ECLI:NL:RBROT:2026:11061

ECLI:NL:RBROT:2026:11061

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 03-06-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 10-196071-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling medeplegen opzettelijk een ontploffing teweegbrengen. Oplegging deels voorwaardelijke jeugddetentie en leerstraf.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10-196071-25

Datum uitspraak: 3 juni 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2010,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres 1] ,

raadsman: mr. J.E.F.K. Liauw, advocaat in Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 3 juni 2026.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.P.G. Du Chatinier heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen, aangezien uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] . Volgens de verdediging volgt uit het dossier dat de medeverdachte belast was met het plaatsen van het explosief en iemand nodig had om de gebeurtenis te filmen. Met dat doel, en uitsluitend daarvoor, is de verdachte benaderd. De bijdrage van de verdachte heeft zich feitelijk beperkt tot het meegaan naar het betreffende adres en het filmen van de gebeurtenis. Deze gedragingen kunnen volgens de verdediging hooguit worden gekwalificeerd als medeplichtigheid, maar niet als medeplegen. Nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd, dient vrijspraak van het primair ten laste gelegde te volgen. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank van 11 oktober 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:10243).

Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van gemeen gevaar voor goederen of personen, zodat ook om die reden vrijspraak van het primair ten laste gelegde dient te volgen. Volgens de verdediging blijkt uit het dossier immers dat slechts sprake is geweest van roetschade. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De verdachte is op 23 maart 2025, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] , naar de woning aan de [adres 2] gegaan. Rond 19.00 uur heeft daar een ontploffing plaatsgevonden, veroorzaakt door de medeverdachte. Als gevolg van de ontploffing is bij de voordeur brand ontstaan. Deze brand is geblust door meerdere personen die zich op dat moment in de woning bevonden. Na de ontploffing hebben verbalisanten geconstateerd dat de voordeur, de overkapping en het keukenraam van de woning zwartgeblakerd waren. De rol van de verdachte bestond uit het filmen van de explosie. Zowel de verdachte als de medeverdachte zoudendaarvoor een bedrag van € 300,00 krijgen. De verdachte heeft de ontploffing ook daadwerkelijk gefilmd en het gemaakte filmpje vervolgens gestuurd naar de vermeende opdrachtgever, medeverdachte [medeverdachte 2] .

De rechtbank moet beoordelen of de betrokkenheid van de verdachte kan worden aangemerkt als medeplegen. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, bijvoorbeeld in de vorm van een gezamenlijk plan of een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het filmen van een ontploffing in veel vergelijkbare zaken een wezenlijk onderdeel uitmaakt van het feit en bijdraagt aan het afschrikwekkende effect dat met een ontploffing wordt beoogd. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de taak van het aansteken van het explosief tussen de betrokkenen onderling uitwisselbaar was. Dat wil zeggen dat de verdachte en de medeverdachte deze rol van elkaar hadden kunnen overnemen. Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gezamenlijke uitvoering van het misdrijf. De rechtbank concludeert daarom dat de verdachte en de medeverdachte gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het veroorzaken van de ontploffing en de gevolgen daarvan.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of bij de ontploffing, waarbij de verdachte als medepleger betrokken is geweest, gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. De rechtbank acht, gelet op de hiervoor vastgestelde feiten, bewezen dat de ontploffing in ieder geval gemeen gevaar voor goederenheeft opgeleverd. Na de ontploffing was er immers brand ontstaan en waren verschillende onderdelen van de woning aangetast. De vraag is of er ook sprake was van gevaar of zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar voor personen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:230) overwogen dat voor het duchten van levensgevaar voor personen (en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel) is vereist dat dit gevaar ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Gelet op het feit dat het een maisonnettewoning betreft die uitsluitend via een galerij bereikbaar is, de locatie waar het explosief is geplaatst (bij de voordeur van deze woning), de brand die als gevolg van de ontploffing is ontstaan en het tijdstip waarop het explosief tot ontploffing is gebracht (begin van de avond, een moment waarop de kans groot is dat bewoners thuis zijn), acht de rechtbank bewezen dat naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat er gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar bestond voor personen die zich in de betreffende woning en de naastgelegen woningen bevonden en voor passanten.

