RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer / rekestnummer: 12045737 \ EJ VERZ 26-7
Beschikking van 24 augustus 2026 op een verzoek tot opheffing van de vereffening ex artikel 4:209 BW
inzake het verzoek van:
de stichting William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: verzoekster,
handelend als voogd over de minderjarige [erfgenaam], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, hierna te noemen: [erfgenaam].
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 28 oktober 2025, door de griffie van deze rechtbank ontvangen op 7 januari 2026;
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026;
- de beschikking van 14 april 2026, waarbij aan verzoekster toestemming is gegeven om informatie bij instanties op te vragen over de omvang van de nalatenschap.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek en de beoordeling van het verzoek
Verzoekster heeft toegelicht dat [erfgenaam] erfgenaam is in de nalatenschap van [erflater], geboren op [geboortedag 2] 1947 en overleden op [overlijdingsdatum] 2023 (hierna te noemen: erflater), en de nalatenschap door tijdsverloop beneficiair is aanvaard. Verzoekster vraagt de kantonrechter om ontheffing te verlenen van de verplichting om de nalatenschap te vereffenen ex artikel 4:209 BW.
De kantonrechter overweegt als volgt. De vereffenaar kan, indien de geringe baten van de nalatenschap daartoe aanleiding geven, de kantonrechter verzoeken om de vereffening van de nalatenschap op te heffen. Bij de opheffing van de vereffening moet de nodige terughoudendheid worden betracht. Opheffing vindt in beginsel alleen plaats als de vereffeningskosten naar verwachting de activa overtreffen, of als uit de activa slechts de preferente crediteuren en de kosten zoals de uitvaartkosten en belastingschulden kunnen worden voldaan.
Verzoekster heeft de kantonrechter op 12 augustus 2026 geïnformeerd dat er op het moment van overlijden van erflater sprake lijkt te zijn geweest van een positieve omvang van de nalatenschap. Uit de bijgevoegde bankafschriften blijkt dat in augustus 2023 diverse overboekingen zijn gedaan aan zowel [erfgenaam] als aan [naam] met als omschrijving ‘erfenis broer [erflater]’. Ook geeft verzoekster aan dat onduidelijk is wie de nalatenschap heeft afgewikkeld en op grond van welke bevoegdheid deze persoon of personen hebben gehandeld. De kantonrechter concludeert daaruit dat de eerdere informatie die is gegeven in het verzoekschrift dus niet correct is. Een verwerping van de nalatenschap door de overige erfgenamen heeft dus niet plaatsgevonden.
Bovendien blijkt uit de toegezonden stukken niet dat voldaan is aan de hiervoor onder 2.2. geformuleerde criterium voor opheffing van de vereffening. Kennelijk was er een positief banksaldo dat uitgekeerd is aan de twee hiervoor genoemde personen. Of er daarnaast nog schuldeisers in de nalatenschap zijn die hun vorderingen niet hebben uitbetaald gekregen, is niet duidelijk. In ieder geval ziet de kantonrechter in voorgaande reden om het verzoek daarom af te wijzen.
De kantonrechter merkt daarbij op dat verzoekster zich in het belang van [erfgenaam] zijnde de erfgename die in de plaats van haar vader is getreden doordat hij de nalatenschap heeft verworpen, moet blijven inzetten voor het afwikkelen van de nalatenschap. De kantonrechter begrijpt uit de stukken ook dat aan [erfgenaam] mogelijk nog een bedrag toekomt uit de nalatenschap van erflater. Verzoekster dient ook hier – ten behoeve van [erfgenaam] – onderzoek naar te doen. De kantonrechter draagt verzoekster op haar over de uitkomst van het onderzoek nader te informeren binnen een termijn van zes maanden na heden.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek van verzoekster om haar te ontheffen van de verplichting om de nalatenschap van [erflater], geboren op [geboortedag 2] 1947 en overleden op
[overlijdingsdatum] 2023 (hierna te noemen: erflater), vereffenen, af:
draagt verzoekster op de kantonrechter nader te informeren over de uitkomst van het onderzoek zoals genoemd in r.o. 2.5 binnen een termijn van zes maanden na heden.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.