RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-052185-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het inhoudelijk onderzoek ter terechtzitting van 25 juni 2026. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 28 juli 2026. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zittingen van 15 april 2025 en 2 september 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Scheffer, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 7 januari 2021, te Leeuwarden en/of Sneek en/of elders Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke
persoon/personen en/of rechtspersoon/rechtspersonen, althans alleen, meermalen, althans
eenmaal, al dan niet als vennoot/vennoten van het bedrijf V.O.F. [bedrijf 1] , (tevens) handelende onder de naam [bedrijf 2] Leeuwarden, (van) een of meer voorwerp(en), te weten:
een of meer contant(e) geldbedrag(en), zijnde huurpenningen en/of borg en/of bemiddelingsprovisie, namelijk
a. a) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 3 juni 2019, (in totaal ongeveer) 10.500, althans enig geldbedrag, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 1] ), en/of
in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 3 augustus 2019, (in totaal ongeveer) 2760, althans enig geldbedrag, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 2] ), en/of
in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 6 januari 2020, (in totaal ongeveer) 8400, althans enig geldbedrag, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 3] ), en/of
in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 7 januari 2021, (in totaal ongeveer) 16.800, althans enig geldbedrag, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 4] ), zijnde in totaal 38.460, althans (telkens) enig geldbedrag,
heeft verworven en/of voorhanden gehad, en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt,
terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en)
vermoeden dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf,
en verdachte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
de rechtspersoon V.O.F. [bedrijf 1] , (tevens) handelende onder de naam [bedrijf 2]
, (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 7 januari 2021, te Leeuwarden en/of Sneek en/of elders Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal,
(van) een of meer voorwerp(en), te weten:
een of meer contant(e) geldbedrag(en), zijnde huurpenningen en/of borg en/of bemiddelingsprovisie, namelijk
a. a) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 3 juni 2019, (in totaal ongeveer) 10.500, althans enig geldbedrag, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 1] ), en/of
in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 3 augustus 2019, (in totaal ongeveer) 2760, althans enig geldbedrag, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 2] ), en/of
in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 6 januari 2020, (in totaal ongeveer) 8400, althans enig geldbedrag, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 3] ), en/of
in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 7 januari 2021, (in totaal ongeveer) 16.800, althans enig geldbedrag, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 4] ), zijnde in totaal 38.460, althans (telkens) enig geldbedrag,
heeft verworven en/of voorhanden gehad, en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt,
terwijl die rechtspersoon wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf,
en die rechtspersoon van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;
2.
hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 7 januari 2021, te Leeuwarden en/of Sneek en/of elders Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke persoon/personen en/of rechtspersoon/rechtspersonen, althans alleen, al dan niet als vennoot/vennoten van het bedrijf V.O.F. [bedrijf 1] , (tevens) handelende onder de naam [bedrijf 2] Leeuwarden,
een of meer ander(en), te weten
a. a) [huurder 1] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats], Albanese nationaliteit, en/of
[huurder 2] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats], Albanese nationaliteit, en/of
[huurder 3] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats], Albanese nationaliteit, en/of
[huurder 4] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats], Albanese nationaliteit,
uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het (zich verschaffen van) verblijf in Nederland of
voornoemde persoon/personen daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte(n) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,
immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen,
a. a) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 3 juni 2019, een woning aan [adres]
verhuurd aan voornoemde [huurder 1] , althans aan een of meer persoon/personen die illegaal in Nederland verbleef/verbleven, en/of
in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 3 augustus 2019, een woning aan [adres] verhuurd aan voornoemde [huurder 2] , althans aan een of meer persoon/personen die illegaal in Nederland verbleef/verbleven, en/of
in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 6 januari 2020, een woning aan [adres]
verhuurd aan voornoemde [huurder 3] ), althans aan een of meer persoon/personen die illegaal in Nederland verbleef/verbleven, en/of
in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 7 januari 2021, een woning aan [adres] verhuurd aan voornoemde [huurder 4] , althans aan een of meer persoon/personen die illegaal in Nederland verbleef/verbleven,
terwijl dit feit (telkens) werd begaan in de uitoefening van zijn beroep, te weten als vennoot van genoemde rechtspersoon en/of als bedrijfsmatige verhuurbemiddelaar;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
de rechtspersoon V.O.F. [bedrijf 1] , (tevens) handelende onder de naam [bedrijf 2]
, (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 7 januari 2021, te Leeuwarden en/of Sneek en/of elders Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer andere natuurlijke persoon/personen en/of rechtspersoon/rechtspersonen, althans alleen, een of meer ander(en), te weten
a. a) [huurder 1] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , Albanese nationaliteit, en/of
[huurder 2] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , Albanese nationaliteit, en/of
[huurder 3] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , Albanese nationaliteit, en/of
[huurder 4] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , Albanese nationaliteit,
uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het (zich verschaffen van) verblijf in Nederland of voornoemde persoon/personen daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft
verschaft, terwijl die rechtspersoon en/of haar medeverdachte(n) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was,
immers heeft die rechtspersoon, tezamen en in vereniging met haar medeverdachte(n), althans alleen,
a. a) in of omstreeks de periode van 1 april 2018 tot en met 3 juni 2019, een woning aan [adres]
verhuurd aan voornoemde [huurder 1] , althans aan een of meer persoon/personen die illegaal in Nederland verbleef/verbleven, en/of
in of omstreeks de periode van 1 december 2018 tot en met 3 augustus 2019, een woning aan [adres] verhuurd aan voornoemde [huurder 2] , althans aan een of meer persoon/personen die illegaal in Nederland verbleef/verbleven, en/of
in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 6 januari 2020, een woning aan [adres]
verhuurd aan voornoemde [huurder 3] ), althans aan een of meer persoon/personen die illegaal in Nederland verbleef/verbleven, en/of
in of omstreeks de periode van 1 juni 2019 tot en met 7 januari 2021, een woning aan [adres] verhuurd aan voornoemde [huurder 4] , althans aan een of meer persoon/personen die illegaal in Nederland verbleef/verbleven,
terwijl dit feit (telkens) werd begaan in de uitoefening van haar beroep, te weten als verhuurbemiddelingsbedrijf,
(telkens) tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, feitelijk leiding heeft gegeven;
3.
hij op 18 januari 2023 te Leeuwaren en/of elders in Nederland,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten (een digitale versie/afschrift van) een formulier Huurovereenkomst woonruimte met betrekking tot [adres] , valselijk heeft/hebben opgemaakt of doen/laten opmaken,
immers heeft verdachte valselijk en/of in strijd met de waarheid
op dat/die geschrift(en) weergegeven dat de huurder zou zijn [naam 1] en/of als ondertekendatum 1 oktober 2022 en/of die overeenkomst (meermalen) van een valse ondertekening of paraaf bij huurder(s) voorzien, althans op dat geschrift (zonder toestemming) onjuiste gegevens vermeld ten aanzien van de ingangsdatum van die overeenkomst en/of de identiteit van de huurder, en/of (aldus) dat geschrift geheel of deels fictief opgemaakt of doen/laten opmaken,
zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
4.
A)
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 april 2019 tot en met 4 juni 2019, althans in 2019, te Leeuwarden en/of Utrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een of meer geschrift(en), dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
valselijk heeft/hebben opgemaakt of doen/laten opmaken,
immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, valselijk en/of in strijd met de waarheid op/in dat/die geschrift weergegeven of doen/laten weergeven
-dat [verdachte] vanaf 1 november 2018 (full time en/of gemiddeld (ongeveer) 40 uren per week) werkzaam was voor [bedrijf 3] B.V. als administratief medewerker, en/of (daar) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had en/of aangesteld was in vaste dienst, en/of dat [verdachte] een bruto jaarsalaris van 33.939 en/of met 2715,12 vakantietoeslag en/of 2828,25 eindejaarsuitkering genoot, en/of
EN/OF
B)
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 25 april 2019 tot en met 4 juni 2019, althans in 2019, te Leeuwarden en/of Utrecht en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere valse geschriften, althans een vals geschrift, die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat/die echt en onvervalst, te weten:
bestaande die valsheid hierin dat (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid op dat/die geschrift(en) was weergegeven
-dat [verdachte] vanaf 1 november 2018 (full time en/of gemiddeld (ongeveer) 40 uren per week) werkzaam was voor [bedrijf 3] B.V. als administratief medewerker, en/of (daar) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd had en/of aangesteld was in vaste dienst, en/of dat [verdachte] een bruto jaarsalaris van 33.939 en/of met 2715,12 vakantietoeslag en/of 2828,25 eindejaarsuitkering genoot, en/of
terwijl in werkelijkheid dat dienstverband (in ieder geval) per 31 mei 2019 werd/was beëindigd, en/of (aldus) dat/die geschrift(en) (deels) fictief of onjuist was/waren opgemaakt,
en
bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een of meer van die geschrift(en), al dan niet via een tussenpersoon, heeft/hebben doen toekomen aan het bedrijf De Volksbank N.V., en/of (tevens) handelende onder de naam [bedrijf 4] , in verband met een hypotheekaanvraag,
dan wel opzettelijk zodanig geschrift(en) heeft afgeleverd of voorhanden gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair, 2 primair, 3 en 4.
Ten aanzien van feit 1 primair heeft de officier van justitie aangevoerd dat gewoontewitwassen wettig en overtuigend kan worden bewezen, gelet op de duur van de periode in de tenlastelegging en het feit dat het gaat om meerdere adressen.
Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie het volgende aangevoerd.
Verdachte [verdachte] , tevens de zoon van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), heeft voor het aanvragen van een hypotheek voor zijn woning meerdere stukken overgelegd aan de Volksbank1, waaronder een werkgeversverklaring daterend van 1 mei 2019 inhoudende dat hij vanaf 1 november 2018 voor onbepaalde tijd in dienst bij het bedrijf van zijn vader ( [bedrijf 3] B.V.) zou zijn en daarnaast een brief daterend van 25 april 2019 waaruit volgde dat zijn salaris met ingang van 1 augustus 2019 zou worden verhoogd.
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat er sprake is van een fictieve arbeidsovereenkomst tussen [verdachte] en [bedrijf 3] B.V., van welke vennootschap [medeverdachte 1] directeur is, waardoor voornoemde overgelegde stukken vals zijn. Dit zou onder andere blijken uit de verklaring van [medeverdachte 1] bij de politie dat [verdachte] tegen hem zou hebben gezegd dat “hij even op de loonlijst moest en dat het niet klopte”. Daarbij voerde [verdachte] dezelfde werkzaamheden uit voor [bedrijf 3] B.V. als voor [bedrijf 2] Leeuwarden2, een vennootschap onder firma waarvan [verdachte] vennoot is. Ook heeft de heer [naam 2] , die destijds de boekhouder was van beide bedrijven, verklaard dat hij de werkgeversverklaring van 1 mei 2019 niet heeft opgesteld omdat in dat geval zijn naam en een stempel er wel onder hadden gestaan. Tevens is gebleken dat er loon werd betaald aan [verdachte] vanuit de privérekening van [medeverdachte 1] , in plaats van de bankrekening van [bedrijf 3] B.V., en dat de loonbetalingen op ongebruikelijke momenten plaatsvonden. Daarbij is er over zeven maanden dienstverband slechts vijf keer loon uitgekeerd aan [verdachte] en heeft [verdachte] bij de politie verklaard dat de loonsverhoging noodzakelijk was omdat hij de hypotheek anders niet rond zou krijgen, terwijl hij ter terechtzitting heeft aangevoerd dat de loonsverhoging op dat moment verband zou hebben gehad met zijn alimentatieverplichtingen.
Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat er wel sprake is geweest van een dienstverband, dan heeft de officier van justitie subsidiair aangevoerd dat in elk geval de in de werkgeversverklaring opgenomen omvang van het dienstverband van [verdachte] bij [bedrijf 3] B.V. (te weten 40 uur per week) en de opmerking dat er geen voornemens waren het dienstverband te beëindigen vals zijn. Dit geldt ook voor de aanvulling op de werkgeversverklaring, aangezien het dienstverband tussen hem en [bedrijf 3] B.V. een week nadat de aanvulling werd overgelegd aan de hypotheekverstrekker is beëindigd.
Gelet op de omstandigheden van het geval en de afgelegde verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tot het valselijk opmaken, dan wel doen opmaken van de werkgeversklaring en de aanvulling daarop. Het voorgaande betekent dat medeplegen van de valsheid in geschrifte bewezen kan worden, aldus de officier van justitie. Ook kan wettig en overtuigend worden bewezen dat [verdachte] de vals opgemaakte stukken heeft gebruikt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit met betrekking tot de feiten 1, 2 en 4.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman primair bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. De aangedragen feiten en omstandigheden rechtvaardigen niet het aannemen van een witwasvermoeden. Contant geld is een wettig betaalmiddel en uit het dossier volgt niet dat er grote betalingen zijn verricht met coupures die in verband kunnen worden gebracht met criminaliteit. De omstandigheid dat de huurders geen legale bron van inkomsten zouden hebben in Nederland en hier geen rechtmatig verblijf zouden hebben maakt dat niet anders. De raadsman heeft ten aanzien van dit punt verwezen naar een arrest van het gerechtshof Amsterdam.3
Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het feit dat in de verhuurde woningen hennepkwekerijen zijn aangetroffen, nog niet met zich brengt dat de huurpenningen die [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] daarvoor hebben ontvangen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Uit het dossier volgt immers dat de hennepkwekerijen steeds geruime tijd na de aanvang van de verhuur en de inontvangstneming van de huurpenningen en borg zijn aangetroffen. Ook bevat het dossier geen informatie over hoelang de kwekerijen reeds in de woningen waren gevestigd, hoeveel (succesvolle) oogsten er zijn geweest en of er ook geld is verdiend. In het verlengde hiervan kan daarom niet worden aangetoond dat de contante gelden zijn betaald vanuit opbrengsten van enig misdrijf. Bovendien is uit onderzoek aan de inbeslaggenomen administratie en onderzoek naar de bankrekeningen gebleken dat de huurpenningen zijn ontvangen en overgeboekt naar de woningeigenaren, waardoor de betalingen niet buiten de boekhouding zijn gehouden. Dit is een contra-indicatie voor een vermoeden van witwassen.
Indien de rechtbank van oordeel is dat een witwasvermoeden kan worden aangenomen, heeft de raadsman bepleit dat [verdachte] en [medeverdachte 2] meermalen zijn gehoord over de verdenking van witwassen en dat feitelijk gezien alleen de huurder kan verklaren wat de herkomst is van de door hem of haar betaalde huurpenningen. Uit het dossier is niet gebleken dat politie en justitie hebben geprobeerd de vier op de tenlastelegging vermelde Albanese huurders te horen. Uiteindelijk zijn er door de verdediging onderzoekswensen ingediend, waarna op de regiezitting van 2 september 2025 is beslist tot het horen van deze vier getuigen. Het feit dat is nagelaten om contact te leggen met de huurders en de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen maakt dat aan verdachte niet kan worden tegengeworpen dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de tenlastegelegde geldbedragen een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden; dan zou verdachte immers geen eerlijk proces hebben.
De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet en/of schuld. [verdachte] had geen wetenschap dat de borg, huurpenningen en/of bemiddelingsprovisie uit enig misdrijf afkomstig zouden zijn en heeft de aanmerkelijke kans daarop ook niet bewust aanvaard. Van aanmerkelijk onvoorzichtig handelen was ook geen sprake. Cashbetalingen zijn niet ongebruikelijk, van alle vier de huurders zijn identiteitspapieren aangetroffen en er werden geen exorbitant hoge huurprijzen gevraagd.
Ook zegt het aantreffen van een hennepkwekerij in een woning niets over de huurpenningen die voorafgaand aan deze ontdekking zijn betaald.
Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat [verdachte] in 2018 al met zijn vader [medeverdachte 1] chatgesprekken voerde over het doorgeven van informatie aan de politie teneinde sluiting van huurwoningen als gevolg van het aantreffen van een hennepkwekerij te voorkomen. Ook zitten er chatgesprekken in het dossier waaruit juist frustratie blijkt als er wel een kwekerij werd aangetroffen.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman primair aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland. Zijn handelen was immers niet gericht op verrijking. De huurprijzen die maandelijks werden betaald voor de woningen waren marktconform en [verdachte] heeft zichzelf niet in een feitelijk gunstiger toestand gebracht dan waarin hij zou hebben verkeerd indien hij aan een legaal in Nederland verblijvende huurder had verhuurd. Er werden betalingen voor borg en huur ontvangen maar dit betrof slechts de gebruikelijke tegenprestatie voor de verhuur van een woning. Van een op illegaliteit gericht verdienmodel is geen sprake geweest.
Subsidiair is geen sprake van (voorwaardelijke) opzet. [verdachte] had geen wetenschap ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het verblijf van de vier op de tenlastelegging genoemde Albanezen. [verdachte] en zijn broer waren niet op de hoogte van het feit dat Albanië niet bij de Europese Unie hoort en dat onderdanen van dit land slechts 90 dagen in Nederland mogen verblijven. Hiernaast is het feit dat er ook huurcontracten zijn afgesloten die wel voorzien waren van identiteitspapieren en contactgegevens een contra-indicatie voor het aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat onderdak zou worden geboden aan illegalen in Nederland.
Tot slot kan de schuldvariant van artikel 197a lid 2 Sr ook niet bewezen worden, aangezien op de verdachten geen verzwaarde onderzoekplicht rustte en [verdachte] geen reden had om te vermoeden dat er mogelijk sprake was van wederrechtelijk verblijf.
Met betrekking tot feit 3 heeft de raadsman geen opmerkingen gemaakt.
Met betrekking tot feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat [verdachte] zowel van het valselijk opmaken, als van het gebruiken van een vals geschrift moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van [verdachte] dat er wel degelijk sprake was van een reëel dienstverband wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 1] en boekhouder [naam 2] . Ook de salarisverhoging kan worden verklaard uit hetgeen [verdachte] en [medeverdachte 1] daarover verklaarden (namelijk dat die is afgesproken in verband met alimentatieverplichtingen van [verdachte] ). Dat er betalingen vanuit [medeverdachte 1] privé zijn gedaan en dat [medeverdachte 1] niet alle details meer even helder voor de geest heeft staan doet daaraan niet af gelet op het tijdsverloop en dat de financiële administratie van [bedrijf 3] B.V. verre van op orde was, hetgeen ook door boekhouder [naam 2] is bevestigd.
Oordeel van de rechtbank 4
- Start onderzoek Crosshair
In 2021 wordt het onderzoek Crosshair opgezet, naar aanleiding van een anonieme brief uit 2019 en TCI-informatie waaruit kort gezegd volgt dat de woningen van [medeverdachte 1] eenvoudig te huur zijn om daarin hennepkwekerijen te zetten. [medeverdachte 1] is via zijn eigen bedrijf [bedrijf 3] B.V. een groot vastgoedbezitter met meer dan 200 panden in Leeuwarden. De zoons van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] , runnen sinds 2017 een bemiddelings- en verhuurbedrijf te weten
V.O.F. [bedrijf 1] dat handelt onder de naam [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).5 Met [bedrijf 2] verhuren [verdachte] en [medeverdachte 2] onder andere de woningen van hun vader, woningen waarvan [medeverdachte 2] (deels) eigenaar is en woningen van andere eigenaren. Uit onderzoek blijkt dat in een aantal panden van de familie [verdachte] hennepkwekerijen of restanten daarvan zijn aangetroffen, waaronder de panden aan [adres] , [adres] , [adres] en in de woning aan [adres] . De huurders van deze vier woningen waren allen afkomstig uit Albanië.
- Bewijsmiddelen
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Feit 1 Witwassen
- Vaststelling van de feiten: (contante) betalingen aan [bedrijf 2] en aantreffen hennepkwekerijen
[verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode, te weten 1 april 2018 tot en met 7 januari 2021, samen met zijn broer [medeverdachte 2] feitelijk leiding heeft gegeven aan het bedrijf [bedrijf 2] . Ook is niet betwist door [verdachte] dat zij met [bedrijf 2] tekort zijn geschoten in het voeren van een adequate administratie met betrekking tot de verhuur van de woningen. Alhoewel zij de bedrijfsvoering inmiddels hebben verbeterd en nu geen contant geld meer aannemen, ontvingen zij in de beginperiode van [bedrijf 2] de huurpenningen deels ook contant. Later is dat minder geworden. Ter terechtzitting heeft [verdachte] een percentage van 10 tot 20% genoemd dat contant zou zijn betaald in de tenlastegelegde periode. 6 Uit de verklaring van [verdachte] bij de politie volgt eveneens dat zij met [bedrijf 2] contante betalingen accepteerden, aangezien zij ook te maken hadden met huurders die het niet via de bank konden betalen. Volgens [verdachte] hadden zij daar geen moeite mee en was het niet zijn taak om uit te zoeken waar het geld vandaan kwam.7 Uit onderzoek aan de bankrekeningen van [bedrijf 2] is gebleken dat er periodiek substantiële hoeveelheden contant geld werd gestort.8
Daarbij is niet betwist door [verdachte] dat de in de tenlastelegging opgenomen personen de Albanese nationaliteit hebben, dat zij de in de tenlastelegging opgenomen woningen telkens voor de in de tenlastelegging genoemde perioden hebben gehuurd en dat daarbij de ten laste gelegde bedragen voor huur en borgsommen zijn betaald. Het innen van de contante betalingen werd gedaan door diegene die op dat moment toevallig aanwezig was bij het bedrijfspand van [bedrijf 2] . Er werd niet gecontroleerd door wie er was betaald, er werd enkel gekeken voor welke woning werd betaald. Bij girale betalingen werd gekeken welk adres in de omschrijving van de transactie stond vermeld.9
Naast de contante betalingen is er sprake geweest van betalingen via een derde namelijk mevrouw [naam 3] . Uit onderzoek naar de afschriften van de bankrekening van [medeverdachte 2] blijkt dat in de periode van juni 2019 tot en met januari 2021 in totaal 12.800,- is betaald aan borg en huur voor de woning aan [adres] (deels eigendom van [medeverdachte 2] ). Dit is deels afkomstig van de bankrekening van [bedrijf 2] , maar een deel van in totaal 4.800,- (zes keer een bedrag van 800,-) is door [naam 3] overgemaakt, waarbij in de omschrijving van de betaling telkens werd vermeld dat het bedrag was bestemd voor de huur van de woning aan [adres] .10
Hiernaast blijkt dat in de periode van juni 2019 tot en met januari 2020 in totaal 8.400,- is betaald aan borg en huur voor de woning aan [adres] (eigendom van [medeverdachte 1] ). Van dit bedrag is 1.600,-(twee keer een bedrag van 800,-) door bovengenoemde [naam 3] overgemaakt aan [medeverdachte 1] (zonder tussenkomst van [bedrijf 2] ). Ten aanzien van beide betalingen werd in de omschrijving de naam van de persoon vermeld die op het huurcontract van deze woning stond ( [huurder 3] ). Ook werd bij één betaling [nickname] genoteerd.11
[naam 3] heeft in 2026 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij huurbetalingen voor andere mensen deed.12 Uit haar verklaring bij de politie in 2021 volgt dat zij meermalen contante geldbedragen ter hoogte van 800,- van een onbekende mevrouw met de achternaam [naam 4] in ontvangst heeft genomen en dat zij tegen een kleine vergoeding deze geldbedragen vervolgens overboekte naar een rekeningnummer met de tenaamstelling [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Deze mevrouw [naam 4] , die het geld afleverde bij haar, gaf aan dat zij de huur weer betaalde voor een vriend van haar.13
In alle vier in de tenlastelegging genoemde woningen is op enig moment een hennepkwekerij aangetroffen.14
- Vaststelling van de feiten: verblijfsrecht Albanese huurders
Uit het dossier is ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen Albanese personen het volgende vast komen te staan.
Aan de heer [huurder 1] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] in Albanië is in de periode van 1 april 2018 tot en met 3 juni 2019 een woning aan [adres] verhuurd.15 Sinds 18 september 2017 heeft hij geen rechtmatig verblijf meer in Nederland.16 Ook had deze persoon geen BSN-nummer.17
Aan de heer [huurder 2] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] in Albanië is in de periode van 1 december 2018 tot en met 3 augustus 2019 een woning aan [adres] verhuurd.18 Op de datum van het ondertekenen van het huurcontract en in het eerste jaar dat huur werd betaald, had hij geen verblijfsvergunning in Nederland.19 Deze persoon had ook geen BSN-nummer.20
Aan mevrouw [huurder 3] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] in Albanië is in de periode van 1 juni 2019 tot en met 6 januari 2020 een woning aan [adres] verhuurd.21 Op de datum van het ondertekenen van het huurcontract en in het eerste jaar dat huur werd betaald had zij geen verblijfsvergunning in Nederland.22 Deze persoon had ook geen BSN-nummer.23
Aan de heer [huurder 4] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] in Albanië is in de periode van 1 juni 2019 tot en met 7 januari 2021 een woning aan [adres] verhuurd. 24 Op de datum van het ondertekenen van het huurcontract en in het eerste jaar dat huur werd betaald had hij geen verblijfsvergunning in Nederland.25 Sinds 24 juni 2019 heeft hij geen rechtmatig verblijf meer in Nederland.26 Deze persoon had ook geen BSN-nummer.27
Ten aanzien van het aannemen van nieuwe huurders heeft [verdachte] verklaard dat een ID-kaart of paspoort voor [bedrijf 2] noodzakelijk was alvorens een huurcontract kon worden afgesloten. Bij voorkeur ontvingen zij ook een bewijs van inkomen van de potentiële huurder, maar het kwam ook voor dat de woning toch werd verhuurd zonder bewijs van enig inkomen, omdat buitenlandse huurders eerst een adres nodig hadden voordat zij bijvoorbeeld een uitkering konden aanvragen. Een nieuwe huurder uit het buitenland had vaak veel contant geld, omdat zij nog geen rekeningnummer of uitkering hadden. Ook heeft hij verklaard dat zij ervan uit gingen dat Albanië bij de Europese Unie hoorde. Een nieuwe huurder werd op vertrouwen en gevoel geselecteerd en zij hadden het achteraf gezien beter moeten controleren.28
Op 7 maart 2023 werden op de website van [bedrijf 2] de Algemene Voorwaarden van [bedrijf 2] geraadpleegd door een verbalisant. Met betrekking tot de situatie dat een opdrachtgever als woningzoekende een woning wil huren werd geconstateerd dat in artikel 3 lid 5 is opgenomen dat de opdrachtgever alle informatie, gegevens en bescheiden verstrekt die noodzakelijk is. Onder deze informatie en bescheiden wordt onder andere verstaan een geldig identiteitsbewijs, geldig bewijs van verblijf in Nederland, recente salarisspecificatie(s), arbeidsovereenkomst, recente bankafschriften (waaruit salarisbetalingen blijken), werkgeversverklaringen en dergelijke.29 [verdachte] heeft verklaard dat deze voorwaarden zijn overgenomen van het online woningplatform [platform] en dat hij zich bewust was van de inhoud van de voorwaarden.30
- Juridisch kader witwassen afkomstig uit enig misdrijf
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder b, Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf.
Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Pas als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig (voorafgaand) misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
- Gerechtvaardigd witwasvermoeden
De rechtbank stelt voorop dat er geen bewijs is voor een specifiek gronddelict voorafgaand aan de tenlastegelegde witwashandelingen ten aanzien van de vier woningen.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of door het openbaar ministerie dusdanige feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen rechtvaardigen dat de voorwerpen het gaat hier om de huurpenningen en borg voor de vier woningen uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De rechtbank stelt vast dat de hierboven bedoelde betalingen contant zijn geschied, ook al staat in het huurcontract dat betalingen via de bank dienden te geschieden. Ten aanzien van twee woningen op de tenlastelegging, [adres] en [adres] , werd de huur ook gedeeltelijk op irreguliere wijze betaald, namelijk via een derde persoon rechtstreeks aan de verhuurder/eigenaar.
Ook is vast komen te staan dat de vier Albanese huurders geen legale inkomsten hadden in Nederland, aangezien zij geen bewijs van inkomen hebben kunnen overleggen en ook geen beschikking hadden over een bankrekening. In het verlengde hiervan is eveneens gebleken dat zij geen werkvergunning hadden.
Voorts is komen vast te staan dat in de verhuurde woningen hennepkwekerijen zijn aangetroffen. Aan de verdediging moet worden toegegeven dat contante bedragen die voorafgaand aan de huur van een specifieke woning zijn betaald, niet de vruchten kunnen zijn van de nadien in die woning aangetroffen hennepkwekerij. Anders dan de verdediging meent kan dat echter wel van belang zijn voor de vraag of sprake is van een vermoeden van witwassen. Het gaat hier immers om contante geldbedragen, afkomstig van illegale Albanezen, die zoals later dan blijkt in verband kunnen worden gebracht met hennepteelt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat de betalingen die de verdachten hebben ontvangen met betrekking tot de vier op de tenlastelegging benoemde huurwoningen afkomstig zijn geweest uit enig misdrijf.
- Verklaring verdachte
[verdachte] heeft zelf niet verklaard over de herkomst van de contante gelden.
Op de regiezitting van 2 september 2025 is de strafzaak verwezen naar de rechter-commissaris, om nader onderzoek te verrichten door het horen van de vier op de tenlastelegging genoemde personen: [huurder 1] , [huurder 2] , [huurder 3] en [huurder 4] . Op 13 april 2026 heeft de rechter-commissaris, na meerdere inspanningen, geoordeeld dat er sprake is van een feitelijke onmogelijkheid om deze Albanese getuigen te kunnen horen, waardoor de pogingen daartoe zijn gestaakt. Het voorgaande brengt met zich dat deze Albanese huurders niet zijn bevraagd over de betalingen die zijn verricht in het kader van de woningen die zij destijds huurden. Gelet op deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat de betalingen afkomstig zijn geweest uit enig misdrijf, nu een andere verklaring of uitleg waaruit de legale herkomst van de betalingen zou volgen niet uit het dossier is gebleken.
Naar het oordeel van de rechtbank staat het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht van deze personen niet in de weg aan deze conclusie en wordt daarmee het recht op een eerlijk proces niet geschonden. Daarbij is van belang dat het niet gaat om personen die een belastende verklaring hebben afgelegd (zogenoemde Keskin-getuigen).
- Voorwaardelijk opzet
De vervolgvraag waar de rechtbank zich over buigt is de vraag of er sprake is van (voorwaardelijk) opzet.
Vast is komen te staan dat de vier op de tenlastelegging genoemde Albanese huurders geen legale inkomsten hadden in Nederland en dat zij vanwege hun nationaliteit niet in Nederland mochten werken. Ook kunnen zij in verband worden gebracht met hennepteelt.
De verdachten hadden jarenlang de boekhouding en de administratie bij [bedrijf 2] niet op orde, terwijl zij wel buitenlandse huurders accepteerden zonder daarbij de controles uit te voeren die zij eigenlijk in hun eigen Algemene Voorwaarden wel hadden vastgelegd. Vervolgens werden, in tegenstelling tot hetgeen was opgenomen in de huurcontracten, contante betalingen geaccepteerd en bleven ze die ook accepteren.
Door de verdachten is aangevoerd dat zij niet wisten dat Albanië geen onderdeel uitmaakt van de Europese Unie en dat zij eveneens niet wisten dat deze personen daarom niet zomaar in Nederland mogen werken en verblijven. De rechtbank overweegt dat iedereen weet dat de Europese Unie niet uit alle Europese landen bestaat en dat niet mag worden uitgegaan van het criterium dat een Europeaan zonder meer zomaar in Nederland mag verblijven. In het verlengde hiervan runnen de verdachten een professioneel verhuur- en bemiddelingsbedrijf, waarvan verwacht mag worden dat zij zich juist oriënteren op de toepasselijke wet- en regelgeving, te meer nu de verdachten zelf ook verklaren dat zij veelal woningen verhuren aan buitenlandse personen.
Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de door de verdediging aangevoerde contra-indicaties, die erop neerkomen dat onderzoek aan de telefoons van [medeverdachte 2] en [verdachte] niet heeft aangetoond dat zij hennepkwekerijen hebben gefaciliteerd of daar wederrechtelijk voordeel van hebben genoten. Uit het contact tussen de verdachten onderling is juist gebleken van veel frustratie als er een kwekerij werd ontdekt, aangezien de woning dan werd gesloten voor een lange periode en er inkomsten werden misgelopen.
Het voorgaande laat echter onverlet dat [medeverdachte 2] en [verdachte] , door het meermalen ontvangen van contante geldbedragen en accepteren van gelden via derden, bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat deze betalingen ten aanzien van de vier woningen in de tenlastelegging van misdrijf afkomstig waren.
De rechtbank wordt in deze overtuiging gesterkt door het feit dat op 3 juni 2019 aan [adres] een hennepkwekerij werd aangetroffen. De woning werd gehuurd door [huurder 1] en tijdens de ontmanteling van de hennepkwekerij werden drie Albanezen op heterdaad aangetroffen, waaronder [huurder 3] en [huurder 4] . Vast is komen te staan dat [bedrijf 2] heeft bemiddeld bij de verhuur van twee woningen, [adres] (huurcontract vanaf 1 juni 2020) en [adres] (huurcontract vanaf 1 juni 2019), aan [huurder 3] respectievelijk [huurder 4] . In beide woningen zijn vervolgens op een later moment hennepkwekerijen aangetroffen, namelijk op 6 januari 2020 en 7 januari 2021. De verdachten zijn dus na de ontdekking van de hennepkwekerij aan [adres] contante betalingen blijven accepteren van dezelfde (type) huurders, terwijl zij op de hoogte waren van de hennepproblematiek in de door hen verhuurde woningen.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat voorwaardelijk opzet op het witwassen van huurpenningen en de borg wettig en overtuigend kan worden bewezen (feit 1 primair).
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet naar voren gekomen dat de verdachten bemiddelingsprovisie hebben ontvangen, zodat partiële vrijspraak voor dat onderdeel van de tenlastelegging zal volgen.
- Gewoontewitwassen
De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet kan worden bewezen. In de betrekkelijk lange ten laste gelegde periode van bijna drie jaar zijn ten aanzien van vier woningen de huurpenningen en borgsommen witgewassen. Uitgaande van de verklaring van [verdachte] is [bedrijf 2] betrokken geweest bij de verhuur dan wel verkoop van 1200 panden, zodat het percentage van de woningen waarbij de hiervoor genoemde gelden zijn witgewassen laag is. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van het maken van een gewoonte van witwassen.
- Medeplegen
Gelet op het feit dat [verdachte] in de tenlastegelegde periode samen met [medeverdachte 2] leiding gaf aan het bedrijf [bedrijf 2] en dat vast is komen te staan dat zij allebei betalingen voor huur en/of borgsommen ontvingen, omdat het steeds wisselend was wie er op kantoor verbleef als de contante bedragen werden afgegeven, acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2 - Mensensmokkel, behulpzaam zijn bij het (verschaffen van) verblijf in Nederland
De rechtbank constateert - in navolging van hetgeen is overwogen onder feit 1 en onder verwijzing naar de bewijsmiddelen opgenomen in de voetnoten 16, 19, 22 en 26 - dat het verblijf van de op de tenlastelegging onder feit 2 genoemde personen in Nederland wederrechtelijk was. Immers, een persoon, die géén onderdaan is van een land behorende tot de Europese Unie zoals Albanië, en die geen verblijfsvergunning heeft, mag maximaal 90 dagen in Nederland verblijven. Gelet op de verklaringen van [verdachte] betaalden de Albanese huurders maandelijks de huur en daarnaast hadden zij ieder een huurcontract van minimaal 12 maanden, zodat het verblijf van elk van hen wederrechtelijk was.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van handelen uit winstbejag. De verdachten hebben woningen aan illegale Albanese huurders verhuurd en daartoe (van hen) gelden ontvangen.31 Dat de huurprijzen marktconform waren en niet is gebleken dat zij extra vergoedingen ontvingen, maakt dat oordeel niet anders. Immers, het verhuren van de woningen was gericht op winst en niet op het slechts dekken van de gemaakte kosten. Anders dan de raadsman kennelijk veronderstelt behoeft het winstoogmerk niet specifiek te zijn gericht op de illegaliteit van de Albanese huurders; een zodanig strikte uitleg van dit bestanddeel vindt geen steun in het recht en zou ook slecht
passen bij een culpoze variant van behulpzaamheid van illegaal verblijf.
[medeverdachte 2] en [verdachte] hebben vanuit [bedrijf 2] bemiddeld bij de verhuur van woningen aan de in de tenlastelegging opgenomen Albanese huurders, waarvan vast is komen te staan dat deze huurders in de tenlastegelegde periode niet rechtmatig in Nederland verbleven. Hiernaast is vast komen te staan dat verdachten de Algemene Voorwaarden van [bedrijf 2] , inhoudende dat er meerdere gegevens (waaronder een verblijfsvergunning en een bewijs van inkomen) zijn vereist alvorens een contract kon worden afgesloten, meermalen niet hebben nageleefd. Ook nadat zij bekend raakten met de hennepproblematiek in de door hen verhuurde woningen, hebben zij het verhuurbeleid niet aangescherpt of het toezichtbeleid hierop verbeterd. Van de verdachten mocht worden verwacht dat zij informatie inwonnen over het antwoord op de vraag of deze personen in Nederland voor hun verblijf al dan niet een verblijfsvergunning nodig hadden en, zo ja, of zij daarover beschikten. Door dit niet te doen hebben de verdachten de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat zij illegale huurders in Nederland huisvestten.
Concluderend verwerpt de rechtbank de verweren van de verdediging en acht zij wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, in de hoedanigheid van woningverhuurder en bemiddelaar, uit winstbejag meerdere persoon behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland (feit 2 primair). In navolging van hetgeen overwogen bij feit 1 kan, gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten en de bedrijfsvoering van [bedrijf 2] , medeplegen ook worden bewezen.
Feit 3 Valsheid in geschrift huurovereenkomst woonruimte
Verdachte heeft bekend dat hij het onder feit 3 ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierna blijkt uit de bewezenverklaring. Door hem is niet om vrijspraak van het feit gevraagd. De rechtbank volstaat, op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen zonder de inhoud ervan weer te geven:
Feit 4 Valsheid in geschrift werkgeversverklaring en aanvulling
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat het feit in beide varianten niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
De rechtbank overweegt allereerst dat uit de verklaring van [verdachte] volgt dat hij vanaf 1 november 2018 in loondienst was bij [bedrijf 3] B.V. en dat hij daar werkzaamheden verrichte, waarbij het niet ongebruikelijk was dat deze werkzaamheden overlap vertoonden met de werkzaamheden voor [bedrijf 2] . Uit de bankafschriften blijkt dat [verdachte] vanaf de privérekening van [medeverdachte 1] loonbetalingen ontving en dat [medeverdachte 1] bij de eerste loonbetaling op 14 december 2019 in de omschrijving vermeldde dat het bedrag van 2.200,- bedoeld was voor de loonbetaling over de maand november 2018. In de drie maanden hierna ontving [verdachte] steeds een bedrag van 2.200,- vanaf de privérekening van [medeverdachte 1] . Het feit dat het loon werd betaald op ongebruikelijke momenten en niet vanaf de
rekening van [bedrijf 3] B.V. doet niet af aan het gegeven dat [verdachte] loon ontving voor zijn werkzaamheden. Daarnaast is vast komen te staan dat deze betalingen ruimschoots voorafgaand aan de hypotheekaanvraag (en de indiening van de benodigde aanvullende documenten) hebben plaatsgevonden.
Daarbij blijkt uit een verzekeringsbericht van het UWV gedateerd 27 maart 2019 dat [verdachte] in de periode van 1 november 2018 tot en met 31 maart 2019 werkzaam is geweest bij [bedrijf 3] B.V. voor 173 uren per maand en dat in deze periode ook premies zijn afgedragen. Ook wordt de stelling dat er géén sprake is van een fictief dienstverband ondersteund door de verklaringen van derden en medebetrokkenen. [medeverdachte 1] heeft bij de rechter-commissaris bevestigd dat [verdachte] daadwerkelijk bij zijn bedrijf heeft gewerkt, dat hij specifieke werkzaamheden heeft verricht en dat hij ook premies heeft moeten afdragen. Boekhouder [naam 2] heeft eveneens verklaard dat [verdachte] een periode voor het bedrijf van [medeverdachte 1] heeft gewerkt. [medeverdachte 2] , de broer van [verdachte] en tevens vennoot van [bedrijf 2] , heeft verklaard bij de rechter-commissaris dat [verdachte] bij het bedrijf werd aangenomen voor het financiële beheer en dat hij een voltijd baan had bij [bedrijf 3] B.V.
Alles in overweging genomen is niet komen vast te staan dat er sprake zou zijn van een fictief dienstverband. Ook is niet komen vast te staan dat de in de werkgeversverklaring opgenomen passage dat [verdachte] 40 uren per week werkzaam was voor [bedrijf 3] B.V. en de aanvulling hierop dat er geen voornemens waren het dienstverband binnenkort te beëindigen vals zijn, aangezien dit niet wordt ondersteund door enig bewijsmiddel. Het feit dat het dienstverband van hem bij [bedrijf 3] B.V. op 31 mei 2019, nog geen maand na het opstellen van de werkgeversverklaring, werd beëindigd is opvallend, maar betekent nog niet dat de werkgeversverklaring op 1 mei 2019 valselijk moet zijn opgemaakt. Voor het feit dat het dienstverband is beëindigd voordat de beloofde salarisverhoging in kon gaan geldt hetzelfde.
Het voorgaande brengt met zich dat [verdachte] wordt vrijgesproken van het onder 4 in beide varianten ten laste gelegde feit.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1 primair, 2 primair en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1. primair
hij in de periode van 1 april 2018 tot en met 7 januari 2021 te Leeuwarden en Sneek tezamen en in vereniging met een natuurlijk persoon en rechtspersoon meermalen, al dan niet als vennoten van het bedrijf V.O.F. [bedrijf 1] , handelende onder de naam [bedrijf 2] Leeuwarden, van meer voorwerpen te weten contante geldbedragen, zijnde huurpenningen en borg, namelijk
a. a) in de periode van 1 april 2018 tot en met 3 juni 2019 in totaal 10.500, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 1] ), en
in de periode van 1 december 2018 tot en met 3 augustus 2019 in totaal 2.760, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 2] ), en
in de periode van 1 juni 2019 tot en met 6 januari 2020 in totaal 8.400, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 3] ), en
in de periode van 1 juni 2019 tot en met 7 januari 2021 in totaal 16.800, met betrekking tot [adres] (huurder [huurder 4] ), zijnde in totaal 38.460,
heeft verworven en voorhanden gehad en heeft overgedragen, terwijl verdachte en zijn medeverdachte wisten dat die voorwerpen afkomstig waren van enig misdrijf.
2. primair
hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 april 2018 tot en met 7 januari
2021 te Leeuwarden en Sneek, telkens tezamen en in vereniging met een natuurlijke persoon en rechtspersoon, al dan niet als vennoten van het bedrijf V.O.F. [bedrijf 1] , handelende onder de naam [bedrijf 2] Leeuwarden, anderen, te weten
a. a) [huurder 1] , geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , Albanese nationaliteit, en
[huurder 2] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , Albanese nationaliteit, en
[huurder 3] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , Albanese nationaliteit, en
[huurder 4] , geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] , Albanese nationaliteit, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en
voornoemde personen daartoe uit winstbejag gelegenheid heeft verschaft, terwijl verdachte en zijn medeverdachte wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte,
a. a) in de periode van 1 april 2018 tot en met 3 juni 2019, een woning aan [adres] verhuurd aan voornoemde [huurder 1] , die illegaal in Nederland verbleef, en
in de periode van 1 december 2018 tot en met 3 augustus 2019, een woning aan [adres] verhuurd aan voornoemde [huurder 2] , die illegaal in Nederland verbleef, en
in de periode van 1 juni 2019 tot en met 6 januari 2020, een woning aan [adres] verhuurd aan voornoemde [huurder 3] ), die illegaal in Nederland verbleef, en
in de periode van 1 juni 2019 tot en met 7 januari 2021, een woning aan [adres]
verhuurd aan voornoemde [huurder 4] , die illegaal in Nederland verbleef,
terwijl dit feit telkens werd begaan in de uitoefening van zijn beroep, te weten als vennoot van genoemde rechtspersoon en als bedrijfsmatige verhuurbemiddelaar.
hij op 18 januari 2023 te Leeuwaren een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een digitale versie van een formulier Huurovereenkomst woonruimte met betrekking tot [adres] , valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk en in strijd met de waarheid op dat geschrift weergegeven dat de huurder zou zijn [naam 1] en als ondertekendatum 1 oktober 2022 en die overeenkomst meermalen van een valse ondertekening of paraaf bij huurder voorzien, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. primair medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;
2. primair een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep en terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd;
3. valsheid in geschrift.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake alle ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een taakstraf aan verdachte. Gelet op de oriëntatiepunten en jurisprudentie ten aanzien van de ten laste gelegde feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet aan de orde. Daarnaast is er sprake van overschrijding van de redelijke termijn met ruim een jaar, welke gecompenseerd dient te worden middels strafkorting. Tot slot dient rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de context waarin de feiten zijn gepleegd.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 25 februari 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte runt sinds 2017 met medeverdachte en broer [medeverdachte 2] een onderneming gespecialiseerd in de aan- en verhuur van woningen in voornamelijk Leeuwarden. In die hoedanigheid heeft hij zich sinds 1 april 2018 samen met
zijn medeverdachte gedurende een periode van bijna drie jaar schuldig gemaakt aan opzetwitwassen van een bedrag van in totaal 38.460,-. Zij hebben in dat verband grote bedragen aan contante betalingen van huurpenningen en borgsommen voor door hen verhuurde woningen aangenomen, waarbij zij de aanmerkelijke kans op de criminele herkomst van deze bedragen steeds op de koop toe hebben genomen. Door dit handelen heeft verdachte opbrengsten uit misdrijf aan het zicht van justitie onttrokken. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten bevorderd, vergemakkelijkt en in stand gehouden. Het vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer ernstig aan.
Daarnaast is verdachte, samen met zijn medeverdachte, meermalen behulpzaam geweest bij het zich verschaffen van illegaal verblijf in Nederland door het verhuren van woningen aan vier niet-rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Door zo te handelen heeft de verdachte het Nederlandse vreemdelingenbeleid, dat onder meer gericht is op de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland, doorkruist.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door op een huurovereenkomst de datum en meermalen een handtekening te vervalsen. Vervolgens heeft verdachte het vervalste huurcontract opgestuurd naar de politie. In het maatschappelijke verkeer wordt aan de betrouwbaarheid van schriftelijke bewijsstukken groot gewicht toegekend. Door valse stukken op te maken en te gebruiken heeft verdachte het vertrouwen dat in die stukken moet kunnen worden gesteld beschaamd.
Documentatie
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 12 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Gelet op een veroordeling in 2019 is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.
Persoon van verdachte
Naast de ernst van de feiten houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat het recidiverisico, op basis van de grotendeels ontkennende houding, laag wordt ingeschat. Indien de rechtbank tot een veroordeling komt worden de leefgebieden dagbesteding, financiën, familierelaties, sociaal netwerk en houding als delictgerelateerd beschouwd. Uit het rapport en hetgeen ter terechtzitting besprokene blijkt verder dat verdachte een stabiel leven lijdt. Hij beschikt over huisvesting, heeft drie kinderen en is niet bekend met schulden, problematisch middelengebruik of psychische problemen. Bovendien zou de bedrijfsvoering en het verhuurbeleid van [bedrijf 2] in positieve zin zijn verbeterd en aangescherpt. Zij ontvangen daarnaast alleen nog maar girale betalingen en accepteren geen automatische incassobetalingen meer. Gelet op het bovenstaande ziet de reclassering geen aanknopingspunten voor reclasseringsinterventies in een verplicht kader.
Tijdsverloop
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop tussen de gepleegde feiten en de behandeling ter zitting. In artikel 6, eerste lid, van het EVRM is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn van in beginsel twee jaren te worden berecht. In dit geval is de redelijke termijn overschreden. Naar vaste rechtspraak moet overschrijding van die redelijke termijn in beginsel tot strafvermindering leiden.
Op te leggen straf
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf voor de duur van 180 uren passend en geboden is. Hoewel de aard en de ernst van de feiten in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf rechtvaardigen, zal de rechtbank hiervan afzien. De rechtbank weegt daarbij in sterke mate mee dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat de bedrijfsvoering bij [bedrijf 2] in positieve zin is verbeterd.
Benadeelde partij
Ten aanzien van feit 4
De Volksbank heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.920,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu de vereiste machtiging ontbreekt
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op de reeds bepleite vrijspraak maar ook op grond van het feit dat een machtiging ontbreekt en de vordering in zijn algeheel onvoldoende is onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De vordering is op 20 februari 2025 door [benadeelde] ingediend namens De Volksbank. Bij de vordering zit echter geen uittreksel van de Kamer van Koophandel en een volmacht, waaruit blijkt dat [benadeelde] bevoegd was tot indiening van het verzoek tot schadevergoeding namens de benadeelde partij.
Bovendien acht de rechtbank het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal de vordering om deze redenen niet-ontvankelijk verklaren.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 63, 197a, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder feit 1 primair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een taakstraf voor de duur van 180 uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.
Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.
Ten aanzien van feit 4
Verklaart de vordering van de Volksbank niet-ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de veroordeelde en de benadeelde partij ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. H. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. S.J. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.
Mr. L.W. Janssen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Tevens handelend onder de naam [bedrijf 4] .
2 Ook wel V.O.F. [bedrijf 1] .
3 Gerechtshof Amsterdam 3 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3684.
4 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpaginas betreft dit delen van ambtsedige
processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier van de Politie Noord-Nederland met BVH-nummer 2024032626 (onderzoek CROSSHAIR / NNRAD21001), gesloten op 9 februari 2024, digitaal doorgenummerd in 13 ordners van pagina 1 tot en met 2260. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
5 V.O.F. handelt tevens onder de naam [bedrijf 2] .
6 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026.
7 Ordner 11, pagina 1816.
8 Ordner 5, pagina 886.
9 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026.
10 Ordner 5, paginas 867 tot en met 869.
11 Ordner 5, pagina 839.
12 Het proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 9 april 2026, pagina 2 en 3
(afzonderlijk in het dossier gevoegd).
13 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 februari 2021, pagina 4 tot en met 7 (afzonderlijk in
het dossier gevoegd).
14 Ordner 4, pagina 604 en ordner 3, paginas 430 en 431.
15 Ordner 3, pagina 461 en ordner 4, paginas 604 en 622.
16 Ordner 3, paginas 461 en 463.
17 Ordner 4, pagina 622.
18 Ordner 3, pagina 452 en ordner 4, pagina 495.
19 Ordner 3, pagina 454.
20 Ordner 4, pagina 623.
21 Ordner 3, pagina 452 en ordner 4, pagina 497.
22 Ordner 3, pagina 454.
23 Ordner 4, pagina 623.
24 Ordner 3, pagina 452 en ordner 4, pagina 496.
25 Ordner 3, pagina 454.
26 Ordner 3, pagina 455.
27 Ordner 4, pagina 624.
28 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026.
29 Ordner 3, paginas 467 en 469.
30 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026.
31 Vgl. de zaken bij het gerechtshof Amsterdam 18 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5601 en de rechtbank
Rotterdam 26 november 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:12976, waarin het winstbejag bij de verhuur van woningen aan Albanezen werd aangenomen.
32 Ordner 2, paginas 213 tot en met 221.
33 Ordner 6, paginas 1002 en 1006.
34 Ordner 11, paginas 1903, 1904 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 juni 2026.