Rechtbank Rotterdam
Team Jeugd
Parketnummers: 10-392090-24 en 10-101161-24 (gevoegd ter terechtzitting)
Datum uitspraak: 3 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2009,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
raadsman: mr. J.M.C. Wessels, advocaat in Hendrik-Ido-Ambacht.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 juni 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J.P.G. Du Chatinier heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:
Parketnummer 10-101161-24
hij op of omstreeks 2 juli 2023 te Zwijndrecht, openlijk, te weten, op het Stationsplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door:
- die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, tegen zijn hoofd en/of gezicht te slaan als gevolg waarvan die [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen en/of
- die [slachtoffer] tegen zijn (linker)been en of zijn lichaam, te trappen/schoppen en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen,
terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.
Parketnummer 10-392090-24
hij
op of omstreeks 09 december 2024 te Alblasserdam en/of Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,
te weten het teweeg brengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten is
(strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht),
opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten
- een personenauto en/of
- een flesje met brandstof en/of
- twee stuks cobra (C6), althans zwaar illegaal vuurwerk en/of
- tape en/of
- handschoenen en/of een (bivak)muts en/of
- één of meer mobiele telefoons en/of
- een rugtas
bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
Parketnummer 10-101161-24
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Parketnummer 10-392090-24
medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en/of terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich op veertien- en vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten.
Op 2 juli 2023 heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging. Hierbij is het slachtoffer meermalen geslagen en geschopt tegen zijn lichaam, waaronder ook tegen het hoofd, zelfs nadat hij door het geweld al op de grond terecht was gekomen. De verdachte en zijn medeverdachten hebben met hun handelen een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De gebeurtenis moet buitengewoon bedreigend zijn geweest voor het slachtoffer en heeft bij hem, naast pijn en letsel, ook enige tijd gevoelens van angst en onveiligheid opgeroepen, zoals ook blijkt uit de toelichting bij de vordering benadeelde partij. Bovendien vergroten feiten als deze in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid, vooral omdat het geweld op de openbare weg heeft plaatsgevonden en omstanders er getuige van waren.
Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen op 9 december 2024 schuldig gemaakt aan het voorbereiden van een ontploffing. De verdachte is met een bivakmuts op aangehouden in een auto waarin een zogenaamde ‘explo-kit’ – een fles benzine met daaraan twee cobra’s 6 vastgetaped – bij verdachtes voeten stond. Deze hadden hij en zijn medeverdachten opgehaald terwijl ze onderweg waren naar de locatie waar de explosie had moeten plaatsvinden. Door toedoen van politie ingrijpen is de ontploffing gelukkig niet voltooid is. De situatie had voor de slachtoffers veel ernstiger kunnen aflopen. Dergelijke ontploffingen zijn bijzonder gevaarlijk en veroorzaken naast gevaar voor personen ook grote onrust en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij bij het plegen van het feit kennelijk onvoldoende stil heeft gestaan bij de impact en gevolgen van zijn handelen.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, waaronder een openlijke geweldpleging.
Rapportages en de verklaring van de deskundige op de terechtzitting
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 augustus 2025. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport en heeft het door de Raad gegeven advies op de terechtzitting besproken.
Deskundige [vertegenwoordiger van de GI], werkzaam bij de jeugdreclassering, heeft op de terechtzitting naar voren gebracht dat het op dit moment beter gaat met de verdachte. De verdachte begint in september 2026 aan een nieuwe opleiding en is op zoek naar een stage. Hij werkt, wil weer gaan voetballen en is sinds oktober 2025 niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie. De samenwerking met de jeugdreclassering verloopt wisselend Wel is de verdachte meer open in zijn gesprekken sinds de jongerencoach in maart 2026 betrokken is geraakt. De jeugdreclassering acht het van belang dat de verdachte ook de komende periode wordt begeleid en gemonitord, zodat hij de positieve ontwikkeling doorzet. Daarbij is belangrijk dat hulp wordt ingezet op het vergroten van zijn probleembesef. De jeugdreclassering adviseert om aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder jeugdreclasseringstoezicht.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie van enige duur. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte sinds 23 januari 2025 in een schorsing loopt en dat hij zich goed heeft gehouden aan zijn schorsingsvoorwaarden. Er lijkt sprake te zijn van een prille positieve ontwikkeling. De verdachte stelt zich begeleidbaar op en lijkt gemotiveerd om zijn leven te verbeteren.
De rechtbank houdt ook rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een straf die tot gevolg heeft dat de verdachte terug moet naar de jeugdgevangenis, niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte is en daarmee ook niet in het belang van de samenleving. Om de ontwikkeling van de verdachte gunstig te beïnvloeden en om de kans op recidive te verkleinen, is het belangrijk dat de verdachte strakke kaders en structuur worden geboden. Overeenkomstig het advies van de jeugdreclassering zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
In beginsel vindt de rechtbank het, gezien de ernst van de feiten, passend om ook een onvoorwaardelijke werkstraf op te leggen. Mede gelet op de positieve ontwikkeling, het feit dat de verdachte werkt, in september zal starten aan een nieuwe opleiding en het gevaar dat de verdachte door het opleggen van een werkstraf overvraagd wordt, volstaat de rechtbank echter in dit geval met een (deels voorwaardelijke) jeugddetentie. Wel verbindt de rechtbank, anders dan de verdediging heeft verzocht, een proeftijd van twee jaar aan het voorwaardelijk strafdeel.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde] , ter zake van het onder parketnummer 10-101161-24 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 579,00 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunten officier van justitie en verdediging
De officier van justitie en de verdediging hebben zich, onder verwijzing naar de vonnissen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding hoofdelijk dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Beoordeling
Materiële schade
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht, aangezien de bril van de benadeelde partij door de openlijke geweldpleging beschadigd is geraakt. De rechtbank zoekt bij de bepaling van de hoogte van de materiële schade aansluiting bij de vonnissen van de medeverdachten en wijst daarom een bedrag van € 250,00 toe. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan daarom slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
Ook is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,00.
Wettelijke rente
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 2 juli 2023.
Proceskosten
Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Hoofdelijke veroordeling
Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij hebben betaald, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij [benadeelde] een schadevergoeding betalen van € 750,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2023 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Ook wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 46, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat de verdachte de onder de parketnummers 10-392090-24 en 10-101161-24 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 90 (negentig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 44 (vierenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:
geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 10-392090-24; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde] , te betalen een bedrag van € 750,00 ( zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit een bedrag van € 250,00 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juli 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde] , zullen zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde] gemaakt, en begroot deze kosten op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] te betalen € 750,00 (hoofdsom, zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] , waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. M.J.C. Spoormaker en R. van der Wal, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2026.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 10-101161-24
hij op of omstreeks 2 juli 2023 te Zwijndrecht, openlijk, te weten, op het Stationsplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door:
- die [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, tegen zijn hoofd en/of gezicht te slaan als gevolg waarvan die [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen en/of
- die [slachtoffer] tegen zijn (linker)been en of zijn lichaam, te trappen/schoppen en/of
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, op of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen,
terwijl die [slachtoffer] op de grond lag.
Parketnummer 10-392090-24
hij
op of omstreeks 09 december 2024 te Alblasserdam en/of Rotterdam, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,
te weten het teweeg brengen van een ontploffing terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten is
(strafbaar gesteld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht),
opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten
- een personenauto en/of
- een flesje met brandstof en/of
- twee stuks cobra (C6), althans zwaar illegaal vuurwerk en/of
- tape en/of
- handschoenen en/of een (bivak)muts en/of
- één of meer mobiele telefoons en/of
- een rugtas
bestemd tot het begaan van dat misdrijf,
heeft verworven, vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.