RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/720229 / JE RK 26-1003
Datum uitspraak: 3 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 8 juli 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- het toetsingsbesluit van de Raad voor de Kinderbescherming van 15 juli 2026, ingekomen op 20 juli 2026;
Op 8 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezige heeft daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij [woongroep] .
[minderjarige 3] verblijft op de behandelgroep van [zorginstelling] , [afdeling] .
Bij beschikking van 8 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en
[minderjarige 3] verlengd tot 11 juli 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 11 juli 2026. Bij beschikking van 8 juli 2026 zijn deze maatregelen nogmaals kort verlengd tot 4 augustus 2026.
3. Het (aangehouden) verzoek van de GI
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van
[minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot zijn
meerderjarigheid. Ook verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te
verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te
verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Bij beschikking van 8 juli 2026 zijn de verzochte maatregelen reeds voor korte duur toegewezen en is het overige aangehouden. De kinderrechter heeft hiermee beoogd de toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming mogelijk te maken en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] alsnog in de gelegenheid te stellen hun mening kenbaar te maken.
De GI handhaaft het aangehouden deel van het verzoek en licht dit ter zitting als volgt toe. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben ieder een eigen ontwikkelingsperspectief en ontvangen passende begeleiding binnen hun huidige verblijfssituatie. Ten aanzien van [minderjarige 1] geeft de GI aan dat hij belangrijke stappen zet richting zelfstandigheid. Hij volgt inmiddels een opleiding op MBO-niveau en heeft een bijbaan als bezorger. Tegelijkertijd zijn er nog zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. [minderjarige 1] slaapt slecht, denkt veel na over gebeurtenissen uit het verleden en vindt het moeilijk om iemand te vertrouwen. De GI wil met hem bespreken of aanvullende ondersteuning, zoals gesprekken met een psycholoog, passend kan zijn. Daarnaast wordt toegewerkt naar een meer zelfstandige woonvorm, zoals een kamertrainingscentrum. Ten aanzien van [minderjarige 2] geeft de GI aan dat zij steeds meer haar eigen plan trekt en dat het moeilijk is om met haar in gesprek te komen over haar ontwikkeling en toekomst. Er zijn zorgen over haar functioneren op de groep en onlangs hebben zich incidenten van zelfbeschadiging voorgedaan. [minderjarige 2] geeft daarbij aan niet dood te willen, maar dat het haar soms te veel wordt. De GI wil samen met [minderjarige 2] en de betrokken hulpverlening verder onderzoeken wat zij nodig heeft en hoe haar toekomstperspectief eruit kan zien. [minderjarige 3] verblijft nog op de behandelgroep van [zorginstelling] . De GI geeft aan dat het perspectief afhankelijk is van het verloop van de behandeling. Wanneer deze aanslaat, wordt onderzocht of een gezinshuis of stevig pleeggezin passend kan zijn. [minderjarige 3] verblijft momenteel ook regelmatig bij een weekendpleeggezin en dat contact verloopt positief. De GI geeft verder aan dat het contact met moeder beperkt is. Er is weinig zicht op haar situatie en zij toont volgens de GI onvoldoende betrokkenheid bij de kinderen. Wel wordt onderzocht of het contact tussen moeder en [minderjarige 3] op een passende manier kan worden opgebouwd, waarbij het belangrijk is dat afspraken worden nagekomen om teleurstellingen voor [minderjarige 3] te voorkomen.
4. De beoordeling
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling stelt de kinderrechter vast dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. Zij hebben baat bij duidelijkheid, rust en een duidelijke regie vanuit de GI. Daarbij speelt mee dat voor alle drie de kinderen nog gewerkt moet worden aan hun perspectief en de stappen die daarvoor nodig zijn.
Ten aanzien van [minderjarige 1] overweegt de kinderrechter dat van belang is dat hij de komende periode goed wordt begeleid richting zijn meerderjarigheid. Hij heeft behoefte aan duidelijkheid over zijn school, vervolgplek en toekomst, en het is belangrijk dat dat tijdig en goed wordt geregeld. Ter zitting is besproken dat [minderjarige 1] moeilijk praat over wat hem bezighoudt en dat het voor hem helpend kan zijn als wordt gekeken naar passende ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van een psycholoog of een andere vertrouwenspersoon. Bij [minderjarige 2] is sprake van een kwetsbare ontwikkeling. Zij trekt zich veel terug en heeft moeite om hulp te accepteren. Zij kampt met psychische problemen en heeft onlangs ook aan automutilatie gedaan. De komende tijd zal diagnostiek moeten plaatsvinden om beter in beeld te krijgen welke ondersteuning zij nodig heeft. Voor [minderjarige 3] geldt dat er meer duidelijkheid zal moeten komen over haar toekomst en over de plek waar zij het beste verder kan opgroeien. [minderjarige 3] ontvangt intensieve behandeling bij [zorginstelling] . Als deze behandeling voldoende resultaat oplevert, zal worden onderzocht of zij kan doorstromen naar een gezinshuis of een stevig pleeggezin. De kinderrechter ziet dat ook het contact met de moeder en de wens van de kinderen om meer contact met elkaar te hebben aandacht vraagt, maar dat dit op een zorgvuldige en stabiele manier moet worden vormgegeven. Als het gaat om het contact(herstel) met de moeder dient elk kind daarbij in zijn of haar eigen tempo te worden gevolgd.
Voor alle drie de kinderen geldt dat nog onvoldoende zicht is op een veilige terugkeer naar een van de ouders. De moeder is beperkt bereikbaar, toont weinig initiatief richting de kinderen en contactherstel vraagt een zorgvuldige opbouw. Ook het contact met de vader verloopt moeizaam. De vader is wisselend in zijn gedrag richting de kinderen of hij omgang met hen wil. Daarnaast blijkt dat hij onvoldoende samenwerkt met de GI, waardoor geen zicht bestaat op de opvoedsituatie bij hem. Zo lang dat zicht ontbreekt, kan niet worden beoordeeld of verblijf of logeren bij de vader veilig en verantwoord is.
De kinderrechter acht daarom zowel de verlenging van de ondertoezichtstelling als de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing noodzakelijk. De GI zal de komende periode de regie behouden over de noodzakelijke hulpverlening en de verdere ontwikkeling van de kinderen. Daarbij vindt de kinderrechter het van belang dat wordt toegewerkt naar herstel van het contact met beide ouders, voor zover dit in het belang van de kinderen is. Van de vader mag worden verwacht dat hij in het belang van zijn kinderen de GI inzicht geeft in de opvoedsituatie bij hem thuis, zodat kan worden beoordeeld of uitbreiding van het contact met de kinderen (naar logeermomenten) op een verantwoorde wijze mogelijk is. Daarnaast is het noodzakelijk dat voor [minderjarige 1] (ruim) vóór zijn achttiende verjaardag duidelijkheid bestaat over een passende vervolgplek en de begeleiding die hij daarna nodig heeft.
Gelet op al het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengen tot aan zijn meerderjarigheid en die van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar. Ook zullen de machtigingen tot uithuisplaatsing worden verlengd.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2026;
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 11 juli 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2026;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 11 juli 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 14 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.