RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/685998 / HA ZA 24-798
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
ALBERT HEIJN FRANCHISING B.V.,
te Zaandam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. M.N. de Groot,
tegen
1. [bedrijf A] C.V.,
te [vestigingsplaats] ,2. [persoon A],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaat: mr. M.C. Franken-Schoemaker.
De partijen worden hierna ‘AHF’, ‘ [bedrijf A] ’ en ‘ [persoon A] ’ genoemd. [bedrijf A] en
[persoon A] worden samen (in mannelijk enkelvoud) ‘ [naam 1] ’ genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 17 september 2025 en de daarin genoemde stukken;- de akte na tussenvonnis van AHF met producties 54 tot en met 59;
- het B16-formulier ‘Niet geregeld verzoek’ van 11 november 2025 van mr. Franken-Schoemaker met het bericht van [naam 1] dat hij afziet van het nemen van een antwoordakte, vonnis vraagt en verzoekt om verlof te verlenen voor het instellen van hoger beroep tegen genoemd tussenvonnis;
- de brief van [persoon B] , de toenmalige advocaat van AHF, van 18 november 2025 met een inhoudelijke reactie op het verzoek van [naam 1] om verlof te verlenen voor het instellen van hoger beroep;
- de brief van de rechtbank van 27 november 2025 waarin genoemd verzoek van [naam 1] is afgewezen;
- de rolbeslissing van 8 april 2026 waarin AHF in de gelegenheid is gesteld om de door de Voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam verleende verloven tot beslaglegging in het geding te brengen;
- het B8-formulier ‘Inzending stukken’ waarmee AHF een verlof tot beslaglegging gedateerd 29 mei 2024 (alsmede een aantal verloven tot verlenging van de dagvaardingstermijn) heeft overgelegd.
Hoewel [naam 1] daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft hij geen antwoordakte genomen.
Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Inleiding
De rechtbank blijft bij haar overwegingen en beslissingen in het tussenvonnis van 17 september 2025 (hierna het tussenvonnis).
De rechtbank heeft AHF in de gelegenheid gesteld een akte in te dienen waarin zij zich nader kan uitlaten over drie specifieke onderwerpen zoals in de rechtsoverwegingen 5.22 (terugbetaling geldlening), 5.30 (verrekening) en 5.33 (schadevergoeding) van het tussenvonnis is aangegeven, al dan niet met overlegging van stukken. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
in conventie
Terugbetaling geldlening
De rechtbank heeft in het tussenvonnis geoordeeld dat AHF gerechtigd was om de franchiseovereenkomst op 23 mei 2024 te ontbinden en dat [naam 1] per die datum het resterende bedrag van de door AHF aan hem verstrekte geldlening moet terugbetalen. Tussen partijen is niet in geschil dat op 23 mei 2024 het resterende bedrag van de lening € 550.000,00 bedroeg. De beslissing op dit punt is aangehouden, omdat ter zitting aan bod kwam dat mogelijk een deel van de lening en daarmee ook een deel van het resterende bedrag van de lening niet AHF maar Gall & Gall aangaat. De rechtbank heeft AHF daarom in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten over het bedrag dat aan AHF moet worden terugbetaald.
AHF stelt primair in haar akte dat de lening uitsluitend haar aangaat als leninggever en dat de besteding daarvan om die reden niet relevant is. Zij voert aan dat de gelden rechtstreeks door haar aan [naam 1] zijn verstrekt, althans door haar zijn verrekend met facturen. Volgens AHF zijn deze gelden niet afkomstig van Gall & Gall en evenmin verrekend met facturen van Gall & Gall. Ter onderbouwing verwijst AHF naar de aanbiedingsbrief en het addendum bij de franchiseovereenkomst, waarin uitsluitend AHF als leninggever is opgenomen. Subsidiair stelt AHF dat de lening niet is aangewend ten behoeve van de slijterij en dat deze reeds daarom Gall & Gall niet aangaat. In dat verband verwijst AHF naar productie 55 tot en met 58 waaruit volgens haar volgt dat de voorgenomen remodelling van de slijterij geen doorgang heeft gevonden en dat met de renteloze kwijtingslening niet in de slijterij is geïnvesteerd.
[naam 1] heeft eerder betwist dat de lening uitsluitend AHF aangaat, maar hij heeft op de nadere onderbouwing van AHF niet gereageerd. Dat had wel op zijn weg gelegen. Gelet hierop wordt de vordering tot betaling van € 550.000,00 volledig toegewezen.
Verrekening
De rechtbank heeft in het tussenvonnis verder overwogen dat [naam 1] zich niet heeft verweerd tegen de verrekening van de winkelvoorraad als zodanig, maar enkel de hoogte van de door AHF in de verrekening betrokken winkelvoorraad heeft betwist. Bij de waardebepaling van de voorraad heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het door AHF ingebrachte overzicht van 26 mei 2024 waaruit een totale waarde van € 231.836,85 volgt. [naam 1] heeft aangevoerd dat de waarde van de zogenoemde ‘ladingdragers’ ter hoogte van circa € 16.000,00 ten onrechte niet in het overzicht van AHF is opgenomen. De rechtbank heeft beslist dat AHF zich hierover nog mag uitlaten.
AHF heeft in haar akte, onder verwijzing naar productie 47, aangevoerd dat de totale waarde van de ladingdragers waarschijnlijk € 19.005,78 bedraagt en dat zij voor retour leeggoed al een bedrag van € 4.880,75 heeft gecrediteerd op de openstaande positie. Rekening houdend met dit verschil stelt AHF dat de voorraadwaarde van € 231.836,85 verhoogd kan worden met € 14.125,03, hetgeen resulteert in een aangepaste voorraadwaarde van € 245.961,88.
Doordat [naam 1] geen antwoordakte heeft genomen, heeft hij niet weersproken dat de totale waarde van de ladingdragers € 19.005,78 bedraagt en AHF al voor retour leeggoed een bedrag van € 4.880,75 heeft gecrediteerd op de openstaande positie. De rechtbank gaat daarom uit van deze bedragen, zodat de totale voorraadwaarde op € 245.961,88 wordt vastgesteld. Deze voorraadwaarde wordt verrekend met de vordering van AHF op [naam 1] betreffende openstaande facturen.
Schadevergoeding
Tot slot heeft de rechtbank in het tussenvonnis overwogen dat is voldaan aan de vereisten voor schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW. De beslissing op de vordering tot betaling van schadevergoeding is aangehouden, omdat [naam 1] het door AHF aan haar onderbouwing van het schadebedrag ten grondslag gelegde gemiddelde omzetbedrag per week had betwist, omdat dit bedrag niet verifieerbaar zou zijn. De rechtbank heeft AHF in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten over het aan AHF terug te betalen bedrag.
In haar akte heeft AHF aangevoerd dat de misgelopen franchisefee een vast percentage betreft en niet in verband staat met kosten die AHF maakt. AHF stelt dat de gehele misgelopen franchisefee moet worden vergoed, omdat bij een deugdelijk uitgevoerde franchiseovereenkomst AHF ook de volledige franchisefee zou hebben ontvangen, zonder dat daar kosten tegenover staan. Verder heeft AHF de vordering tot schadevergoeding nader toegelicht en voorzien van een berekening die uitkomt op € 502.001,50. Ter onderbouwing verwijst AHF naar de wekelijkse consumentenomzetten van week 1 tot en met 20 van 2024 die zijn opgenomen in productie 59.
[naam 1] heeft eerder het door AHF aan haar onderbouwing van het schadebedrag ten grondslag gelegde gemiddelde omzetbedrag per week betwist, maar voor deze betwisting geldt hetzelfde als voor de betwisting genoemd onder 2.5. De vordering tot schadevergoeding van € 502.001,50 wordt daarom toegewezen.
Betalingsverplichting [naam 1] voor factuurbedragen
Gelet op hetgeen in het tussenvonnis (r.o. 5.16 en 5.17) is geoordeeld, zal de rechtbank de vordering tot betaling van het openstaande factuurbedrag van € 650.603,90, inclusief contractuele rente, toewijzen.
Conclusie en rente
Na verrekening van de voorraadwaarde resteert een door [naam 1] aan AHF te betalen bedrag van € 404.642,02 (650.603,90 – 245.961,88) aan openstaande facturen, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand vanaf 29 mei 2024.
Voorts dient [naam 1] aan AHF het resterende bedrag van de lening van € 550.000,00 terug te betalen. De wettelijke rente (artikel 6:119a BW) wordt toegewezen vanaf 29 mei 2024, omdat uit de stellingen van AHF volgt dat deze moet worden betaald en [naam 1] dat niet heeft betwist.
Verder moet [naam 1] de door AHF geleden schade vergoeden van in totaal € 502.001,50. De rente wordt toegewezen vanaf 23 mei 2024, omdat uit de stellingen van AHF volgt dat deze moet worden betaald en [naam 1] dat niet heeft betwist. AHF eist de handelsrente (artikel 6:119a BW), maar die is niet van toepassing. [naam 1] moet namelijk weliswaar betalen op basis van een handelsovereenkomst, maar het is niet de primaire betalingsverplichting. Daarom wordt de rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW.
Beslag- en proceskosten
AHF vordert [naam 1] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 3.077,21 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,00 voor griffierecht en € 4.631,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 4.631,00), dus totaal € 8.396,21. De gevorderde wettelijke rente over de beslagkosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
[naam 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Op grond van artikel 11 Wet griffierechten burgerlijke zaken wordt op het griffierecht van de onderhavige procedure het griffierecht van het beslagrekest in mindering gebracht. Als te betalen griffierecht resteert dan een bedrag van€ 5.929,00. Het door AHF in deze procedure te veel betaalde griffierecht van € 688,00 is inmiddels aan haar teruggestort. De proceskosten van AHF worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
116,39
- griffierecht
€
5.929,00
- salaris advocaat
€
11.577,50
(2,5 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
17.811,89
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
in reconventie
Gelet op hetgeen in het tussenvonnis (r.o. 5.34) is overwogen, zullen de vorderingen in reconventie worden afgewezen.
[naam 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van AHF worden begroot op:
- salaris advocaat
€
4.631,00
(2 punten × factor 0,5 × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.820,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk om aan AHF te betalen een bedrag van € 404.642,02, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1,5% per maand, met ingang van 29 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk om aan AHF te betalen een bedrag van € 550.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW, met ingang van 29 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk om aan AHF te betalen een bedrag van € 502.001,50, te vermeerderen met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 23 mei 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 8.396,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk in de proceskosten van € 17.811,89 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf A] en [persoon A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [bedrijf A] en [persoon A] af,
veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.820,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [bedrijf A] en [persoon A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [bedrijf A] en [persoon A] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.10 en 3.11 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.A. Baggerman, mr. M. de Geus en mr. M. Hulshof en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.
3950/2537/638/3856