RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720724 / KG ZA 26-532
Vonnis in kort geding van 25 augustus 2026
in de zaak van
[persoon A] ,
wonend in [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [persoon A],
advocaat: mr. J.A.J. Leeman,
tegen
1. [persoon B],
2. [persoon C],
wonend in [woonplaats 2],
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [persoon B] en [persoon C],
advocaat: mr. D.A.Y. Jacques.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 9 juni 2026, met producties 1 tot en met 13
- de conclusie van antwoord.
Op 24 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [persoon A] is met haar advocaat verschenen en [persoon B] en [persoon C] zijn met hun advocaat verschenen.
2. De feiten
Partijen zijn buren van elkaar, en wonen aan de [straatnaam] ([huisnummer 1] respectievelijk [huisnummer 2]) in [locatie]. [persoon A] woont er sinds 2015 en [persoon B] en [persoon C] sinds september 2025.
[persoon B] en [persoon C] hebben kort na hun verhuizing naar de [straatnaam] een aantal beveiligingscamera’s aan/rondom de woning geplaatst.
Op 10 november 2025 heeft [persoon A] aangegeven verrast te zijn door de plaatsing van de camera’s en gevraagd of de camera’s (delen van) haar erf in beeld brengen. Hierop heeft [persoon C] foto’s gestuurd van het beeld dat de camera’s kunnen vastleggen en aangegeven dat de camera’s op het eigen erf zijn gericht en alleen daar bewegingen registreren.
In de periode daarna, tot 16 november 2025, hebben [persoon A] en [persoon C] met elkaar via de app gesproken over de camera’s. [persoon C] heeft uiteindelijk aangegeven dat de camera’s zodanig zijn aangepast dat de plaatsing voldoet aan de geldende privacywetgeving en hij geen mogelijkheid ziet verdere aanpassingen te doen.
Op 21 juni 2026 is [persoon A] bij [persoon B] en [persoon C] thuis geweest.
3. Het geschil
[persoon A] vordert - samengevat – de veroordeling van [persoon B] en [persoon C] om de camera’s op het perceel van [persoon B] en [persoon C] zodanig te (ver)plaatsen of te draaien dat de camera’s niet meer zijn gericht op de woning en het perceel van eiseres, onder verstrekking van een deugdelijk bewijs dat de camera’s geen beelden (meer) opnemen of registreren van de woning van [persoon A], één en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [persoon B] en [persoon C] in de kosten van de procedure.
[persoon A] legt aan de vordering ten grondslag dat [persoon B] en [persoon C] jegens haar onrechtmatig handelen door camera’s (deels) gericht te hebben staan op de woning en/of het perceel van [persoon A]. Dat maakt onrechtmatig inbreuk op haar privacy.
[persoon B] en [persoon C] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon A], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van deze procedure. [persoon B] en [persoon C] voeren aan dat van een onrechtmatige gedraging geen sprake is, omdat de camera’s op hun eigen perceel gericht staan. Daarnaast zijn de camera’s zo ingesteld dat bewegingen buiten het perceel van [persoon B] en [persoon C] niet worden geregistreerd. Daarmee is enige inbreuk op de privacy van [persoon A], voor zover deze er al was, weggenomen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[persoon A] baseert haar vorderingen op de stelling dat er sprake is van een (voortdurende) onrechtmatige inbreuk op haar privacy. Gelet op de aard van de vorderingen heeft zij een voldoende zwaarwegend en spoedeisend belang bij haar vorderingen.
Als uitgangspunt geldt dat een inbreuk op een recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert. Een belangenafweging kan ertoe leiden dat een inbreuk als niet onrechtmatig wordt beoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure onvoldoende vast komen te staan dat sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de privacy van [persoon A].
Uit de bij dagvaarding overgelegde foto’s en afbeeldingen (producties 3, 4, 5 en 8) blijkt dat de camera’s hoofdzakelijk zijn gericht op het perceel van [persoon B] en [persoon C]. Voor een heel beperkt deel was aanvankelijk ook een klein deel van de oprit van [persoon A] en haar garagedeur zichtbaar. [persoon B] en [persoon C] hebben vervolgens de instellingen van hun camera’s inmiddels zo aangepast dat een deel van het beeld dat de camera’s in theorie kunnen registreren via de instellingen wordt geblokkeerd (een zogenaamd privacymask). [persoon A] heeft op de zitting bevestigd dat zij in juni 2026 bij [persoon B] en [persoon C] thuis is geweest en inzage heeft gehad in de camerabeelden. [persoon A] heeft het standpunt van [persoon B] en [persoon C] dat het privacymask er voor zorgt dat de camera’s haar perceel niet meer waarnemen, niet weersproken. Er is daarmee, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, geen inbreuk (meer) op de privacy van [persoon A]. [persoon A] kan geen aanspraak maken op het fysiek afschermen van een deel van het beeld (/de cameralens). Daar is geen juridische grondslag voor. Het gegeven dat de instellingen door [persoon B] en [persoon C] in theorie gewijzigd kunnen worden, is geen grond om alsnog onrechtmatig handelen aan te nemen.
Op grond van het voorgaande wordt de vordering van [persoon A] afgewezen. [persoon A] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [persoon B] en [persoon C] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
760,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.290,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van [persoon A] af,
veroordeelt [persoon A] in de proceskosten van € 1.290,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.3144/1694