Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummers]
uitspraakdatum: 26 augustus 2026
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 23 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 24 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 19 augustus 2026.
Ter zitting van 19 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
Mr. M.P. Harten heeft namens verweerders ter zitting een verweerschrift overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerders te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft een inkomen uit arbeid van € 2.522,83. Zij werkt sinds 1 mei 2026 in de winkel van haar partner. De huur over de maanden juli en augustus 2026 is op 18 augustus 2026 voldaan. Verzoekster heeft verklaard dat de huur niet tijdig is voldaan omdat zij en haar partner in het buitenland waren en problemen hadden met hun bankpas. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het verzoek alleen namens verzoekster is ingediend en niet namens de partner van verzoekster, omdat hij niet op de huurovereenkomst staat vermeld, maar daarop alleen met pen is bijgeschreven. Hij kan wel bijdragen in de vaste lasten. Welke inkomsten de partner van verzoekster heeft, is schuldhulpverlening niet duidelijk. Door de spoedeisendheid van het verzoek en de vakantieperiode is het niet gelukt hier duidelijkheid over te krijgen. Aan verweerders is een betalingsregeling voorgesteld van 100%, waarbij is aangeboden € 750,-- naast de lopende huur te voldoen. Verweerders hebben dit voorstel geweigerd. Verzoekster heeft aan schuldhulpverlening meegedeeld dat voornoemd voorstel haalbaar is. Schuldhulpverlening heeft dit niet kunnen controleren, maar vertrouwt op wat verzoekster haar zegt. Uitgaande van alleen het inkomen van verzoekster is het budgetplan niet sluitend, aldus schuldhulpverlening. Verzoekster heeft maar één schuld, te weten de schuld aan verweerders.
3. Het verweer
Verweerders verzoeken primair om het verzoek af te wijzen, subsidiair iedere voorziening uitsluitend te treffen onder de opschortende voorwaarde dat verzoekster de lopende huur maandelijks vooraf en volledig voldoet en meer subsidiair de voorziening voor slechts een periode van drie maanden uit te spreken onder de voorwaarde dat de lopende huur maandelijks vooraf en volledig wordt voldaan. Verweerders hebben er geen enkel vertrouwen in dat de lopende huur tijdig en volledig wordt voldaan. Verzoekster heeft geen stabiel en controleerbaar inkomen aangetoond waarmee zij de maandelijkse huur structureel kan betalen. Zonder deugdelijke inkomens- en betalingsprognose kan niet worden aangenomen dat een moratorium daadwerkelijk tot een duurzame oplossing leidt. Daarnaast is er geen inzicht in de schulden van verzoekster en haar partner. Zonder volledig inzicht in de schuldenlast, inkomsten, uitgaven, eventuele afloscapaciteit en bijdrage van de partner kan niet worden beoordeeld of een minnelijk traject kans van slagen heeft. Verweerders wensen integrale betaling van hun vordering. Verweerders verhuren alleen onderhavige woning. Zij zijn zelf in de betalingsproblemen geraakt omdat verzoekster de lopende huurtermijnen niet voldoet. Het belang van verweerders dient dan ook zwaarder te wegen dan het belang van verzoekster.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 24 juni 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 13 augustus 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerders, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerders bestaat erin dat zij het vonnis van 20 mei 2026 ten uitvoer kunnen leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurprijs bedraagt € 1.800,-- per maand. De inkomsten van verzoekster bedragen € 2.522,83 per maand. De partner van verzoekster zou bijdragen in de vaste lasten van verzoekster, omdat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij geen inzicht heeft in de inkomsten en uitgaven van de partner van verzoekster. Schuldhulpverlening heeft voorts ter zitting verklaard dat het budgetplan niet sluitend is wanneer alleen wordt uitgegaan van de inkomsten van verzoekster. Gelet op het vonnis van de kantonrechter waarbij de huurachterstand is vastgesteld en het feit dat ook nadien de huur niet (tijdig) is betaald, is de rechtbank van oordeel dat zonder inzicht in de financiële situatie van verzoekster en haar partner onvoldoende aannemelijk is dat de lopende termijnen de komende zes maanden kunnen en zullen worden voldaan. Daarbij kan niet uitsluitend worden afgegaan op hetgeen verzoekster schuldhulpverlening vertelt. Zeker niet nu ook de huur over de maanden juli en augustus 2026 pas een dag voor de zitting, en dus te laat, is overgemaakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerders zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.