgelegde stukken niet kan afleiden of [gedaagde] contact heeft gehad met [intern begeleider] over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] . Allereerst bestaat er onduidelijkheid over of de e-mail van 19 juni 2026 door [intern begeleider] is gestuurd. Maar zelfs als de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de e-mail afkomstig is van [intern begeleider] , dan blijkt daaruit enkel dat zij schrijft dat zij wordt lastiggevallen door [gedaagde] . Waaruit die vermeende overlast bestaat, blijkt niet. Uit de e-mail kan dus niet worden afgeleid dat [gedaagde] contact met haar heeft gehad over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] . [eiseres sub 1] heeft dan ook onvoldoende gesteld om aan te nemen dat [gedaagde] op dit punt één van de aan hem opgelegde verboden heeft overtreden.

De e-mail berichten van 23 juni 2026, 25 juni 2026 en 28 juni 2026 aan Hendrikx Advocaten

De advocaten van [eiseres sub 1] , Hendrikx Advocaten, zijn opdrachtnemers van [eiseres sub 1] , zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.7. van het vonnis van 3 juli 2024. In het vonnis van 25 februari 2025 heeft de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland nader uitgelegd dat niet ieder contact van [gedaagde] met Hendrikx advocaten een overtreding van het verbod oplevert. In grote lijnen gaat het erom of er sprake is van gewone communicatie over het tegen het vonnis van 3 juli 2024 door [gedaagde] ingestelde hoger beroep, of dat [gedaagde] met zijn berichten uitlatingen doet over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] en zijn meningen daarover, hetgeen verder gaat dan gewone communicatie over de lopende procedure. In een soortgelijke procedure waarbij [gedaagde] partij is, is op 5 juni 2025 door de rechtbank Rotterdam bepaald dat de term organisatieaangelegenheid in ieder geval niet zo ruim kan worden uitgelegd dat daaronder alles valt wat ook maar enigszins met de desbetreffende stichting te maken heeft. Het is immers wezenlijk dat aan degene die een ge- of verbod op straffe van een dwangsom is opgelegd voldoende duidelijk is welk gedrag ge- of verboden is. De voorzieningenrechter volgt die uitleg en zal de berichten van [gedaagde] aan het advocatenkantoor tegen die achtergrond beoordelen.

E-mail van 23 juni 2026

In de e-mail van 23 juni 2026 aan Hendrikx Advocaten schrijft [gedaagde] onder andere:

“Daarnaast hebben zich relevante ontwikkelingen voorgedaan die haaks staan op uitlatingen in de appél-zitting op 2 juni 2026. Zo is sprake van een scheiding van de bestuurder (professioneel en persoonlijk). Haar huis staat letterlijk te koop.”

Daarnaast verwijst [gedaagde] naar een nieuwsartikel over basisschool [basisschool] , die onder [eiseres sub 1] valt, en over de onrust die daar zou heersen. [gedaagde] stelt dat de e-mail ziet op de meest recente ontwikkelingen in lopende procedures, waaronder een procedure bij de rechtbank Arnhem over de executoriale verkoop van zijn vakantiewoning. Hij acht het van belang dat hij Hendrikx Advocaten daarover informeert. Ook heeft [gedaagde] [eiseres sub 1] willen informeren over het feit dat als een bestuurder in echtscheiding ligt, er geen sprake is van een stabiele situatie, en dat dit lastig samengaat als je verantwoordelijk bent voor meerdere scholen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [gedaagde] met de verzending van dit e-mailbericht aan Hendrikx Advocaten het aan hem opgelegde verbod onder rechtsoverweging 4.7. van het vonnis van 3 juli 2024 heeft overtreden. Ondanks dat [gedaagde] wordt bijgestaan door een advocaat in de lopende procedure bij het Gerechtshof, heeft hij toch gecommuniceerd met Hendrikx Advocaten over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] . Het bespreken van een privésituatie van een bestuurder van [eiseres sub 1] houdt geen verband met de lopende hoger beroepsprocedure. Bovendien staat de zaak bij het Gerechtshof al voor arrest, zodat daarover geen communicatie tussen partijen meer nodig is. Met het sturen van deze e-mail heeft [gedaagde] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dus een dwangsom van € 10.000,00 verbeurd.

E-mail van 25 juni 2026

Op 25 juni 2026 heeft [gedaagde] opnieuw een e-mail aan Hendrikx Advocaten gestuurd. Hierin schrijft hij onder meer het volgende:

“Wel vind ik dat er een deugdelijke bestuurder moest komen en helaas kwam deze niet. De koerswijziging van de vorige bestuurder is wel door mij in de lokale krant gekomen, omdat het ook echt nieuws was en in mijn optiek zelfs positief nieuws.”

[eiseres sub 1] stelt dat [gedaagde] hiermee de aan hem onder rechtsoverwegingen 4.7. en 4.8. opgelegde verboden overtreedt. De inhoud van de e-mail heeft immers niets te maken met een lopende procedure tussen [gedaagde] en [eiseres sub 1] , maar vormt een sneer richting de bestuurder van [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] . [gedaagde] voert aan dat hij met deze e-mail de suggestie wilde wegnemen dat hij contact onderhield met journalisten.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de hiervoor aangehaalde passage uit het e-mail bericht van 25 juni 2026 in samenhang met de overige inhoud van de e-mail en de door [gedaagde] geschetste context niet worden gezien als een uitlating over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] . In de e-mail gaat [gedaagde] in op enkele in de media verschenen artikelen over [eiseres sub 1] en de suggestie van [eiseres sub 1] dat hij daarin een rol heeft gespeeld. Het staat [gedaagde] vrij een dergelijk bericht aan de advocaten van [eiseres sub 1] te sturen, zonder enig opgelegd verbod te overtreden. Dat hij daarbij ook iets heeft gezegd over de inhoud van een van de verschenen krantenberichten, zoals hiervoor is geciteerd, ziet de voorzieningenrechter in de geschetste omstandigheden niet als een uitlating over een organisatieaangelegenheid van [eiseres sub 1] die onder één van de opgelegde verboden valt. Van een overtreding van het vonnis van 3 juli 2024 is dan ook geen sprake.

E-mail van 28 juni 2026

Vervolgens heeft [gedaagde] op 28 juni 2026 opnieuw een e-mail bericht aan Hendrikx Advocaten gestuurd, met daarin twee nieuwsartikelen uit oktober en november 2023 die betrekking hebben op de [naam school] . Deze school valt onder [eiseres sub 1] en was de school waar [gedaagde] enige tijd als interim directeur werkzaam is geweest. Omdat de inhoud van deze e-mail geen verband houdt met een tussen partijen lopende procedure, maar ziet op organisatieaangelegenheden, overtreedt [gedaagde] volgens [eiseres sub 1] hiermee de aan hem onder rechtsoverwegingen 4.7. en 4.8. van het vonnis van 3 juli 2024 opgelegde verboden.

De voorzieningenrechter volgt dit standpunt niet. In het e-mailbericht heeft [gedaagde] alleen de twee nieuwsartikelen toegevoegd, zonder toelichting daarop of zijn mening daarover te uiten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het te vergaand om de inhoud van deze e-mail als overtreding van één van de aan [gedaagde] opgelegde verboden aan te merken. Aan [gedaagde] is immers geen algeheel contactverbod opgelegd. De strekking van de opgelegde ge- en verboden is dat [gedaagde] het geheimhoudingsbeding in de overeenkomst van de opdracht niet zal schenden en zich niet zal uitlaten over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] . Het enkel doorsturen van een door de pers geschreven bericht valt daar niet onder. Van een overtreding van het vonnis van 3 juli 2024 is daarom geen sprake.

De LinkedIn berichten aan [ex-partner] en [naam 1]

Op 16 juli 2026 heeft [gedaagde] een privébericht aan [ex-partner] gestuurd. [ex-partner] is de ex-partner van [eiseres sub 2] . [gedaagde] schrijft in dit bericht:

“Ik hoop dat het goed met je gaat, want ik had iemand als [eiseres sub 2] nooit tegen willen komen. Nog steeds heb ik last van die vrouw en ze heeft nu een zwaar conflict met iemand. Ze had ruzie met bijna elke directeur, dus het verbaast mij niets.

En wellicht kan ik je een beetje helpen, want ik begreep dat jullie in scheiding liggen. Wees er maar blij om. Met haar kan geen mens leven.”

Volgens [eiseres sub 1] overtreedt [gedaagde] hiermee rechtsoverweging 4.8. van het vonnis van 3 juli 2024. [gedaagde] heeft immers contact gezocht met de ex-partner van [eiseres sub 2] en daarbij uitlatingen gedaan over haar functioneren binnen de organisatie. Volgens [gedaagde] betreft deze passage slechts een klein gedeelte van het gehele gesprek dat hij met [ex-partner] heeft gevoerd en zou zij blij zijn geweest met het contact. Bovendien voert [gedaagde] aan dat hij zich tegen haar nimmer over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] heeft uitgelaten.

Op 16 juli 2026 stuurt [gedaagde] ook een privébericht aan [naam 1] , de ex-partner van [ex-partner] . In dit bericht schrijft [gedaagde] :

“Ken jij [eiseres sub 2] ? Ik ken haar vanaf 2023 en had haar liever niet leren kennen.”

Volgens [eiseres sub 1] blijkt uit de inhoud van dit bericht dat [gedaagde] alleen contact met [naam 1] opneemt om [eiseres sub 1] , althans [eiseres sub 2] , een hak te zetten. Het bericht ziet immers specifiek op de periode waarin [gedaagde] werkzaam is geweest voor [eiseres sub 1] . Volgens [gedaagde] heeft [naam 1] het contact als prettig ervaren en is er in het gesprek niet over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] gesproken. Van een overtreding van een verbod kan volgens hem dan ook geen sprake zijn.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] met de hiervoor genoemde berichten aan [ex-partner] en [naam 1] één van de aan hem opgelegde verboden heeft overtreden. De berichten zijn immers gericht op [eiseres sub 2] persoonlijk en niet op de organisatie van [eiseres sub 1] . Van uitlatingen over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] kan om die reden niet worden gesproken. Met het sturen van deze berichten heeft [gedaagde] dus geen dwangsommen verbeurd.

Het e-mailbericht aan [voormalig bestuurder]

Op 27 juli 2026 heeft [gedaagde] een e-mail gestuurd aan een voormalig bestuurder van [eiseres sub 1] , [voormalig bestuurder] . Daarin schrijft [gedaagde] onder meer het volgende:

“Ik vind je wel best dom en stom.

Ik heb je ook geadviseerd om 1 rotte appel te verwijderen en dat was [eiseres sub 2] , maar ik heb haar naam nooit genoemd. Grappig genoeg heb ik nu met [eiseres sub 2] te maken als opponent terwijl ze net in een vechtscheiding met haar vrouw blijkt te zitten. Ik wist niet eens dat ze een vrouw had. Het boeit mij niet wat iemand in haar of zijn vrije tijd doet. Ook niet toen de zoon van [naam 2] vertelde dat je een SM-fetish in Utrecht hebt. Het boeit mij niet tenzij iemand dit SM-gedrag op de werkvloer vertoont. Helaas deed je dat te vaak (…)

Het boek over [eiseres sub 1] komt er natuurlijk ook aan en jouw persoon (zonder naam) mag daar natuurlijk niet in ontbreken. [eiseres sub 1] is een soort soap of thriller geworden en de afloop is ongewis. Via mijn beste vriend [naam 3] hoor ik zulke bizarre taferelen dat ik het bijna niet meer kan geloven. [eiseres sub 2] met 5 interim directeuren en schorsingen en ontslagen. Dat laatste lezen we dan weer allemaal in de krant met foto van [eiseres sub 2] zelf. Het zal vast nog een vervolg krijgen.”

Volgens [eiseres sub 1] betreft dit bericht een overtreding van rechtsoverweging 4.5. dan wel rechtsoverweging 4.8. van het vonnis van 3 juli 2024. [voormalig bestuurder] is geen lid meer van een bestuurlijk - of toezichthoudend orgaan van [eiseres sub 1] , maar de inhoud van het bericht ziet wel op organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] , met name uit de periode waarin [voormalig bestuurder] werkzaam was voor [eiseres sub 1] . [gedaagde] voert aan dat [voormalig bestuurder] al sinds november 2024 bij [eiseres sub 1] uit dienst is getreden, zodat de link met [eiseres sub 1] op dit moment ontbreekt. Bovendien is de inhoud van het bericht allemaal openbaar en niets nieuws.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter laat [gedaagde] zich in dit bericht tegenover een derde uit over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] . Hij geeft een kwalificatie aan het gedrag van [voormalig bestuurder] in de periode dat deze nog als bestuurder werkzaam was bij [eiseres sub 1] , en laat zich ook uit over recentere gebeurtenissen rondom de huidige bestuurder [eiseres sub 2] . [gedaagde] beschrijft daarbij wat er volgens hem op de werkvloer mis is gegaan en welke “taferelen” er nog meer hebben plaatsgevonden. [gedaagde] heeft met dit bericht het verbod dat is opgelegd onder 4.8. van het vonnis van 3 juli 2024 overtreden en dus een dwangsom van € 10.000,00 verbeurd.

De overige berichten van [gedaagde]

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres sub 1] gesteld dat [gedaagde] ook na het uitbrengen van de dagvaarding meerdere berichten heeft verstuurd die een overtreding van de opgelegde ge- en verboden opleveren. [eiseres sub 1] verwijst daarvoor naar de door haar overgelegde producties 21, 22, 23, 25, 26, 27, 28, 32 en 33. [eiseres sub 1] volstaat met de stelling dat daaruit blijkt dat [gedaagde] met verscheidene personen contact zoekt over organisatieaangelegenheden van [eiseres sub 1] , zonder daarbij concreet aan te geven welke delen of zinsneden precies maken dat [gedaagde] de ge- en verboden zou hebben overtreden. Dat mocht wel van [eiseres sub 1] worden verwacht. Het is immers de taak van [eiseres sub 1] om de voorzieningenrechter (en [gedaagde] als gedaagde die zich daartegen moet kunnen verweren) duidelijk te maken op welke feiten en omstandigheden die uit de documenten blijken zij een beroep doet in het kader van haar vorderingen. Het is niet aan de voorzieningenrechter om zelf in de overgelegde producties te speuren naar mogelijke overtredingen en hij zal dat ook niet doen.

Conclusie ten aanzien van de vorderingen van [eiseres sub 1]

Op basis van het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat [gedaagde] de aan hem opgelegde ge- en verboden sinds het vonnis van 8 mei 2026 tweemaal heeft overtreden. Hij heeft daarmee een dwangsom van € 20.000,00 verbeurd. Omdat het maximum van € 50.000,00 aan verbeurde dwangsommen daarmee niet is bereikt, zal de vordering onder I worden afgewezen.

Afwijzing vordering tot opleggen lijfsdwang en afwijzing verhoging dwangsommen

[eiseres sub 1] stelt zich op het standpunt dat ook als de voorzieningenrechter oordeelt dat het maximum aan dwangsommen niet is bereikt, lijfsdwang als sanctie op overtreding van de opgelegde ge- en verboden moet worden gesteld. [eiseres sub 1] legt daaraan ten grondslag dat [gedaagde] zich blijft uitlaten over [eiseres sub 1] en dat hij een dwangsom niet als prikkel tot naleving van de opgelegde ge- en verboden ziet. [gedaagde] heeft hiertegen verweer gevoerd en acht de sanctie van lijfsdwang te vergaand.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient lijfsdwang als sanctie zeer terughoudend te worden toegepast. Dit kan slechts worden opgelegd als ultimum remedium, dit betekent dat voldoende aannemelijk dient te zijn dat geen enkele andere, minder rigoureuze, prikkel tot nakoming effect heeft en het belang van [eiseres sub 1] toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. Omdat [gedaagde] het bij vonnis van 8 mei 2026 opgelegde maximum aan dwangsommen nog niet heeft bereikt ziet de voorzieningenrechter (nog) geen aanleiding om daartoe over te gaan. De primaire vordering tot toepassing van lijfsdwang zal daarom worden afgewezen. Ook de subsidiaire vordering tot verhoging van de dwangsommen zal -omdat de maximale dwangsom nog niet is verbeurd- worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de dwangsommen op dit moment te verhogen.

De vorderingen van [eiseres sub 2]

stelt dat [gedaagde] met zijn meest recente uitlatingen een ernstige inbreuk maakt op haar persoonlijke levenssfeer. Deze uitlatingen dienen volgens [eiseres sub 2] geen ander doel dat haar te schaden. Bovendien is de handelswijze van [gedaagde] intimiderend en dreigend. [gedaagde] lijkt immers steeds meer informatie over het privéleven van [eiseres sub 2] te achterhalen en gebruikt deze informatie vervolgens om zich tegenover derden grievend over haar uit te laten. [eiseres sub 2] verwijst hierbij onder andere naar de hiervoor aangehaalde:

- e-mail van 23 juni 2026 aan Hendrikx advocaten, waarin [gedaagde] het volgende schrijft:

“Zo is sprake van een scheiding van de bestuurder (professioneel en persoonlijk). Haar huis staat letterlijk te koop.”

- het LinkedIn bericht aan [ex-partner] , waarin [gedaagde] schrijft:

“En wellicht kan ik je een beetje helpen, want ik begreep dat jullie in scheiding liggen. Wees er maar blij om. Met haar kan geen mens leven.”

- de e-mail van [gedaagde] aan [voormalig bestuurder] , waarin hij schrijft:

“Ik heb je ook geadviseerd om 1 rotte appel te verwijderen en dat was [eiseres sub 2] , maar ik heb haar naam nooit genoemd. Grappig genoeg heb ik nu met [eiseres sub 2] te maken als opponent terwijl ze net in een vechtscheiding met haar vrouw blijkt te zitten. Ik wist niet eens dat ze een vrouw had.”

Volgens [gedaagde] laat hij zich niet uit over het privéleven van [eiseres sub 2] , tenzij het van belang is voor de uitoefening van haar taak als bestuurder van [eiseres sub 1] .

De voorzieningenrechter zal het door [eiseres sub 2] gevorderde verbod toewijzen en legt hierna uit hoe hij tot deze beslissing komt.

Het gaat om de botsing van twee fundamentele grondrechten, te weten het recht op de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie van [eiseres sub 2] (artikel 8 EVRM) en het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] (artikel 10 EVRM). Een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting is alleen toegestaan als deze bij wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake als de uitlatingen van [gedaagde] jegens [eiseres sub 2] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zien de hiervoor aangehaalde uitlatingen van [gedaagde] over [eiseres sub 2] niet op het aan de kaak stellen van misstanden in het onderwijs. Dit gaat vele malen verder. De berichten hebben immers betrekking op het privéleven van [eiseres sub 2] , de echtscheiding waarin zij zich bevindt en haar geaardheid. Met deze uitlatingen heeft [gedaagde] de grenzen overschreden en onrechtmatig jegens [eiseres sub 2] gehandeld. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter voldoende aanleiding om het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] in te perken en het verzochte verbod op te leggen. Zoals hiervoor onder 4.24 overwogen kan lijfsdwang als sanctie alleen als ultimum remedium worden opgelegd. Daarvan is nog geen sprake. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om als prikkel tot nakoming een dwangsom aan het verbod te verbinden. De gevorderde dwangsom zal daarbij worden gematigd en gemaximeerd als hierna te melden.

Proceskosten

Omdat [gedaagde] overwegend in het ongelijk is gesteld, moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

153,02

- griffierecht

735,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.254,02

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

verbiedt [gedaagde] om op enigerlei wijze uitlatingen te doen die schadelijk kunnen zijn voor de eer en goede naam van [eiseres sub 2] , dan wel uitlatingen te doen die betrekking hebben op het privéleven van [eiseres sub 2] , waarbij ieder(e) separaat bericht of uitlating als aparte overtreding geldt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per overtreding, tot een maximum van € 25.000,00 wordt bereikt,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.254,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026.

MKI/NB

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand