ECLI:NL:RBNHO:2026:11775

ECLI:NL:RBNHO:2026:11775

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer 15-001930-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlemmermeer

Samenvatting

Strafzaak. De rechtbank Noord-Holland acht bewezen dat de verdachte op 25 december 2025 vier politiemensen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hij heeft in een zeer kleine toiletruimte een – naar pas later bleek nep – handgranaat getoond en daar een pin uit getrokken. Ook had hij een mes voorhanden, heeft hij geprobeerd om het dienstwapen van een van de politiemensen te pakken en zich met geweld verzet tegen zijn aanhouding. Volgens de psychiater en de psycholoog is de verdachte ontoerekeningsvatbaar. De rechtbank heeft de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en aan hem terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. Daarnaast moet hij aan een van de politiemensen 3000 euro schadevergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15.001930.26

Uitspraakdatum: 7 september 2026

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2026 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Italië),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Vught, afdeling PPC.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Pieplenbosch en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Lans,

advocaat te IJmuiden, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 Hij op 25 december 2025 te Haarlem, gemeente Haarlem,[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , allen werkzaam als politieambtenaar,heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door- dreigend een (nep) handgranaat, althans een op een handgranaat gelijkend voorwerp, omhoog te houden richting die [slachtoffer 1] en/of een of meer voornoemde politieambtenaren en/of- daarbij te schreeuwen dat voornoemde politieambtenaren weg moesten gaanen/of- de pin uit deze (nep) handgranaat te trekken en/of- vervolgens met gestrekte arm richting die [slachtoffer 1] te lopen en/of- naar die [slachtoffer 1] de roepen: “Give me your gun” en/of- het dienstwapen van die [slachtoffer 1] vast te pakken en (met veel kracht) proberen dit wapen uit de holster te halen/trekken en/of- tegen voornoemde politieambtenaren te zeggen: “I am coming to your home and I will kill your fucking family, Fuck you bastard, I will kill your fucking family you fucking bastard, shit people,” althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Feit 2 hij op 25 december 2025 te Haarlem, gemeente Haarlem,een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie,een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was,voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen,te weten een (nep) handgranaat.voorhanden heeft gehad;

Feit 3 hij op 25 december 2025 te Haarlem, gemeente Haarlem,zich met geweld en/of bedreiging met geweld,heeft verzettegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, ter aanhouding en/of ter fouillering van verdachte

door- te proberen het dienstwapen van die [slachtoffer 1] af te pakken en/of- daarbij het beveiligingsmechanisme van de holster van die [slachtoffer 1] eraf te halen en/of- in een worsteling te raken met voornoemde verbalisanten en/of- hevig met zijn armen en bene te bewegen waardoor fixatie wordt bemoeilijkt en/of- daarbij de woorden toe te voegen: “ I am coming to your home and I will kill your fucking family! Fuck you bastard. I will kill your fucking family you fucking bastard, shit people!” althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Feit 4 hij op of omstreeks 25 december 2025 te Haarlem, gemeente Haarlem,een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een mes,zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu de verdachte het feit heeft bekend en

namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting d.d.

24 augustus 2026 afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door

[slachtoffer 1] d.d. 25 december 2025 (dossierpagina 11 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

25 december 2025 (dossierpagina 18 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

25 december 2025 (dossierpagina 21 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

29 december 2025 (dossierpagina 27 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

26 december 2025 (dossierpagina 40 e.v.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d.

26 december 2025 (dossierpagina 46 e.v.).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

Feit 1 Hij op 25 december 2025 te Haarlem, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , allen werkzaam als politieambtenaar,heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door- dreigend een (nep) handgranaat, althans een op een handgranaat gelijkend voorwerp, omhoog te houden richting die [slachtoffer 1] en voornoemde politieambtenaren en- daarbij te schreeuwen dat voornoemde politieambtenaren weg moesten gaanen- de pin uit deze (nep) handgranaat te trekken en- vervolgens met gestrekte arm richting die [slachtoffer 1] te lopen en- naar die [slachtoffer 1] de roepen: “Give me your gun” en- het dienstwapen van die [slachtoffer 1] vast te pakken en (met veel kracht) proberen dit wapen uit de holster te halen/trekken en- tegen voornoemde politieambtenaren te zeggen: “I am coming to your home and I will kill your fucking family, Fuck you bastard, I will kill your fucking family you fucking bastard, shit people” althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Feit 2 hij op 25 december 2025 te Haarlem, een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie,een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was,voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen,te weten een (nep) handgranaat voorhanden heeft gehad;

Feit 3 hij op 25 december 2025 te Haarlem, zich met geweld en bedreiging met geweld,heeft verzettegen een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, ter aanhouding en/of ter fouillering van verdachte

door- te proberen het dienstwapen van die [slachtoffer 1] af te pakken en- daarbij het beveiligingsmechanisme van de holster van die [slachtoffer 1] eraf te halen en- in een worsteling te raken met voornoemde verbalisanten en- hevig met zijn armen en benen te bewegen waardoor fixatie wordt bemoeilijkt en- daarbij de woorden toe te voegen: “ I am coming to your home and I will kill your fucking family! Fuck you bastard. I will kill your fucking family you fucking bastard, shit people!” althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

Feit 4 hij op 25 december 2025 te Haarlem, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een mes,zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

ten aanzien van feit 2

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

ten aanzien van feit 3

wederspannigheid

ten aanzien van feit 4

handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

5. Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte gelet op de rapporten van de psychiater en psycholoog volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard. Om die reden moet de verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de verdachte zich niet kan vinden in de conclusies en het advies van de gedragsdeskundigen. De verdachte vindt niet dat zijn handelen uitsluitend vanuit een psychose moet worden verklaard en hij meent geen strafbare dader te zijn.

De raadsvrouw heeft hieraan toegevoegd dat indien de rechtbank de deskundigen volgt en tot het oordeel komt dat de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte vanwege zijn psychische toestand volledig niet kunnen worden toegerekend, de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag of en in welke mate de bewezenverklaarde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, heeft de rechtbank kennisgenomen van de Pro Justitia rapportages van de GZ-psycholoog van 6 juli 2026 en de psychiater van 9 juli 2026.

De psycholoog en psychiater concluderen in hun rapportages dat bij de verdachte sprake is van schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis. Volgens de psychiater waren deze stoornissen ook aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en was toen sprake van een floride psychose die in algemene zin het denken van de verdachte in grote mate heeft beïnvloed. Daarnaast is er een direct verband tussen de inhoud van de psychose en het tenlastegelegde. De verdachte dacht dat hij werd achtervolgd door terroristische groeperingen en vluchtte daarom een fastfoodrestaurant in alwaar het ten laste gelegde plaatsvond omdat hij dacht dat de politie samenwerkte met de terroristische groeperingen. Er was geen ruimte meer om anders te beslissen dan de verdachte heeft gedaan. Volgens de psychiater wist de verdachte dat het tenlastegelegde niet toelaatbaar was, maar vond hij dat hij niet anders kon handelen doordat hij zo ernstig werd bedreigd door de terroristische groeperingen die hem achtervolgden. De psychiater concludeert dat het tenlastegelegde niet aan de verdachte kan worden toegerekend.

Volgens de psycholoog zijn er naast de schizofrenie en een stoornis in het gebruik van cannabis ook aanwijzingen voor een stoornis in opioïde. Ten tijde van het ten laste gelegde was vanuit het psychotische toestandsbeeld (schizofrenie) sprake van een verstoorde realiteitstoetsing en daaruit voortvloeiend vanuit paranoïde vertekening agressief gedrag, waarbij de verdachte reageerde vanuit zijn wanen. De psycholoog onderschrijft het standpunt van de psychiater dat de verdachte geheel niet in staat was om tot alternatieve gedragskeuzes te komen en dat de tenlastegelegde feiten hem daarom niet kunnen worden toegerekend.

De rechtbank is van oordeel dat de rapportages op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van de deskundigen worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusies van de psychiater en psycholoog ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over en volgt hun advies. De rechtbank oordeelt dat de bewezenverklaarde feiten de verdachte wegens de ziekelijke stoornissen van zijn geestvermogens in het geheel niet kunnen worden toegerekend. De verdachte is daarom niet strafbaar en wordt ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. Motivering van de sanctie

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van

terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de duur van de tbs-maatregel ongemaximeerd moet zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat geen tbs met dwangverpleging moet worden opgelegd. Het enkele gegeven dat behandeling mogelijk noodzakelijk is, rechtvaardigt niet automatisch de conclusie dat alleen dwangverpleging een verantwoord kader biedt. Er is volgens de raadsvrouw onvoldoende onderzoek verricht naar minder ingrijpende mogelijkheden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat het bewezenverklaarde niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Aangezien de verdachte tijdens de bewezen verklaarde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was, kan aan hem geen straf worden opgelegd. Wel kan een maatregel aan de verdachte worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat – gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte – oplegging van de maatregel tbs met dwangverpleging passend en geboden is. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft op 25 december 2025 in de Kentucky Fried Chicken in Haarlem vier politiemensen bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Hij heeft in een zeer kleine toiletruimte een – naar pas later bleek nep – handgranaat getoond en daar een pin uit getrokken. Ook heeft hij geprobeerd om het dienstwapen van hoofdagent [slachtoffer 1] te pakken en zich met geweld verzet tegen zijn aanhouding. Uit de slachtofferklaring van [slachtoffer 1] blijkt hoe angstig hij is geweest. Hij kon door de kleine ruimte geen kant op en vreesde voor zijn leven. Hij is nog steeds niet in staat om zijn werkzaamheden volledig te verrichten.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft gekeken naar het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 juli 2026 (Nederland strafblad) en 30 december 2025 (Duits strafblad).

Daarnaast heeft de rechtbank bij de beslissing om aan de verdachte een tbs-maatregel op te leggen de hiervoor genoemde Pro Justitia rapportages betrokken. Uit deze rapportage komt onder meer naar voren dat beide deskundigen het risico op recidive – en daarbij gewelddadig gedrag – inschatten als hoog als er geen langdurige behandeling zal plaatsvinden. Volgens de psychiater zal het gebruik van cannabis de psychotische klachten versterken en kunnen er zonder interventies ook ernstigere incidenten – waaronder incidenten met vuurwapens – ontstaan. Door het chronische karakter van de schizofrenie en geen ziekte-inzicht, bestaat volgens de psycholoog een aanmerkelijk risico dat betrokkene niet trouw blijft aan medicatie en ook zal terugvallen in middelengebruik.

Beide deskundigen adviseren daarom oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging als de enige optie om de verdachte een goede behandeling te kunnen bieden gericht op het verminderen van het recidiverisico. Tbs met voorwaarden, een zorgmachtiging of een ambulant kader is niet mogelijk gelet op de verwachte duur van de behandeling, het gebrek aan ziekte-inzicht, de noodzaak voor het toedienen van medicatie (zo nodig onder dwang) en de omvangrijke sociaal maatschappelijke problematiek (geen werk, geen inkomen, geen netwerk in Nederland). Vanwege het hoge recidiverisico op geweld wordt van belang geacht dat de verdachte wordt behandeld binnen een setting met een hoog beveiligingsniveau. Dat kan alleen binnen het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het reclasseringsadvies van 14 augustus 2026. De reclassering schat het risico op recidive en het risico op onttrekken aan voorwaarden in als hoog. De verdachte heeft de reclassering laten weten dat hij onschuldig vastzit, dat hij geen behandeling nodig heeft en bij vrijlating zal stoppen met zijn medicatie. De reclassering ziet geen mogelijkheden om met ambulante interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen.

De op te leggen maatregel

De rechtbank kan zich met de hierboven besproken rapportages verenigen en zij neemt de weergegeven conclusies en adviezen over. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van de verdachte dringend noodzakelijk is met het oog op het terugdringen van het als hoog ingeschatte recidivegevaar op ernstige geweldsfeiten. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het plegen van het bewezenverklaarde sprake van een ziekelijke stoornis, namelijk schizofrenie en een stoornis in het gebruik van middelen. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren is gesteld, nu het gaat om de bedreiging van ambtenaren van politie. De verdachte wordt daardoor veroordeeld voor een feit waarvoor de tbs-maatregel kan worden opgelegd.

Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, het hoge recidiverisico en de noodzaak van hoge mate van beveiliging eist de veiligheid van anderen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd. Uit de rapportages van de deskundigen blijkt dat de psycholoog en de psychiater minder verstrekkende maatregelen niet mogelijk achten. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De rechtbank zal dan ook de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opleggen.

Uit de bewezenverklaring en de hierover vermelde omstandigheden volgt dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, te weten het bedreigen van ambtenaren van politie met enig misdrijf tegen het leven gericht, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot de duur van vier jaren.

7. Beslag

De rechtbank is van oordeel dat de onder de verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten een mes en een (nep) handgranaat, dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren de verdachte toe en zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten en tevens is het ongecontroleerde bezit van voormelde in beslag genomen voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 11.434,50 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die hij als gevolg van de onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De gestelde materiële schade bestaat uit een bedrag van € 1.884,50 voor huishoudelijke hulp, geleden omdat [slachtoffer 1] als gevolg van de lichamelijke klachten voor een periode niet of verminderd zijn aandeel kon leveren aan het huishouden. De gevorderde immateriële schade bedraagt € 9.950,00. Dit bedrag is als volgt opgebouwd. Er is een bedrag van € 750,00 gevorderd in verband met lichamelijk letsel, bestaande uit pijnklachten aan de hand en arm. Er is daarnaast een bedrag van € 8.000,00 gevorderd in verband met geestelijk letsel, welk bedrag moet worden verhoogd met 10% in verband met ernstige verwijtbaarheid.

Voorts vordert de benadeelde partij een bedrag van € 1.440,00 als vergoeding voor proceskosten (zijnde 4 punten van het liquidatietarief).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel dient te worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Wat betreft de gevorderde proceskosten heeft de officier van justitie primair verzocht om toekenning van het gevorderde bedrag van € 1.440,00 en subsidiair heeft hij de rechtbank verzocht om in ieder geval 2 punten toe te kennen, hetgeen een bedrag van € 720,00 oplevert.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op het standpunt van de verdachte en omdat, voor zover de beoordeling daarvan nader onderzoek vergt, dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is van een concrete psychiatrische diagnose en dat ook de lichamelijke klachten onvoldoende concreet (met medische stukken) zijn onderbouwd. Om die reden moet het bedrag aan immateriële schade aanzienlijk worden gematigd en de vordering voor wat betreft de huishoudelijke hulp worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

De gevorderde materiële schade (kosten voor de huishoudelijke hulp) is gebaseerd op de stelling dat [slachtoffer 1] als gevolg van lichamelijke klachten overgehouden aan het incident voor een bepaalde periode niet of verminderd een bijdrage kon leveren aan het gemeenschappelijke huishouden. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling, in het licht van de betwisting door de verdediging, onvoldoende is onderbouwd . [slachtoffer 1] heeft de stelling niet met stukken onderbouwd, anders dan met een eigen beschrijving aan zijn werkgever dat sprake was van een lichte kneuzing aan de hand/pols, met pijnklachten als gevolg.

Voor wat betreft het recht op immateriële schadevergoeding, bepaalt artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek in dit geval dat dit recht bestaat in geval van aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank is – met de benadeelde partij – eens dat van dit laatste sprake is en zal om die reden een bedrag aan immateriële schade toekennen.

De rechtbank sluit daarbij, anders dan is bepleit, niet aan bij de uitgangspunten zoals geformuleerd in hoofdstuk 14 van de Rotterdamse schaal, omdat niet is aangetoond dat sprake is van geobjectiveerd geestelijk letsel. De rechtbank sluit niet uit dat hier sprake van is, maar kan dat in dit stadium door het ontbreken van een diagnose niet vaststellen. De rechtbank heeft daarom voor het toekennen van het schadebedrag acht geslagen op het uitgangspunt dat de Rotterdamse Schaal formuleert voor bedreiging, te weten €1.500,00. Dit uitgangspunt doet naar het oordeel van de rechtbank echter geen recht aan de aard en de ernst van de bedreiging. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid en zal het schadebedrag vaststellen op €3.000,00. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 3.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening en de vordering voor het overige niet ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde partij het overige desgewenst bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden door de rechtbank vastgesteld op

€ 864,00, zijnde 2 punten van het liquidatietarief kanton (van € 432,00 per punt).

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36b, 36c, 36f, 37a, 37b, 57, 180, 285, van het Wetboek van Strafrecht.

artikel 13, 27, 54, 55 van de Wet wapens en munitie.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.

Onttrekt aan het verkeer:

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 3.000,00, bestaande uit vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1] , voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op € 864,00, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer

[slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 december 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.H. Bouwers, voorzitter,

mrs. C.S. Schoorl en P.A. Hesselink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.H. Bouwers

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand