RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 12268779 \ EJ VERZ 26-186
Beschikking van 25 augustus 2026
in de zaak van
1. [verzoeker 1],
te [woonplaats 1],2. [verzoeker 2],
gezamenlijk handelend onder de naam: [bedrijf],
te [woonplaats 2],
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers],
gemachtigde: mr. R. van den Brink,
en
KUWAIT PETROLEUM (NEDERLAND) B.V.,
te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: KPN,
procederend in de persoon van [directeur], directeur.
1. De procedure
Op 9 juni 2026 heeft [verzoekers] een verzoekschrift ex artikel 7:291 BW ingediend, ter goedkeuring van een afwijkend beding.
Op 14 juli 2026 heeft KPN aan de kantonrechter laten weten dat zij instemt met het verzoek om goedkeuring.
De geplande zitting is vervolgens vervallen en de beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
Bij (onder)huurovereenkomst van september 2006 en het addendum van 25 februari 2009 heeft [verzoekers] het gehuurde (onder)verhuurd aan KPN. Het gehuurde bestaat uit twee percelen grond met daarop gevestigd een tankstation c.a. en technische ruimte gelegen te ([adres]) [adres] aan de [adres]. De huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van tien jaar ingaande op 19 januari 2009 en derhalve lopende tot en met 18 januari 2019. Daarna is de huurovereenkomst met een periode van twee keer vijf jaar verlengd tot en met 18 januari 2029.
Op de huurovereenkomst zijn de bepalingen van artikel 7:290 BW en volgende met betrekking tot huur van bedrijfsruimte van toepassing.
Artikel 5.4 maakt deel uit van de huurovereenkomst:
“5.4. Bij het verstrijken van de in artikel 5.3 genoemde periode van 5 jaar (derhalve 20 jaar na de Ingangsdatum) eindigt de huurovereenkomst in elk geval van rechtswege, zonder dat daartoe voorafgaande opzegging of een beëdigingsprocedure krachtens de wet c.q. een vordering van de Wederpartij op grond van art. 7:295 BW nodig is. In verband met (mogelijke) strijdigheid van voorgaande bepaling in dit artikellid met art. 295 lid 1 BW jo. art. 7:296 lid 3 BW zal de bevoegde Rechtbank, Sector Kanton om goedkeuring van het in dit artikellid bedoelde worden verzocht krachtens het bepaalde in art. 7:291 BW. Indien de bevoegde Rechtbank de verzochte goedkeuring niet verleent zullen partijen met elkaar in overleg treden teneinde tot afspraken te komen die hun hiervoor omschreven bedoeling zoveel als mogelijk benaderen. De overige bepalingen van de overeenkomst blijven alsdan onverminderd van kracht.”
De bepaling dat de huurovereenkomst 20 jaar na de ingangsdatum - 18 januari 2029 - van rechtswege eindigt, wijkt ten nadele van de huurder af van de bepalingen uit afdeling 6, titel 4 van boek van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3. Het verzoek
In het verzoekschrift stelt [verzoekers] dat de maatschappelijke positie van KPN ten opzichte van die van [verzoekers] zodanig is dat KPN de bescherming van afdeling 6, titel 4 van boek 7 BW niet behoeft. KPN maakt onderdeel uit van het olieconcern Kuwait Petroleum International, dat onder meer bekend is onder de handels- en merknaam Q8. Q8 behoort tot de tien grootste energieconglomeraten ter wereld. KPN houdt zich bezig met de raffinage en verkoop van brandstoffen, smeermiddelen en andere aardolieproducten. Onder meer onder de bekende handelsnaam Tango heeft KPN een grote hoeveelheid tankstations in Nederland.
Daarnaast volgt uit het verzoekschrift het standpunt dat het afwijkende beding de rechten van KPN als huurder niet wezenlijk aantast. Op de einddatum van de huurovereenkomst, 18 januari 2029, zal de huurovereenkomst twintig jaar hebben geduurd. KPN heeft gedurende die periode vanuit het gehuurde brandstof verkocht en is daarmee tevens in de gelegenheid geweest de door haar gedane investeringen in en aan het gehuurde af te schrijven.
4. De beoordeling
Goedkeuring van een beding is op grond van artikel 7:291 lid 3 BW mogelijk indien het beding de rechten die huurder aan deze afdeling ontleent niet wezenlijk aantast of wanneer de maatschappelijke positie van huurder in vergelijking met die van verhuurder zodanig is dat huurder de bescherming van de afdeling in redelijkheid niet behoeft. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De beide goedkeuringsgronden kunnen in onderling verband worden beoordeeld.
Uit hetgeen in het verzoekschrift is gesteld blijkt genoegzaam dat KPN een zodanige maatschappelijke positie heeft in vergelijking met die van [verzoekers], dat KPN de bescherming van afdeling 6, titel 4 van boek 7 BW in redelijkheid niet behoeft.
KPN maakt onderdeel uit van het internationale olieconcern Kuwait Petroleum International en exploiteert een grote hoeveelheid tankstations onder meer onder de naam Tango. KPN heeft te gelden als een professionele en deskundige partij op het gebied van de exploitatie en huur van tankstations. KPN moet dan ook in staat worden geacht haar juridische positie en de gevolgen van het afwijkend beding te kunnen beoordelen. Alleen al op deze grond keurt de kantonrechter het beding in artikel 5.4 van de huurovereenkomst goed.
Omdat KPN zich achter het verzoek van [verzoekers] heeft geschaard, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De kantonrechter
geeft goedkeuring aan het afwijkende huurbeding zoals neergelegd in artikel 5.4 van de huurovereenkomst;
bepaalt dat elke partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.R.H. Lutjes en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026. (jb)