Conclusie

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij, op of omstreeks 23 maart 2025 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, bij een woning aan de [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen met een (zelfgemaakt) explosief, te weten een fles benzine met daaraan twee cobra's geplakt, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten andere goederen dan waaraan brand is gesticht, te duchten was

en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de [adres 2] en/of bewoners en/of passanten van aanleunende (portiek)woningen te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

Op 23 maart 2025 heeft de verdachte, toen 15 jaar oud, zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ontploffing bij de voordeur van een woning in een woonwijk. Dit is een bijzonder ernstig en gevaarlijk strafbaar feit, met een grote impact op de bewoners van die woning, die op dat moment in de woning aanwezig waren, en de omwonenden. Dergelijke feiten doen zich in Rotterdam en in andere grote steden in Nederland vaker voor en veroorzaken in de samenleving grote gevoelens van onrust en onveiligheid. Ze zijn zeer intimiderend en kunnen grote materiële schade veroorzaken. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zich van deze gevolgen niets heeft aangetrokken.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 april 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Rapportages en de verklaring van de deskundige op de terechtzitting

De JBRR heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 18 mei 2026. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Op de terechtzitting heeft de jeugdreclasseerder van de verdachte, [vertegenwoordiger van de GI] , dit rapport toegelicht en aangegeven dat de verdachte lange tijd op een wachtlijst heeft gestaan en dat de begeleiding door de jeugdreclassering minimaal was, maar dat zij sinds 7 mei 2026 de vaste jeugdreclasseerder van de verdachte is. Volgens haar heeft de verdachte zich aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en lijkt het op dit moment goed te gaan met hem. De hulpverlening die is betrokken in de vorm van een coach van Massive Care, wordt positief afgesloten. De jeugdreclasseerder acht het wel wenselijk dat de JBRR nog betrokken blijft bij de verdachte, in ieder geval voor een korte duur. Daarnaast adviseert de jeugdreclasseerder om aan de verdachte de leerstraf Tools4U Regulier op te leggen. De oplegging van een onvoorwaardelijke werkstraf acht zij niet passend, omdat de verdachte naar school gaat en een baantje heeft.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 29 mei 2026. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. Het rapport houdt onder meer het volgende in.

Uit het onderzoek van de Raad komt naar voren dat de verdachte ten tijde van onderhavig feit beïnvloedbaar was. Vanwege de zorgen in de thuissituatie was de verdachte uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld. De verdachte verbleef toen drie maanden op een woongroep. De ondertoezichtstelling is mei 2026 positief afgesloten. Sinds de verdachte weer thuis woont, zijn er duidelijke afspraken gemaakt waaraan hij zich doorgaans houdt en er is veel zicht en controle op de verdachte door zijn ouders. De verdachte wordt nog wel geregeld bedreigd door mensen die hem aanspreken op straat (vanwege onderhavig feit) en voelt zich hierdoor niet heel veilig buiten. De verdachte heeft nieuwe vrienden gemaakt en heeft geen contact meer met de leeftijdsgenoten die hij had ten tijde van onderhavig feit. Met deze nieuwe vrienden sport hij bijna dagelijks. Op school lijkt het goed te gaan en de verdachte heeft een baantje bij de Kruidvat. De Raad schat de kans op recidive laag in en vindt dat de individuele hulp en toezicht vanuit de jeugdreclassering niet noodzakelijk meer is. De Raad adviseert een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, onder enkel de algemene voorwaarde.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. De rechtbank zal echter afzien van het opleggen van een langere onvoorwaardelijke jeugddetentie dan de tijd die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht. De rechtbank zal wel nog een voorwaardelijke jeugddetentie van na te noemen duur opleggen om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw nieuwe strafbare feiten te plegen. Bij de bepaling van die duur heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank weegt de bekennende en meewerkende proceshouding van de verdachte en het feit dat de verdachte zijn spijt heeft betuigd, in zijn voordeel mee. Daarnaast heeft de verdachte zich in de afgelopen periode goed aan de schorsingsvoorwaarden gehouden en meegewerkt aan hulpverlening.

Ook zal de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een leerstraf van na te noemen duur opleggen, te weten Tools4U Regulier. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte met deze leerstraf sociale en cognitieve vaardigheden aanleert om zijn beïnvloedbaarheid, en daarmee de kans op recidive, te verminderen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 27 (zevenentwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een leerstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, waarbij de verdachte dient deel te nemen aan het leerproject Tools4U Regulier;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. van der Laan-Kuijt, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M.J.C. Spoormaker en R. van der Wal, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij, op of omstreeks 23 maart 2025 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

een ontploffing teweeg heeft gebracht en/of brand heeft gesticht, bij een woning aan de [adres 2] , door open vuur in aanraking te brengen met een (zelfgemaakt) explosief, te weten een fles benzine met daaraan twee cobra's geplakt, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten andere goederen dan waaraan brand is gesticht, te duchten was

en/of

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van de [adres 2] en/of bewoners en/of passanten van aanleunende (portiek)woningen te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 23 maart 2025 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk,

een gebouw, te weten een woning, gelegen aan de [adres 2] , geheel of ten dele toebehorende aan [huurder woning] en/of [woningcorporatie] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn medeverdachte(n), heeft/hebben vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand