RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Assen
parketnummer 18/056216-26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 september 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 20 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Keijzer, advocaat te Emmen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Westerhof.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Coevorden aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] , (meermalen) (met kracht) op/tegen het oog en/of neus en/of kaak, in elk geval het gezicht te stompen en/of slaan.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 oktober 2025 te Coevorden [slachtoffer] heeft mishandeld, door die [slachtoffer] (meermalen) (met kracht) op/tegen het oog en/of neus en/of kaak, in elk geval het gezicht te stompen en/of slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat naar algemene ervaringsregels een enkele vuistslag op het oog niet direct een aanmerkelijke kans op zwaar letsel in het leven roept. Evenmin blijkt van bijkomende omstandigheden die wijzen op gedragingen die zozeer gericht zijn op een bepaald gevold dat het niet anders kan dan dat de aanmerkelijke kans op zwaar letsel bewust is aanvaard. Verdachte heeft niet bewust of gericht op het oog geslagen en heeft niet een zodanig harde vuistslag gegeven dat aangever daar botbreuken aan heeft overgehouden of bijna kwam te vallen. Verdachte had aldus geen (voorwaardelijk) opzet op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel bij aangever.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. De door verdachte op de terechtzitting van 20 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Op 1 oktober 2025 heb ik aangever [slachtoffer] meermalen geslagen. Ik heb hem drie vuistslagen gegeven en hem geraakt op zijn gezicht en oog.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 oktober 2025 opgenomen op pagina 31 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025267233 d.d. 12 februari
2026 inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
Op woensdag 1 oktober 2025 was ik samen met Valentyn Kostiv aan het spelen op het basketbalveld bij de school aan [adres] te Coevorden. Er waren vier andere jongens op het speelveld. Per ongeluk kwam de basketbal op de hoofd van een van die jongens. Een van die jongens ging toen bellen. Daarna kwamen er nog twee jongens bij. De broer van die jongen die gebeld had duwde mij een aantal keren. Hij sloeg mij meerdere keren in het gezicht. Hij sloeg mij de eerste keer met de rechtervuist en daarna met beide vuisten. Hij sloeg mij eerst tegen de rechterkaak en daarna tegen mijn rechteroog. Ook heeft hij mij op mijn neus geslagen. Ik denk dat ik 4 a 5 keer geslagen ben door die jongen. Toen ik werd geslagen kreeg ik veel pijn aan mijn gezicht. Ik had hevige pijn aan mijn kaak, oog en neus. In [ziekenhuis] is geconstateerd dat het hoornvlies van mij rechteroog beschadigd is. De mogelijkheid bestaat dat ik blind aan dit oog blijf.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 4 oktober 2025, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :
Ik zag dat de jongen die zijn jas uit had gedaan in de richting van [slachtoffer] loopt. Ik zie dat hij zijn rechterhand tot een vuist balt. Zijn arm naar achter brengt en vervolgens met snelheid en kracht op het hoofd van [slachtoffer] slaat. Ik bedoel daarmee dat hij geraakt werd in zijn gezicht. Ik zag dat [slachtoffer] probeert de jongen van zich af te trappen. Ik zag dezelfde jongen [slachtoffer] meerdere keren met zijn vuist en met kracht op zijn gezicht slaan.
4. Een geneeskundige verklaring, op 21 april 2026 opgemaakt en ondertekend door [arts] , forensisch arts, voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring:
Op basis van de beschikbare medische informatie is de conclusie dat er een status is na een trauma van het rechteroog met als gevolg een dubieuze lichtwaarneming in het rechteroog, forse bloedingen en een fors beschadigde oogzenuw en netvlies, waarbij er een grote kans is op blijvende blindheid van het rechter oog. Functioneel zal het oog zeer slechtziend tot blind blijven met een kleine kans op verbetering.
De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever meermalen met kracht op zijn gezicht en oog heeft geslagen. Uit de medische stukken in het dossier volgt dat aangever als gevolg van het geweld dat verdachte op hem heeft uitgeoefend fors letsel heeft opgelopen aan zijn rechteroog en voor de rest van zijn leven zeer slechtziend tot blind zal blijven, met een kleine kans op verbetering. De rechtbank is van oordeel dat dit naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in dit geval zwaar lichamelijk letsel - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zon kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank stelt daartoe het volgende vast. Verdachte heeft aangever meermalen gericht en met kracht in zijn gezicht geslagen. Dat verdachte hard en gericht sloeg blijkt onder meer uit de verklaring van getuige Kostiv, die verklaard heeft dat verdachte naar aangever toeloopt, zijn rechterhand tot een vuist
balt, zijn arm naar achter brengt en aangever met snelheid en kracht meerdere keren op het gezicht slaat. Verdachte zelf heeft ter zitting verklaard dat hij aangever meerdere vuistslagen heeft gegeven en hem heeft geraakt op zijn gezicht en oog. Verdachte heeft met deze vuistslagen aan aangever zwaar letsel toegebracht, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen.
Door aangever met kracht meerdere harde vuistslagen tegen het gezicht en op het oog te geven, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Naar algemene ervaringsregels roept het geven van een harde vuistslag in het gezicht de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt, omdat het hoofd een uiterst kwetsbaar lichaamsdeel is. Iedereen - en dus ook verdachte - heeft wetenschap van het bestaan van deze aanmerkelijke kans. Het slaan op de wijze zoals verdachte dat heeft gedaan, te weten met gebalde vuist, gericht en met kracht, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. Op grond van voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het onder primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 1 oktober 2025 te Coevorden aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] , meermalen met kracht op het oog, in elk geval in het gezicht te slaan.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
primair zware mishandeling.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 100 uren en een jeugddetentie van 61 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming worden verbonden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf met oplegging van bijzondere voorwaarden en met een proeftijd van 1 jaar, zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. De raadsman heeft aangevoerd dat in aanmerking genomen moet worden dat verdachte geen enkele intentie had om zwaar letsel te veroorzaken. Voorts dient de aanleiding van het incident, te weten treiterijen, intimidatie en (ernstige) bedreigingen van aangever richting verdachte, meegewogen te worden bij de strafoplegging.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juli 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 1 oktober 2025 te Coevorden schuldig gemaakt aan een zware mishandeling. Verdachte is naar aanleiding van een telefoontje van een vriend van zijn broertje naar het basketbalveldje gegaan, waar hij de confrontatie met aangever heeft opgezocht. Verdachte heeft aangever meermalen met zijn vuist hard in het gezicht en op het oog geslagen. Aangever, destijds een 14-jarige jongen, is ten gevolge hiervan blind geworden aan zijn rechteroog en zal de rest van zijn leven met deze beperking moeten leven. Dat er mogelijk in de loop der tijd een kleine verbetering zou kunnen optreden, doet aan de ernst van het letsel en de blijvende beperking niets af. De rechtbank acht het bewezen verklaarde een ernstig strafbaar feit. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk en rekent dit verdachte zwaar aan. In beginsel rechtvaardigt het bewezenverklaarde feit oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Dat de aanleiding van het incident gelegen is in treiterijen, intimidatie en (ernstige) bedreigingen van aangever richting verdachte is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Dat hiervan sprake zou zijn geweest is door verdachte niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom ook geenszins sprake van eigen schuld bij aangever. Verdachte heeft reeds tijdens zijn eerste verhoor bij de politie verantwoordelijkheid genomen voor hetgeen is gebeurd en spijt betuigd. Dit heeft hij tevens tijdens de terechtzitting bij de rechtbank gedaan.
Persoon van de verdachte
Naar aanleiding van dit incident heeft verdachte sinds februari 2026 vrijwillig toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering, hetgeen volgens het evaluatieplan van de jeugdreclassering van 17 augustus 2026 en de toelichting van de deskundige ter zitting positief verloopt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft in zijn advies van 14 augustus 2026 geadviseerd tot oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, met daaraan verbonden een meldplicht, meewerken aan diagnostiek en hulpverlening en het volgen van onderwijs. De Raad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering schatten de kans op recidive in als heel laag.
Op te leggen straf
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de ernst van het bewezen verklaarde en de persoon van de verdachte, die ten tijde van het bewezen verklaarde 16 jaar oud was, is de rechtbank van oordeel dat conform de eis van de officier van justitie oplegging aan verdachte van een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, en een jeugddetentie voor de duur van 61 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Het voorwaardelijk strafdeel dient als waarschuwing aan verdachte, om te voorkomen dat hij zich nogmaals schuldig maakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit. Tevens zullen aan dit voorwaardelijk strafdeel, ter voorkoming van recidive, de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. De rechtbank acht anders dan de Raad voor de Kinderbescherming en de raadsman een proeftijd van 2 jaren passend, nu aan deze proeftijd niet enkel de door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, maar ook de algemene voorwaarde dat verdachte zich niet wederom schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Ondanks het feit dat de Raad voor de Kinderbescherming en jeugdreclassering de kans op recidive inschatten als laag, acht de rechtbank het van belang dat ter voorkoming hiervan als stok achter de deur een proeftijd van 2 jaren wordt verbonden aan de voorwaardelijk op te leggen straf.
Benadeelde partij
[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 245,85 ter vergoeding van materiële schade en 37.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, waarbij de gijzeling op nihil moet worden gesteld.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag ter vergoeding van materiële schade kan worden toegewezen. Ten aanzien van het gevorderde bedrag ter vergoeding van immateriële schade heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Uit de medische rapportages blijkt dat er een grote kans is op blijvende blindheid aan het oog en dat het oog functioneel zeer slecht tot blind zal blijven met een kleine kans op verbetering. Gelet op de nog onzekere medische eindtoestand is een bedrag van hoogstens 16.000,00 toewijsbaar. Voorts dient rekening te worden gehouden met het aandeel eigen schuld van aangever in de gebeurtenis, die uitsluitend als rechtstreeks gevolg van ongevraagde bedreigingen door aangever is geëscaleerd. De immateriële schadevergoeding dient daarom in redelijkheid te worden gematigd tot 10.000,00. De raadsman heeft verzocht om gelet op de draagkracht van verdachte niet over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Indien de rechtbank de
schadevergoedingsmaatregel wel oplegt, heeft de raadsman verzocht te bepalen dat de schadevergoeding in gedeelten van
50,00 per maand mag worden voldaan.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De hoogte van de materiële schade is door de verdachte niet betwist. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Gelet op de medische stukken stelt de rechtbank vast dat aangever voor de rest van zijn leven zal moeten leven met één zeer slechtziend tot blind oog, waarbij de kans op verbetering zeer klein is. Naar het oordeel van de rechtbank staat in ieder geval vast dat aangever nooit meer twee gezonde ogen en een normaal zicht zal hebben. Gelet op de jonge leeftijd van aangever en de periode dat hij de gevolgen van het geweldsincident nog moet dragen, is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van
37.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, zoals gevorderd door de benadeelde partij, zonder meer billijk is. Zoals eerder overwogen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van eigen schuld bij aangever. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om op die grond de immateriële schade te matigen. De vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 oktober 2025.
De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals verzocht door de raadsman, niet over te gaan tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank zal daarbij het aantal dagen gijzeling op nihil stellen.
De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om te bepalen dat de vergoeding van de schade door verdachte in gedeelten van 50,00 per maand mag worden voldaan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de draagkracht van verdachte naar alle waarschijnlijkheid in de komende jaren zal toenemen. De betaling van de schadevergoeding en de termijn waarbinnen dat dient te gebeuren, zal in de executiefase aan de orde komen.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen en 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een jeugddetentie voor de duur van 61 dagen.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 60 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1.
dat de veroordeelde zich op uitnodiging van de jeugdreclassering meldt bij de Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, locatie [locatie] , en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;
2.
dat de veroordeelde onderwijs volgt en/of een andere dagbesteding heeft;
3.
dat de veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling, door een door de jeugdreclassering aan te wijzen instelling en indien en voor zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de door die instelling te geven huisregels.
Draagt voornoemde instelling op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
Een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 37.245,85 (zegge: zevenendertigduizend tweehonderdvijfenveertig euro en vijfentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 245,85 aan materiële schade en
37.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt, voor het geval dat de verdachte niet volledig betaalt, dat gijzeling voor de duur van 0 dagen kan worden toegepast.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. L.M.B. Soppe en mr. H.P. Eckert, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Nijmeijer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2026.
Mr. M. Brinksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.