RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11484927 \ CV EXPL 25-221
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Airline Company Limited
gevestigd te Luton (Verenigd Koninkrijk)
eiseres in verzet
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas
tegen
[gedaagde]
wonende te [plaats]
gedaagde in het verzet
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: [gemachtigde]
1. Het procesverloop
De passagiers hebben bij dagvaarding van 3 oktober 2024 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder is niet verschenen, waarna de vervoerder bij verstekvonnis van 4 december 2024 is veroordeeld.
Bij dagvaarding van 28 december 2024 is de vervoerder in verzet gekomen van dat verstekvonnis. De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. Ten slotte heeft de passagier bij akte gereageerd op de laatstelijk door de vervoerder overgelegde producties. Vonnis is bepaald op vandaag.
2. De feiten
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder haar op 27 juni 2024 moest vervoeren van Amsterdam naar Kopenhagen (Denemarken), met vlucht EZY7939 (hierna: de vlucht).
De vlucht is geannuleerd.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagier heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 501,28, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 90,97 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 (artikel 7 van de Verordening). Ook heeft de passagier kosten gemaakt voor het boeken van een vervangende vlucht van in totaal € 251,28, welke kosten zij wenst te verhalen op de vervoerder.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van dit geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vaststaat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
De vervoerder voert aan dat de vlucht onderdeel uitmaakte van de rotatie Nice (Frankrijk) – Amsterdam – Kopenhagen – Amsterdam. De vlucht van Nice naar Amsterdam met vluchtnummer EZY1754 is vertraagd uitgevoerd vanwege ATC-slots. Ter onderbouwing legt de vervoerder de vluchtgegevens van vlucht EZY1754 over, waaruit volgt dat die vlucht voor de duur van 1 uur en 26 minuten is vertraagd wegens vertragingscode 81. Door de vertraging op deze vlucht was het niet mogelijk om de rotatie Amsterdam-Kopenhagen-Amsterdam voor de ingang van het nachtregime (die in de zomer ingaat om 21:00 uur UTC) op de luchthaven van Amsterdam uit te voeren.
Hoewel een vertraging vanwege vertragingscode 81 in beginsel wordt aangemerkt als een buitengewone omstandigheid, heeft de vervoerder niet onderbouwd waarom het noodzakelijk was de vlucht in kwestie te annuleren en niet om deze vlucht alsnog – zij het met een vertraging – uit te voeren. Het betoog dat de vlucht niet voor het nachtregime op de luchthaven van Schiphol kon worden uitgevoerd, kan hem daarbij niet baten. Uit de vluchtgegevens volgt immers dat de vlucht in kwestie gepland stond te vertrekken om 16:45 uur (UTC), waaruit de kantonrechter afleidt dat deze vlucht ook met een vertraging van 1 uur en 26 minuten voor het nachtregime kon worden uitgevoerd. Dat de vlucht van Kopenhagen naar Amsterdam mogelijk niet binnen het nachtregime kon worden uitgevoerd, leidt hier niet tot een ander oordeel.
Gelet op het voorgaande houdt een beroep op buitengewone omstandigheden geen stand. De kantonrechter komt niet toe aan de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de annulering te voorkomen.
Ten aanzien van de bij de oorspronkelijke dagvaarding gevorderde vergoeding van de vervangende vlucht, overweegt de kantonrechter als volgt. Eerst bij conclusie van repliek in oppositie heeft de vervoerder, kort gezegd, gesteld dat de passagier geen recht heeft op deze kosten, omdat zij al een refund van de door haar geboekte vlucht van de vervoerder heeft gekregen.
De vervoerder heeft niet toegelicht waarom hij de hiervoor uiteengezette standpunten eerst bij repliek in oppositie heeft ingenomen en gesteld noch gebleken is dat hij deze niet al bij de verzetdagvaarding naar voren heeft kunnen brengen. Hiertoe is hij op grond van het in artikel 128 lid 3, gelezen in verbinding met artikel 147 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering neergelegde vereiste van concentratie van verweer wel gehouden. Nu hij dit heeft nagelaten, is dit verweer tardief. De kantonrechter zal dan ook aan dit verweer voorbij gaan.
De passagier heeft bij inleidende dagvaarding een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De afwijzing van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten en de daarover gevorderde rente) kan daarom in stand blijven.
De conclusie is dat het verzet ongegrond is en dat het verstekvonnis zal worden bevestigd. De vervoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de verzetprocedure.
5. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart het verzet ongegrond en bevestigt het verstekvonnis van 4 december 2024 in de zaak met zaaksnummer 11355902 \ CV EXPL 24-7307;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die tot en met vandaag voor de passagier wordt vastgesteld op een bedrag van € 270,00 aan salaris van de gemachtigde van de passagier;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter