ECLI:NL:RBROT:2026:11007

ECLI:NL:RBROT:2026:11007

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-08-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer C/10/722192 / JE RK 26-1263
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/722192 / JE RK 26-1263

Datum uitspraak: 3 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,

over

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] en [de vader],

hierna te noemen de moeder en de vader, tezamen de ouders, wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de GI van 26 juni 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders;

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. De kinderrechter heeft [minderjarige] tweemaal geprobeerd te bellen, maar kreeg geen gehoor. Er heeft hierdoor geen kindgesprek tot stand kunnen komen. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.

Aangezien de ouders de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Pashto, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van K. Barak, tolk in de taal Pashto. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] verblijft op een groep van [woongroep] .

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 augustus 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 14 augustus 2026.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 januari 2026 de machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 augustus 2026.

3. Het verzoek van de GI

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot 25 maart 2027. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot aan haar meerderjarigheid. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige] heeft sinds haar plaatsing bij [woongroep] positieve stappen gezet. Zij heeft haar MBO 1-diploma behaald, staat ingeschreven voor MBO 2 en heeft een bijbaan bij Albert Heijn. Tegelijkertijd zijn er nog zorgen over haar zelfbepalendheid, beïnvloedbaarheid, risicobesef, impulscontrole en het nakomen van afspraken. Zo komt [minderjarige] regelmatig te laat terug op de groep of verblijft zij zonder duidelijke afspraken meerdere dagen bij familie. Daarnaast maakt de GI zich zorgen over de veiligheid in de thuissituatie. [minderjarige] zit tussen twee culturen in en wil graag contact houden met haar familie, maar geeft ook aan zich niet veilig te voelen wanneer haar broer aanwezig is. De ouders grijpen de verantwoordelijkheid om [minderjarige] thuis veilig te laten voelen onvoldoende aan. Ook zetten zij haar onder druk door op [minderjarige] te projecteren dat zij naar huis moet komen en haar controlerende vragen te stellen over wat zij doet en met wie zij omgaat. De komende periode zal de GI onderzoeken welke vervolgplek het beste bij [minderjarige] past, waarbij wordt gedacht aan een kamertrainingscentrum gericht op haar ontwikkeling naar zelfstandigheid.

4. Het standpunt van de ouders

De ouders zijn het niet eens met het verzoek van de GI. Zij maken zich zorgen over [minderjarige] en vinden dat zij sinds haar verblijf bij [woongroep] juist achteruit is gegaan. De ouders twijfelen aan de mate van toezicht op de groep en wijzen erop dat [minderjarige] volgens hen regelmatig laat thuiskomt en onvoldoende wordt begrensd. De vader stelt de vraag als de GI zelfs het gesprek met de kinderrechter organisatorisch niet kan faciliteren, hoe zij dan [minderjarige] de begeleiding kunnen bieden die zij nodig heeft. De ouders willen dat [minderjarige] weer thuis komt wonen. Zij geven aan dat de zorgen over de thuissituatie niet meer aan de orde zijn, omdat de broer van [minderjarige] inmiddels in [land] verblijft. De moeder geeft aan dat [minderjarige] zelf ook meerdere keren heeft gezegd dat zij naar huis wil. [minderjarige] is erg emotioneel wanneer zij weer terug naar de groep moet. De ouders herkennen zich niet in het beeld dat de GI van de thuissituatie schetst en vinden dat zij onvoldoende worden meegenomen in de besluitvorming.

5. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds noodzakelijk zijn. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd als er geen kader meer is om [minderjarige] te begeleiden naar en voor te bereiden op haar meerderjarigheid. Onder meer gezien de cultuurverschillen tussen de ouders en de maatschappij waarin [minderjarige] opgroeit, zijn de ouders niet in staat die rol op zich te pakken. Zonder hulp van buiten en zonder het dwingende kader van een ondertoezichtstelling zal de situatie van [minderjarige] weer verslechteren, nu de ouders de problemen niet zien of deze ontkennen.

De kinderrechter ziet dat [minderjarige] positieve stappen heeft gezet en dat zij zich op verschillende gebieden goed ontwikkelt. [minderjarige] verblijft inmiddels enige tijd bij [woongroep] . Zij heeft daar een stabiele plek gevonden en werkt aan haar toekomst. Zo heeft zij haar MBO 1-opleiding afgerond, staat zij ingeschreven voor MBO 2 en heeft zij een bijbaan bij de Albert Heijn. Ook onderhoudt zij contact met haar ouders en haar familie.

Tegelijkertijd zijn er nog zorgen die maken dat [minderjarige] de komende periode begeleiding en ondersteuning nodig heeft om haar ontwikkeling richting zelfstandigheid op een veilige manier voort te zetten. Zij heeft moeite met het nakomen van afspraken en het volgen van de afspraken van de groep. Ook bestaan er zorgen over haar impulscontrole, haar risicobesef en haar beïnvloedbaarheid. Daarnaast ziet de kinderrechter dat [minderjarige] tussen twee werelden staat. Zij houdt van haar familie en wil enerzijds verbonden blijven met haar ouders en haar familie, maar heeft anderzijds ook de wens zich steeds meer te ontwikkelen richting zelfstandigheid. Voor een meisje van zeventien jaar betekent dit dat zij steeds meer eigen keuzes gaat maken en leert om verantwoordelijkheid te dragen voor haar eigen leven. De kinderrechter begrijpt dat dit voor ouders moeilijk kan zijn en dat zij zich zorgen maken over de keuzes die [minderjarige] maakt. Daar staat tegenover dat het belangrijk is dat [minderjarige] ruimte krijgt om zich op een leeftijdsadequate manier te ontwikkelen en zich staande kan houden in de Nederlandse/westerse maatschappij. De kinderrechter ziet dat de verschillen in verwachtingen over vrijheid, zelfstandigheid en de manier waarop [minderjarige] haar leven vormgeeft, voor spanning zorgen binnen het gezin. Een terugkeer naar huis is daarom niet aan de orde. De veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] kunnen thuis onvoldoende worden gewaarborgd. Hieraan doet niet af dat de broer van [minderjarige] inmiddels in [land] zou zijn. Het is belangrijk dat [minderjarige] zich verder kan ontwikkelen naar zelfstandigheid, dat ze daarin nog wordt ondersteund en begeleid om die ontwikkeling op een veilige en verantwoorde manier door te maken en dat de band met haar ouders behouden blijft. De kinderrechter gunt [minderjarige] de ruimte om haar eigen ontwikkeling door te maken en spreekt de wens uit dat haar ouders haar hierin ondersteunen.

Anders dan de ouders ter zitting naar voren hebben gebracht, ziet de kinderrechter geen aanleiding om de maatregelen voor een kortere duur te verlengen. [minderjarige] wordt op 25 maart 2027 meerderjarig. Juist in deze laatste periode richting volwassenheid is het belangrijk dat zij ondersteuning krijgt bij het maken van zelfstandige keuzes en het voorbereiden op haar toekomst. Gelet op het voorgaande en het feit dat de ouders niet instemmen met [minderjarige] ’s verblijf bij [woongroep] , is voortzetting van zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing hiervoor nodig.

De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen tot aan [minderjarige] ’s meerderjarigheid.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 25 maart 2027;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 maart 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.E. Vos als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand