RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 september 2026 in de zaak tussen
[naam] uit [woonplaats] ,
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Centraal Orgaan opvang asielzoekers,
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/2556
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten, het college,
(gemachtigden: mr. R.S. Klaver en C. Heutink)
uit ’s-Gravenhage, het COA,
(gemachtigde: mr. L. van Els).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een drietal omgevingsvergunningen die het college heeft verleend aan het COA ten behoeve van het gebruik van een tijdelijk asielzoekerscentrum (AZC) op het perceel plaatselijk bekend [adres] . Het AZC zal met ingang van 8 september 2026 in gebruik worden genomen en verzoeker is het daar niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het belang van het COA om het AZC in gebruik te kunnen nemen, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij het voorkomen van ingebruikname totdat op zijn beroep is beslist.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
Het college heeft met drie besluiten omgevingsvergunningen verleend voor het vestigen van een tijdelijk AZC te Nuenen .
Met het bestreden besluit op bezwaar van 12 maart 2026 heeft het college de verleende omgevingsvergunningen in stand gelaten met verbetering van de motivering ten aanzien van sociale veiligheid, locatiekeuze, geluid en de vraag of het gaat om een stedelijk ontwikkelingsproject. Verder zijn voorschriften toegevoegd. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 26/1073. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter (nogmaals) gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van het COA.
Vooraf
De zaak draait om drie omgevingsvergunningen die het college op 1 september 2025 aan het COA heeft verleend voor het vestigen van een tijdelijk AZC op het perceel [adres] . Het gaat om vergunningen voor:
- De activiteit planologische afwijking van het bestemmingsplan;
- De activiteit bouwen en voor de technische bouwactiviteit voor het oprichten van twee tijdelijke woongebouwen en het aanleggen van een tijdelijke uitweg; en
- De activiteit bouwen en de voor de technische bouwactiviteit voor een tijdelijk dienstengebouw en bijgebouwen.
Tegen deze vergunningen heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 26 november 2025 alleen de omgevingsvergunning voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan geschorst tot en met zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Met andere woorden: het COA mocht wel bouwen, maar het AZC nog niet in gebruik nemen.
Vervolgens heeft het college op 12 maart 2026 een besluit op bezwaar genomen. Het college heeft de vergunningen in stand gelaten met verbetering van de motivering. Wel heeft het college aan de vergunning voor afwijkend gebruik een aantal voorschriften toegevoegd. Het gaat onder andere om beveiliging die 24/7 aanwezig moet zijn en dat de opvanglocatie 24 uur per dag telefonisch bereikbaar is voor direct omwonenden, inwoners en operationele diensten.
Vervolgens heeft verzoeker tegen dit besluit van het college beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij de uitspraak van 25 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker afgewezen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de verleende omgevingsvergunningen evident onrechtmatig zijn. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat de belangen van het college en het COA bij het realiseren van de tijdelijke opvanglocatie zwaarder wegen dan de belangen van verzoeker bij het voorkomen daarvan. Dat betekent dat de bouw van het AZC verder kan gaan en dat het AZC ook in gebruik kan worden genomen.
Verzoeker heeft nu een nieuw (tweede) verzoek om een voorlopige voorziening ingediend dat samenhangt met het in overweging 3.5 genoemde beroep dat is geregistreerd onder nr. 26/1073. De bodemzaak wordt op 13 oktober 2026 op zitting behandeld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Spoedeisend belang
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van zo’n spoedeisende situatie dat een beslissing in de hoofdzaak - in dit geval een uitspraak op het beroep - niet kan worden afgewacht.
Het COA wil op 8 september 2026 het AZC in gebruik nemen. Zij heeft op de zitting aangegeven dat zodra het AZC in gebruik is genomen, de mensen die daar worden opgevangen niet zomaar elders herplaatst kunnen worden. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij zijn verzoek.
Nieuwe feiten en omstandigheden / belangenafweging
Verzoeker heeft eerder verzocht het besluit te schorsen, omdat hij wil voorkomen dat zijn sociale veiligheid wordt aangetast door de realisatie van het AZC. Bij voormelde uitspraak van 25 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel gegeven over het beroep van verzoeker en overwogen dat aanleiding bestaat het verzoek af te wijzen.
Verzoeker heeft na ontvangst van stukken die hij aan hem zijn verstrekt op grond van een Woo-verzoek, opnieuw verzocht om het besluit van 12 maart 2026 (het bestreden besluit) te schorsen.
Verzoeker voert aan dat uit de verkregen stukken blijkt dat niet voldaan kan worden aan de geluidsvoorschriften uit de omgevingsvergunning en de wettelijke zorgplicht voor een veilige fysieke leefomgeving. Ook vraagt hij om mee te wegen dat door het college cruciale informatie wordt achtergehouden. Hij heeft diverse documenten over fysieke en sociale veiligheid (brandveiligheidsrapportages, de bluswaterplannen en concrete afspraken over politiecapaciteit) opgevraagd met een Woo-verzoek, maar deze zijn nog niet verstrekt. De uiterste termijn voor openbaarmaking is 10 september 2026 terwijl de ingebruikname van het AZC op 8 september 2026 is. Dat houdt in dat pas na de ingebruikname van het AZC op zijn verzoek een besluit wordt genomen, dan is al sprake van een voldongen feit, aldus verzoeker.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker ten opzichte van de eerder gevoerde voorlopige voorzieningenprocedure, geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. Het stelt dat de voorzieningenrechter het verzoek daarom niet-ontvankelijk moet verklaren.
De beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening is bedoeld om te gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure. Dat betekent dat verzoeker bij een herhaald verzoek om een voorlopige voorziening, zoals in deze zaak, een terecht beroep moet kunnen doen op nieuwe feiten en omstandigheden. Maar daargelaten of verzoeker in deze zaak een beroep kan doen op nieuwe feiten en omstandigheden, acht de voorzieningenrechter het niet aangewezen om in deze voorlopige voorzieningenprocedure gezien de korte termijn waarop de zitting in de bodemzaak is gepland, vooruit te lopen op het oordeel dat de rechtbank daarover in de bodemprocedure zal moeten geven. De voorzieningenrechter beslist daarom op grond van een belangenafweging. Daarbij zal zij meenemen of hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, reden is om af te wijken van de hiervoor vermelde uitspraak van 25 juni 2026.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de stellingen van verzoeker blijkt dat het hem met de verzochte voorlopige voorziening uitsluitend gaat om het beoogde gebruik van het AZC met ingang van 8 september 2026. Hij vreest nog steeds voor zijn sociale veiligheid. Zeker nu volgens hem uit de door hem verkregen stukken van de politie blijkt van een acuut handhavings- en veiligheidsvacuüm. De veiligheid van de omwonenden kan volgens hem niet worden gegarandeerd. Verzoeker vreest als dit gebruik eenmaal is aangevangen, het college niet meer zal aansturen op beëindiging daarvan. Zelfs als de uitkomst in de bodemprocedure is dat de verleende omgevingsvergunning onrechtmatig is omdat deze gebreken bevat die zien op de geluidsnormen en technisch bouwen. Volgens verzoeker zal niet meer objectief naar de zaak worden gekeken omdat de impact van een beëindiging van een AZC dat in gebruik is genomen, groter is dan in de situatie dat het AZC nog niet in gebruik is genomen.
Het COA heeft naar voren gebracht dat hij er nog steeds een groot belang bij heeft om het AZC met ingang van 8 september 2026 in gebruik te nemen.
De voorzieningenrechter overweegt dat zij in hetgeen verzoeker in deze procedure naar voren heeft gebracht, geen reden ziet om van het eerder gegeven oordeel van de voorzieningenrechter af te wijken. Afgezien van de vraag of verzoeker de juiste conclusies heeft getrokken uit de stukken die de politie aan hem heeft verstrekt in het kader van zijn Woo-verzoek, beoogt het COA met de ingebruikname van het AZC om mensen die asiel hebben aangevraagd op te vangen. Dit is wat de omgevingsvergunning toestaat en niet het veroorzaken van sociale onveiligheid. Het COA heeft verder op de zitting verklaard dat als omwonenden overlast ervaren, haar medewerkers gesprekken zullen voeren met de daarvoor verantwoordelijk persoon. Als dat niet voldoende is dan zijn er nog andere maatregelen mogelijk zoals een (tijdelijke) overplaatsing naar een andere locatie, aldus het COA.
Daarbij overweegt de voorzieningenrechter verder dat geen enkele maatregel of handhavingsinzet 100% zekerheid biedt op het voorkomen van incidenten. Van belang is dat de risico’s op overlast en onveiligheid zijn onderkend en voldoende worden beperkt. Daarbij sluit de voorzieningenrechter zich aan bij hetgeen in de vorige voorlopige voorziening is overwogen. In de eerder uitspraak van 25 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter daarover geoordeeld dat niet is gebleken dat de sociale veiligheid van verzoeker niet voldoende bestuursrechtelijk geborgd is in de omgevingsvergunning voor het gebruik in afwijking van het bestemmingsplan door middel van het veiligheidsplan en door de afspraken met betrekking tot het omwonendenoverleg.
Voorzover verzoeker betoogt dat uit de door hem ontvangen stukken volgt dat de besluitvorming gebreken kent, omdat niet voldaan kan worden aan de geluidsvoorschriften uit de omgevingsvergunning, stuit dit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter af op het relativiteitsvereiste. Dit heeft de voorzieningenrechter ook al overwogen in rechtsoverweging 10 van de eerdere uitspraak.
De voorzieningenrechter ziet naar aanleiding van hetgeen hiervoor is overwogen geen reden om in deze zaak af te wijken van het eerder gegeven oordeel van de voorzieningenrechter. Ook in deze zaak komt de voorzieningenrechter dus tot de conclusie dat het algemeen belang dat is gediend met de realisatie van deze opvanglocatie om te voorzien in de behoefte en noodzaak voor opvangplekken voor asielzoekers (op korte termijn), zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om dit te voorkomen omdat hij vreest voor aantasting van zijn sociale veiligheid.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R. Grimbergen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: