RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, de RVO
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1461
en
(gemachtigde: mr. J. van Essen).
1. Deze uitspraak gaat over een verzoek van eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van rapportages en handhavingsdossiers over controles bij onder meer dierentuinen en bepaalde zoogdiersoorten. Eiser heeft zijn verzoek in de loop van de procedure meerdere keren beperkt en verduidelijkt, onder meer ten aanzien van de periode waarop het verzoek betrekking heeft. De RVO heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek daarna nog steeds zo omvangrijk was dat behandeling daarvan niet mogelijk was zonder verdere afstemming. Nadat eiser niet had ingestemd met een gefaseerde behandeling, heeft de RVO het verzoek buiten behandeling gelaten. In bezwaar heeft de RVO deze beslissing gehandhaafd en daaraan ten grondslag gelegd dat eiser onvoldoende zou hebben meegewerkt aan het preciseren van zijn verzoek als bedoeld in artikel 4.1, zesde lid, van de Woo. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert aan dat hij zijn verzoek meerdere malen heeft beperkt en verduidelijkt en dat de omvang van een verzoek geen grond mag vormen om het buiten behandeling te laten. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de RVO het verzoek terecht buiten behandeling heeft gelaten.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de RVO het verzoek ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten. Uit het dossier en de toelichting ter zitting blijkt dat het verzoek na de door eiser aangebrachte beperkingen voldoende bepaalbaar was. Dat het verzoek omvangrijk was en veel uitvoeringscapaciteit vergde, maakt niet dat sprake was van een onvoldoende gepreciseerd verzoek als bedoeld in artikel 4.1, zesde lid, van de Woo. Het bestreden besluit berust daarom op een ondeugdelijke motivering. Eiser krijgt dus gelijk. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.
Procesverloop
2. Op 12 september 2024 heeft eiser een Woo-verzoek ingediend. Dit verzoek zag op controle- en handhavingsrapportages met betrekking tot onder meer dierentuinen en door particulieren gehouden zoogdiersoorten vanaf 2015.
Naar aanleiding van overleg met de RVO heeft eiser zijn verzoek op 10 oktober 2024 beperkt tot de jaren 2020, 2023 en 2024 en het verzoek inhoudelijk verduidelijkt. Vervolgens heeft eiser op 25 oktober 2024 de LID-rapportages buiten het verzoek gelaten.
Bij brief van 6 november 2024 heeft de RVO meegedeeld dat het verzoek nog steeds zeer omvangrijk was en betrekking had op ongeveer 2.066 dossiers, circa 6.000 documenten en ongeveer 2.000 derde-belanghebbenden. De RVO heeft voorgesteld het verzoek gefaseerd af te handelen in drie deelbesluiten. Eiser heeft daarmee niet ingestemd.
Met het primaire besluit van 13 december 2024 heeft de RVO besloten het verzoek niet verder in behandeling te nemen.
Met het bestreden besluit van 9 april 2025 heeft de RVO het bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft de RVO erkend dat artikel 4.2a van de Woo geen grondslag biedt voor het buiten behandeling laten van een verzoek en zich op het standpunt gesteld dat artikel 4.1, zesde lid, van de Woo daarvoor wel de juiste grondslag vormt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De RVO heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser vergezeld door [naam] en de gemachtigde van de RVO.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft RVO het Woo-verzoek terecht buiten behandeling gelaten?
3. Eiser voert aan dat hij zijn Woo-verzoek meerdere malen heeft beperkt en verduidelijkt. Volgens eiser ziet artikel 4.1, zesde lid, van de Woo uitsluitend op situaties waarin een verzoek onvoldoende is gepreciseerd en de verzoeker weigert daaraan mee te werken. Daarvan is volgens eiser geen sprake. Dat het verzoek omvangrijk is of veel capaciteit vraagt, vormt volgens hem geen grond om zijn Woo-verzoek buiten behandeling te stellen.
De rechtbank overweegt dat artikel 4.1, zesde lid, van de Woo ziet op de situatie dat een verzoek onvoldoende is gespecificeerd en de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek om het Woo-verzoek nader te preciseren. Deze bepaling biedt geen grondslag om een verzoek buiten behandeling te laten uitsluitend vanwege de omvang daarvan of de uitvoeringslast die behandeling met zich brengt.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn verzoek meerdere malen inhoudelijk heeft beperkt en verduidelijkt. Zo heeft hij de periode waarop het verzoek betrekking heeft beperkt, onderdelen van het verzoek laten vervallen en de reikwijdte van het verzoek nader afgebakend. Dat het verzoek na deze aanpassingen nog steeds omvangrijk was, betekent op zichzelf niet dat het onvoldoende was gepreciseerd. Een verzoek kan immers voldoende duidelijk zijn en tegelijkertijd betrekking hebben op een groot aantal documenten.
De rechtbank is van oordeel dat de RVO onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het verzoek ten tijde van het bestreden besluit nog onvoldoende was gepreciseerd. Uit de motivering van het bestreden besluit volgt dat de nadruk met name is gelegd op de omvang van het verzoek, het grote aantal documenten en de daarmee gemoeide uitvoeringslast. Dat zijn echter geen omstandigheden die bepalend zijn voor de toepassing van artikel 4.1, zesde lid, van de Woo.
Daarbij betrekt de rechtbank dat de gemachtigde van de RVO ter zitting heeft toegelicht dat de omvang van het verzoek de voornaamste reden is geweest om het verzoek buiten behandeling te laten. Ook heeft de gemachtigde ter zitting toegelicht dat de RVO met name nog behoefte heeft aan overleg over de praktische afhandeling. Daarmee heeft de RVO naar het oordeel van de rechtbank niet onderbouwd dat het verzoek ten tijde van het bestreden besluit onvoldoende gespecificeerd was.
De rechtbank volgt de RVO ook niet in het standpunt dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan de precisering van zijn verzoek door niet in te stemmen met de voorgestelde gefaseerde behandeling. De vraag of een verzoek voldoende is gepreciseerd, moet worden onderscheiden van de wijze waarop een bestuursorgaan de behandeling van een omvangrijk verzoek wenst te organiseren. Dat eiser niet heeft ingestemd met de door de RVO voorgestelde fasering, betekent niet dat hij heeft geweigerd zijn verzoek inhoudelijk nader te preciseren.
Indien de RVO van oordeel was dat het verzoek, ondanks de aangebrachte beperkingen, op onderdelen nog onduidelijk was, had het op zijn weg gelegen concreet aan te geven welke onderdelen nog onvoldoende bepaalbaar waren en waarom nadere precisering noodzakelijk was. Dat heeft de RVO niet gedaan. De enkele verwijzing naar de omvang van het verzoek en de daarmee gemoeide uitvoeringslast is daarvoor onvoldoende.
De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft en dus is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen, waarbij zo nodig opnieuw overleg met eiser kan plaatsvinden over de praktische afhandeling van het verzoek.
De rechtbank draagt de RVO op om met inachtneming van deze uitspraak binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Omdat het beroep gegrond is, moet de RVO het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 april 2025;
- draagt de RVO op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een
nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de RVO het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet open overheid
Artikel 4.1. Verzoek[…]
6. Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4.2a. Overleg tussen bestuursorgaan en verzoeker Indien een voldoende gespecificeerd verzoek zodanig omvangrijk is dat niet binnen de termijn van artikel 4.4, eerste lid, kan worden beslist, treedt het bestuursorgaan voor het einde van die termijn in overleg met de verzoeker over de prioritering van de afhandeling van het verzoek. Het bestuursorgaan verstrekt de gevraagde documenten zo veel mogelijk in de door de verzoeker gewenste volgorde.