RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [plaats], verzoeker
de burgemeester van Coevorden, de burgemeester
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/2789
(gemachtigde: mr. O. Smits),
en
(gemachtigde: mr. E.S.A. Smit).
Procesverloop
1. Bij besluit van 25 augustus 2026 heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten om de woning met de garage van verzoeker aan de [adres] in [plaats] voor de duur van zes maanden te sluiten.
Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.
3. Verzoeker heeft betoogd dat hij spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening omdat de burgemeester heeft aangekondigd dat zijn woning met de garage op 31 augustus 2026 wordt gesloten. De vraag of de voorlopige voorziening moet worden getroffen, kan op dit moment zonder zitting niet direct inhoudelijk worden beoordeeld. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om een ordemaatregel te treffen. Daarvoor weegt de voorzieningenrechter de betrokken belangen van verzoeker en de burgemeester af. Die ordemaatregel betekent dat de burgemeester de woning met de garage van verzoeker niet op de aangekondigde datum mag sluiten. Aan het belang van de burgemeester wordt tegemoetgekomen door op 2 september 2026 een zitting te houden waar zal worden onderzocht of aanleiding bestaat om de getroffen voorziening op te heffen of te wijzigen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
draagt de burgemeester van Coevorden bij wijze van voorlopige voorziening op om niet over te gaan tot sluiting van de woning met de garage aan de [adres] te [plaats] totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: