ECLI:NL:RBROT:2026:10947

ECLI:NL:RBROT:2026:10947

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer NL:TZ:2607035:R-RK en NL:TZ:2607122:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek dwangakkoord toegewezen. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Voldoende aannemelijk dat zijn afloscapaciteit komende jaren niet zal toenemen.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Rekestnummer: [rekestnummers]

Vonnis van 7 mei 2026

op het verzoek van

[verzoeker]

wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 19 maart 2026, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- [schuldeiser] (hierna: [schuldeiser] ), van wie de vordering in behandeling is bij mr. A.M. Berkhout, advocaat bij Berkhout De Lange advocaten;

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Mr. A.M. Berkhout heeft namens [schuldeiser] voorafgaand aan de zitting, op 28 april 2026, de stukken, waaronder het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 13 december 2024, in de tegen verzoeker gevoerde procedure toegezonden.

Ter zitting van 29 april 2026 zijn verschenen en gehoord:

De beschermingsbewindvoerder heeft na de zitting, op 1 mei 2026, aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift acht concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 32.030,85 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 26 augustus 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 2,17 % tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn WIA-uitkering. Verzoeker is door het UWV voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Verzoeker ontvangt deze WIA-uitkering al sinds 12 december 2016. Hierdoor bestaat niet de verwachting dat de afloscapaciteit van verzoeker in de komende jaren zal toenemen. Omdat ten tijde van het aanbieden van de regeling door [schuldeiser] beslag was gelegd op het inkomen van verzoeker, voorziet de aangeboden regeling in uitkering van een prognosepercentage. Dit percentage is gebaseerd op een reservering van € 423,56 over een periode van 18 maanden. Dat betekent dat de afloscapaciteit, afhankelijk van de reserveringsmogelijkheden van verzoeker, eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.

Zeven schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 19.553,01 op verzoeker, welke 61% van de totale schuldenlast beloopt.

3. Het verweer

[schuldeiser] stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser] te kennen gegeven het aangeboden bedrag te laag te vinden. Het aanbod zou niet in verhouding staan met de totale schuldvordering. [schuldeiser] huurde een woning van verzoeker en haar vordering is ontstaan doordat partijen bij de beëindiging van die huurovereenkomst met elkaar zijn overeengekomen dat verzoeker aan [schuldeiser] een vergoeding van € 15.000,- inzake verhuis- en inrichtingskosten zou voldoen. [schuldeiser] stelt onder druk en de toezegging dat zij een vergoeding van € 15.000,- zou ontvangen, te hebben ingestemd met het beëindigen van de huurovereenkomst. Verzoeker zou de vergoeding uit de ontvangen koopsom voor de woning aan haar voldoen, maar heeft dat nagelaten en daardoor is [schuldeiser] zelf in financiële problemen gekomen. [schuldeiser] heeft een tijd met haar dochter bij haar moeder en oma gewoond. Met hulp van de gemeente is het gelukt om een woning te krijgen. De borg en verhuiskosten zijn voorgeschoten en zij moet die schulden aflossen. [schuldeiser] wil niet akkoord gaan met de aangeboden schuldregeling, want ze krijgt bijna niks.

Voorts heeft [schuldeiser] via haar advocaat ter zitting aangevoerd het idee te hebben dat verzoeker wel ruimte heeft om de schuld af te lossen, omdat zij via beslaglegging maandelijks gelden ontvangt, terwijl het aanbod slechts 2,7% van de totale vordering bedraagt.

4. De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [schuldeiser] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 61%.

Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk zeven van de acht schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Stroomopwaarts. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker is sinds 12 december 2016 voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt verklaard. Na de zitting heeft de beschermingsbewindvoerder, op 1 mei 2026, de UWV-beslissing waarin dit is vastgesteld, aan de rechtbank toegezonden. Daarin is ook opgenomen dat verzoeker vanaf 12 december 2016 een uitkering volgens de Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) ontvangt. Voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Daarbij merkt de rechtbank (ten overvloede) op dat het vrij te laten bedrag dat wordt toegepast in de wettelijke schuldsaneringsregeling niet gelijk is aan de beslagvrije voet. Dat betekent dat ook in de situatie dat de schuldsaneringsregeling (eventueel met een eerdere ingangsdatum) op verzoeker van toepassing zou zijn, er geen vooruitzicht is op een uitdeling aan de schuldeisers. Dat terwijl toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling aanzienlijke kosten met zich brengt, bestaande uit onder meer salaris voor de bewindvoerder en griffierecht. De verwachting is dat een groot deel van de wsnp-gerelateerde kosten ten laste van de Staat zouden moeten komen. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Ter zitting is de gang van zaken omtrent het ontstaan van de vordering van [schuldeiser] en de verwijtbaarheid aan de orde gekomen. Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a lid 5 van de Faillissementswet hoeft de aard van de vordering geen doorslaggevende rol te spelen, maar kan die het belang van die schuldeiser bij diens weigering benadrukken. De rechtbank begrijpt dat het bijzonder wrang is voor [schuldeiser] dat verzoeker zijn toezegging aan haar niet is nagekomen om de vergoeding van de door hem ontvangen koopsom voor de woning te voldoen. Wat dat betreft is het begrijpelijk dat [schuldeiser] niet wil instemmen met het geringe aanbod. Verzoeker heeft ter zitting verklaard die gang van zaken ook te betreuren. Hij heeft uiteengezet dat er een conflict met [schuldeiser] was ontstaan, omdat [schuldeiser] eerder aanspraak maakte op betaling van de vergoeding en ook gebreken aan de woning heeft veroorzaakt, waardoor hij geconfronteerd werd met onvoorziene kosten. Verzoeker heeft met de ontvangen koopsom voor de woning de hypotheek afbetaald en het restant heeft hij gebruikt voor een cryptobelegging, waarbij hij is opgelicht. Daardoor kon hij niet meer de vergoeding aan [schuldeiser] betalen.

Afgezet echter tegen een gunstiger resultaat bij aanvaarding van het akkoord, de belangen van de overige schuldeisers en het feit dat de wetgever voor ogen heeft gehad dat elke schuldenaar perspectief op een schuldenvrije toekomst moet krijgen, is de rechtbank van oordeel dat de aard van de vordering niet van doorslaggevende betekenis is.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [schuldeiser] , die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

[schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5. De beoordeling

De rechtbank:

- beveelt [schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt [schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. van Eeden-van Harskamp, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.P. van Eeden-van Harskamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand