proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
26 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseressen], uit [plaats], eiseressen,
(gemachtigde: mr. A. Kwint-Ocelikova),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, het college
(gemachtigde: mr. C. Post).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [vergunninghouders] (vergunninghouders) en [betrokkene] (bewoner woonunit), allen uit [plaats].
Zitting hebben: mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.
Verschenen zijn:
[naam] en de gemachtigde mr. A. Kwint-Ocelikova namens eiseressen.
De gemachtigde mr. C. Post namens het college.
[naam] en [naam] en de gemachtigde mr. C. Dijkstra namens de derde-partij.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep van eiseressen niet-ontvankelijk.
Motivering beslissing
1. De rechtbank verklaart het beroep van eiseressen niet-ontvankelijk en zal hieronder uitleggen waarom.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseressen tegen het verlenen van een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een woonunit op het adres [adres] in [plaats] (het perceel).
De rechtbank moet in alle zaken eerst beoordelen of procesbelang aanwezig is. De vraag of sprake is van procesbelang moet worden beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Er is voldoende procesbelang als het resultaat dat met de procedure wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis kan hebben. Het kan niet gaan om een alleen hypothetische of principiële betekenis. Zo is het bijvoorbeeld onvoldoende als alleen kan worden vastgesteld dat in een eerder besluit fouten zijn gemaakt en dat besluit zo niet had mogen worden genomen.
In dit geval is de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waar het beroep tegen is ingesteld al verlopen en is er inmiddels al een nieuwe omgevingsvergunning afgegeven. Daar zijn ook alweer rechtsmiddelen tegen ingesteld. Die omgevingsvergunning is verstrekt onder het nieuwe regime van de Omgevingswet. Daarvoor gelden dus niet meer precies dezelfde regels. Ook de feitelijke situatie is inmiddels ook veranderd. Zo is er een omgevingsvergunning verstrekt voor de woning, wordt de woning ook al gebouwd, en is er een GBA-inschrijving. Een uitspraak over de geldigheid van de eerdere en al verlopen omgevingsvergunning, is daarom niet één op één van betekenis voor de beslissing op het bezwaar tegen die nieuwe omgevingsvergunning.
De gemachtigde van eiseressen heeft verwezen naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Zij betoogt dat er nog procesbelang aanwezig is vanwege de nog te nemen beslissing over de latere aanvraag (waarop de opvolgende en nog geldende omgevingsvergunning is afgegeven). De genoemde Afdelingsuitspraak heeft een ander wettelijk kader dan deze zaak. Ook valt uit die uitspraak niet af te leiden welk wettelijk kader van toepassing is op de (in die uitspraak onder 4.2 genoemde) nieuwe aanvragen en of dat verschilt van het kader dat van toepassing is in die procedure. Dit betoog van eiseressen slaagt daarom niet.
De rechtbank komt in deze procedure tot de conclusie dat eiseressen niet kunnen bereiken wat zij met deze procedure willen bereiken. Als de rechtbank wel procesbelang zou aannemen en tot vernietiging van het bestreden besluit zou komen, zouden eiseressen daarmee namelijk niets opschieten, want het herstellen van het al verlopen besluit heeft geen enkele zin meer. Daarmee is niet duidelijk wat eiseressen nog kunnen bereiken met deze procedure. Er is ook geen vergoeding gevraagd voor schade die door het eerdere besluit zou zijn geleden. Dit betekent dat het procesbelang van deze procedure is weggevallen.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Als een partij het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank, kan deze partij binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026 door mr. C.S. Schür, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: