ECLI:NL:RBROT:2026:10989

ECLI:NL:RBROT:2026:10989

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer FT RK 26-192
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek tot faillietverklaring toegewezen. Het verweer van verweerster dat het beroep van verzoekster op ontbinding naar objectieve maatstaven gekwalificeerd moet worden als een beroep op het contractuele annuleringsrecht is onvoldoende onderbouwd. Bovendien staat het ontbindingsrecht los van het recht op annulering. Van het opeisbare vorderingsrecht van verzoekster is dan ook summierlijk gebleken. Ook van pluraliteit van schuldeisers is summierlijk gebleken. Het instellen van hoger beroep tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis brengt niet automatisch mee dat het vorderingsrecht daarmee niet is vast komen te staan. De vordering van verzoekster en de overgelegde steunvordering worden onbetaald gelaten. Daarmee is summierlijk gebleken dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Van misbruik van recht is geen sprake. Afwijzing proceskostenveroordeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Insolventienummer: [nummer]

Uitspraak: 7 mei 2026

VONNIS op het op 2 april 2026 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

tevens handelend onder de naam: [verzoekster] ,

hierna te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. D. Hensen,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1] ,

statutair gevestigd te [locatie] ,

kantoorhoudende te [straatnaam] ,

[postcode] [vestigingsplaats] ,

aldaar tevens handelend onder de naam: [bedrijf 1] ,

hierna te noemen: [bedrijf 1] ,

advocaat: mr. A.P. Macro.

1. De procedure

De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op

28 april 2026.

[bedrijf 1] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 28 april 2026 zijn mr. G.R.M.H. Burgers, advocaat van [verzoekster] , en mr. A.P. Macro, advocaat van [bedrijf 1] en de heer [naam], algemeen directeur van [bedrijf 1] , verschenen en gehoord.

Beide partijen hebben ter zitting spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

De rechtbank heeft bepaald om op 7 mei 2026 uitspraak te doen.

2. Standpunt van partijen

Standpunt [verzoekster]

heeft het faillissement van [bedrijf 1] aangevraagd. [verzoekster] stelt – kort samengevat – dat hij een opeisbare vordering heeft van € 68.790,00, in hoofdsom, uit hoofde van een aanbetaling die hij heeft verricht voor de productie van 21 afsluiters. Op 1 augustus 2024 hebben partijen een overeenkomst gesloten, waarbij [bedrijf 1] 21 afsluiters zou produceren en leveren en waarvoor [verzoekster] een totaalprijs van € 114.650,00 zou betalen. Daarbij is ook afgesproken dat het bedrag in drie termijnen zal worden betaald. [verzoekster] heeft twee termijnen (60% van de totaalprijs) betaald. [bedrijf 1] is vervolgens haar leververplichting op 9 april 2025 niet nagekomen waardoor [verzoekster] zowel op 16 april 2025 als op 1 december 2025 nakoming heeft gevorderd als bedoeld in artikel 46 van het Weens Koopverdrag (WKV), waarbij zij een aanvullende redelijke termijn voor nakoming heeft gesteld. [bedrijf 1] heeft daarna nog steeds niet geleverd, waarna [verzoekster] op 12 december 2025 de overeenkomst in overeenstemming met artikel 49 WKV heeft ontbonden. [verzoekster] heeft daardoor op grond van artikel 81 WKV recht op terugbetaling van de reeds verrichte aanbetaling (60% van de totaalprijs).

Daarnaast laat [bedrijf 1] ook andere schuldeisers onbetaald. [verzoekster] verwijst daarbij naar een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van

14 mei 2025 waarin [bedrijf 1] is veroordeeld om een bedrag van € 2.800.625,53 te betalen aan de curator in het faillissement van [bedrijf 2]

Vervolgens is in de procedure bij het hof Den Bosch van 7 april 2026 namens [bedrijf 1] verklaard dat [bedrijf 1] niet in staat is om € 2.800.625,53 te voldoen aan de curator in voornoemd faillissement.

Gelet op het voorgaande verkeert [bedrijf 1] in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. [verzoekster] is op grond daarvan dan ook gerechtigd om de faillietverklaring van [bedrijf 1] te verzoeken. [verzoekster] persisteert derhalve in haar verzoek.

Standpunt [bedrijf 1]

verzoekt het verzoek tot faillietverklaring af te wijzen, met veroordeling van [verzoekster] in de proceskosten. Er is sprake van een zeer complexe situatie. Kort samengevat stelt [bedrijf 1] dat het beroep van [verzoekster] op ontbinding van de overeenkomst naar objectieve maatstaven gekwalificeerd moet worden als een beroep op een contractueel annuleringsrecht uit de orderbevestiging. Daaruit volgt dat [verzoekster] bij annulering langer dan zes weken na de orderbevestiging 100% van de orderwaarde verschuldigd is. Dit betekent dat [bedrijf 1] geen bedrag aan [verzoekster] verschuldigd is, maar dat [verzoekster] juist nog 40% van de orderwaarde aan [bedrijf 1] moet betalen.

Bovendien is er ook geen sprake van een steunvordering. [bedrijf 1] is tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in hoger beroep gegaan. De grieven in de appelprocedure zijn zojuist ingediend. [bedrijf 1] heeft er vertrouwen in dat in die procedure alles teruggedraaid gaat worden.

Ook verkeert [bedrijf 1] niet in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. [bedrijf 1] wil de transactie afronden door alsnog de afsluiters te leveren. [verzoekster] is daarmee niet akkoord gegaan. Een onderneming die over een betwiste vordering nog volop in onderhandeling is over een leveringsoplossing, is geen onderneming die is opgehouden te betalen.

Daarnaast is er sprake van misbruik van recht. Het verzoek tot faillietverklaring is prematuur. [verzoekster] heeft geen belang bij een faillissementsaanvraag. [verzoekster] gebruikt het faillissementsrecht als drukmiddel in een handelsgeschil.

3. De beoordeling

Bevoegdheid

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [bedrijf 1] in Nederland ligt.

Beoordelingskader

Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.

Summierlijk gebleken van het opeisbare vorderingsrecht van [verzoekster]

heeft uit hoofde van een terugbetalingsverplichting wegens ontbinding van de overeenkomst een opeisbare vordering op [bedrijf 1] van € 68.790,00. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [bedrijf 1] door [verzoekster] meermaals is gesommeerd om de leveringsverplichting na te komen. Toen de levering ook na 1 december 2025 uitbleef, heeft [verzoekster] op 12 december 2025 de overeenkomst ontbonden. De stelling van [bedrijf 1] dat het beroep van [verzoekster] op ontbinding naar objectieve maatstaven gekwalificeerd moet worden als een beroep op het contractuele annuleringsrecht (“cancellation charges”) uit de orderbevestiging, is onvoldoende onderbouwd. Zo volgt uit de “cancellation charges” weliswaar dat [verzoekster] bij annulering na zes gewerkte weken 100% van de orderwaarde verschuldigd is, maar daaruit volgt niet dat partijen de toepasselijkheid van het WKV en daarmee het ontbindingsrecht (contractueel) hebben uitgesloten. Het ontbindingsrecht staat immers los van het recht op annulering zoals genoemd in de “cancellation charges”. Van het opeisbare vorderingsrecht van [verzoekster] is dan ook summierlijk gebleken.

Summierlijk gebleken van pluraliteit van schuldeisers

Ook van pluraliteit van schuldeisers is summierlijk gebleken. Het instellen van hoger beroep tegen een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, waarbij [bedrijf 1] is veroordeeld om een bedrag van € 2.800.625,53 te betalen aan de curator in het faillissement van [bedrijf 2] , brengt niet met zich mee dat het vorderingsrecht van de curator in voornoemd faillissement niet is vast komen te staan. Bovendien is het eerder genoemd vonnis op tegenspraak gewezen en heeft [bedrijf 1] onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat het oordeel van de rechtbank op evident onjuiste gronden is gebaseerd. Daar komt nog bij dat ook niet is gebleken dat er schorsing is gevraagd op de uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

Faillissementstoestand

[bedrijf 1] laat de vordering van [verzoekster] en de ter zitting overgelegde steunvordering onbetaald. [bedrijf 1] wil weliswaar de afsluiters alsnog aan [verzoekster] leveren, maar [verzoekster] heeft daarmee niet ingestemd. [verzoekster] heeft de overeenkomst ontbonden en richt zich op de ongedaanmaking van de geleverde prestaties, wat in zijn geval betekent terugbetaling van zijn aanbetaling. Op grond daarvan heeft [verzoekster] een vordering op [bedrijf 1] die [bedrijf 1] onbetaald laat. Daar komt bij dat de bestuurder van [bedrijf 1] tijdens de zitting bij het hof op 7 april 2026 heeft verklaard dat [bedrijf 1] niet in staat is de steunvordering te voldoen. Daarmee is summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat [bedrijf 1] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

Geen misbruik van recht

Van misbruik van recht is niet gebleken. [bedrijf 1] heeft onvoldoende aangetoond dat [verzoekster] zijn bevoegdheid tot het aanvragen van het faillissement van [bedrijf 1] heeft gebruikt met geen ander doel dan [bedrijf 1] te schaden of met een ander doel dan waarvoor die aanvraag bedoeld is. De incassering van een vordering via een faillissementsprocedure is immers een legitiem doel.

Verzoek tot faillietverklaring wordt toegewezen

Aan alle vereisten om tot faillietverklaring te komen, is voldaan. Een en ander leidt ertoe dat het verzoek tot faillietverklaring wordt toegewezen.

Afwijzing proceskostenveroordeling

Gelet op het voorgaande zal het verzoek van [bedrijf 1] om [verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart [bedrijf 1] voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. J.T.P. Pot, lid van deze rechtbank;

- stelt aan tot curator mr. S.A. van Aalst, advocaat te Rotterdam;

- geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht;

- wijst af het verzoek om [verzoekster] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026 te 10:00 uur.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.T.P. Pot

Griffier

  • mr. C. Hulsegge

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand