Rechtbank Rotterdam
Team jeugd
Parketnummer: 10/073993-23
Datum uitspraak: 22 juli 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] ,
Raadsman: mr. G.A.J. Purperhart, advocaat in Rotterdam.
1. Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 8 juli 2026.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J.P.G. Du Chatinier heeft gevorderd:
4. Waardering van het bewijs
Bewijswaardering
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, wettig en overtuigend bewezen kan worden. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte het slachtoffer op zijn slaap/achterhoofd slaat. Het hoofd is een kwetsbaar onderdeel van het lichaam. Bovendien werd de klap op een onverwacht moment gegeven, op het hoofd van iemand die onder invloed van was. Die combinatie van factoren maakt dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsgevolgen, dan wel te worden vrijgesproken, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Hiertoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verweren. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat vier mannen, die onder invloed waren, het met elkaar aan de stok hadden. Uit de verklaring van de verdachte en van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] kan worden opgemaakt dat het slachtoffer zich op de verdachte richtte en op hem af kwam rennen. Er bestond geen reële en redelijke mogelijkheid voor de verdachte om zich te onttrekken. De verdachte heeft proportioneel gehandeld door één keer te slaan en daarna weg te lopen.
Beoordeling
Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat de verdachte op 24 juni 2022 het slachtoffer één klap heeft gegeven, waarna het slachtoffer op de grond is gevallen. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer meerdere breuken bij de oogkassen, een breuk van het kaakholtebot, een verbrijzelingsbreuk van de neus en een schedelbreuk opgelopen. Het slachtoffer heeft in totaal achttien dagen in het ziekenhuis gelegen. Het letsel van de verdachte moet worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.
Opzet op zwaar lichamelijk letsel?
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of sprake is geweest van het opzettelijk toebrengen van voornoemd zwaar lichamelijk letsel, al dan niet in voorwaardelijke zin.
De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte daadwerkelijk het doel had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waardoor geen sprake is van ‘vol’ opzet. Van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het zwaar lichamelijk letsel – is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het eenmalig slaan tegen het gezicht levert naar het oordeel van de rechtbank geen aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op.
Het voorgaande betekent dat niet kan worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde zware mishandeling.
Mishandeling, met zwaar letsel tot gevolg?
Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de verdachte het slachtoffer pijn en letsel heeft toegebracht. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte daarbij heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging en hem daarom een beroep op noodweer toekomt.
Op de ter zitting getoonde camerabeelden is te zien dat de verdachte de situatie meermaals zelf opzoekt. Hij had in eerste instantie niets te maken met de situatie tussen de vechtende mannen aan de overkant van de straat. Daar komt bij dat de verdachte, op het moment dat hij wel in de buurt was van de ruziënde mannen, had kunnen weglopen en de situatie had kunnen verlaten. Verder is op de beelden niet zichtbaar, en evenmin is dit anderszins aannemelijk geworden, dat het slachtoffer dreigend de richting van de verdachte opkwam. Gelet op deze feiten en omstandigheden is niet aannemelijk geworden dat de verdachte zich in een noodweersituatie bevond. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer dan wel putatief noodweer toekomt. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
De subsidiair ten laste gelegde mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, is wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij
op of omstreeks 24 juni 2022 te Rotterdam
[slachtoffer] heeft mishandeld door
die [slachtoffer] met kracht op/tegen het hoofd (bij de slaapstreek)
te stompen, als gevolg waarvan die [slachtoffer] (hard) ten val is gekomen en/of
(daarbij) (hard) met zijn hoofd tegen/op de straat is geslagen/gestoten en/of daarbij
het bewustzijn heeft verloren,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ,
te weten gebroken oogkassen en/of een gebroken kaak(bijholte) en/of meerdere
breuken van het neusbotje en/of een schedelbreuk en/of (mogelijk blijvend)
hersenletsel ten gevolge heeft gehad
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.
5. Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6. Strafbaarheid verdachte
Standpunt verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat de verdachte eventueel verder heeft gehandeld dan geboden was, omdat hij mocht aannemen dat sprake was van een (dreigende) noodweersituatie. De rechtbank begrijpt dat de verdediging hiermee een beroep doet op noodweerexces.
Beoordeling
Zoals hierboven is overwogen, is een noodweersituatie niet aannemelijk geworden. Hieruit volgt dat ook het beroep op van noodweerexces niet slaagt. Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7. Motivering straf
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] een klap tegen zijn hoofd heeft gegeven die daardoor op de grond is gevallen. Het slachtoffer heeft daarbij zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder een bloeding tussen de schedel en hersenvliezen, breuken van de oogkassen, een gebroken kaakbijholte en een meervoudige breuk van het neusbotje. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke levenssfeer en het veiligheidsgevoel van het slachtoffer. Ook veroorzaken dergelijke geweldsfeiten onrust binnen de samenleving. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
Uit de justitiële documentatie van 5 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor onder meer oplichting en openlijk geweld.
Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting
Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (JBRR) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 juni 2026. Het rapport houdt onder meer het volgende in.
De verdachte is op dit moment niet in staat om te werken danwel onderwijs te volgen. Hij ontvangt een bijstandsuitkering. Sociale activering is mislukt, omdat de verdachte stress ervaart als hij er een dagtaak bij krijgt. Daarbij ervaart hij ook veel lichamelijke klachten. Dit is geen onwil maar onmacht.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de verdachte schuldig is aan de zware mishandeling adviseert JBRR om hem een onvoorwaardelijke straf op teleggen die gelijk is aan het voorarrest, met daarbij een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar. Gezien de lange tijd die de verdachte begeleiding heeft gehad vanuit JBRR, is het advies om geen (jeugd) reclasseringstoezicht op te leggen. Het hoogst haalbare is uit de begeleiding gehaald. Verder adviseert JBRR om ten aanzien van de strafmaat rekening te houden met de kwetsbaarheid van de verdachte en de lange schorsingsperiode.
Reclassering Nederland (de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 juli 2026. Het rapport houdt onder meer het volgende in.
Sinds 2023 is het toezicht in onderhavige zaak van start gegaan en de verdachte stelt zich nog immer meewerkend op. Gedurende het toezicht is dagbesteding vanwege de medische klachten van de verdachte niet van de grond gekomen. Na onderhavig feit is de verdachte niet gerecidiveerd. Evenals de JBRR acht de reclassering continuering van het toezicht niet noodzakelijk, aangezien de kans op herhaling verlaagd lijkt te zijn. Bij veroordeling wordt dan ook een geheel voorwaardelijke straf geadviseerd zonder toezicht.
Deskundige [vertegenwoordiger van de GI] , werkzaam bij JBRR, heeft op de zitting ter aanvulling op het rapport naar voren gebracht dat voortzetting van het toezicht niet noodzakelijk is. De verdachte heeft het goed gedaan.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Jeugdstrafrecht
De rechtbank stelt vast dat de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.
Straf
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie van enige duur. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt ook rekening met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een straf die tot gevolg heeft dat de verdachte terug moet naar de jeugdgevangenis, niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de verdachte is en daarmee ook niet in het belang van de samenleving. Daarom wordt de onvoorwaardelijk op te leggen jeugddetentie beperkt tot de tijd die de verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.
8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde] , ter zake van het tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 11.355,- aan materiële schade en een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de kostenposten ‘kleding’ en ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’ kunnen worden toegewezen. Het deel van de vordering dat ziet op de kostenposten ‘gemist inkomen’ is onvoldoende onderbouwd, maar de officier van justitie verzoekt wel een voorschot toe te wijzen van € 5.000,-. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de officier van justitie de gehele vordering van € 10.000,- toe te wijzen.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair verzocht benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de vordering door de complexiteit een onevenredige belasting van het strafgeding met zich zou brengen. Meer subsidiair refereert de verdediging zich wat betreft de kostenposten ‘kleding’ en ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’ aan het oordeel van de rechtbank. De kostenpost ‘gemist inkomen’ is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij dient wat dat betreft niet-ontvankelijk te worden verklaard of de vordering dient gematigd te worden tot € 2.500,-. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de verdediging om de hoogte van de vordering te matigen tot € 5.000,-.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het deel van de vordering dat ziet op de kostenposten ‘kleding’ van € 200,- en ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’ van € 595,- is door de verdachte niet weersproken en is genoegzaam onderbouwd. Deze bedragen zullen worden toegewezen.
Wat betreft de gevorderde schadevergoeding in verband met gederfde inkomsten geldt dat de verdediging deze schadepost gemotiveerd heeft weersproken. Gelet op de complexiteit van deze vordering is de rechtbank van oordeel dat deze een onevenredige belasting van het strafgeding met zich meebrengt. Voor zover de vordering ziet op gederfde inkomsten zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij immateriële schade is toegebracht. Nu uit het dossier en de vordering blijkt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, kan hij aanspraak maken op vergoeding van die schade (artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek). Verder is gebleken dat het strafbare feit geestelijk letsel tot gevolg heeft voor de benadeelde partij.
Bij de begroting van de schade heeft de rechtbank acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank heeft bij de begroting van de schade ook gelet op andere relevante factoren, waaronder de ernst van het feit. Gelet op al het voorgaande, zal de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 3.000,-. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal dus tot voornoemd bedrag worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige deel van de gevorderde immateriële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 24 juni 2022.
Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 3.795,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 300 van het Wetboek van Strafrecht.
10. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11. Beslissing
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 87 (zegge: zevenentachtig) dagen;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde], te betalen een bedrag van € 3.795,-, (zegge: drieduizendzevenhonderdvijfennegentig), bestaande uit € 795,- aan materiële schade en
€ 3.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 24 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 3.795,-, (hoofdsom, zegge: drieduizendzevenhonderdvijfennegentig ), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2022 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.M. Stolk, voorzitter, tevens kinderrechter,
en mrs. P.C. Tuinenburg en C.C. Peterse, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2026.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij
op of omstreeks 24 juni 2022 te Rotterdam
aan [slachtoffer]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken oogkassen en/of een gebroken
kaak(bijholte) en/of meerdere breuken van het neusbotje en/of een schedelbreuk
en/of (mogelijk blijvend) hersenletsel, heeft toegebracht door
die [slachtoffer] met kracht op/tegen het hoofd (bij de slaapstreek)
te stompen, als gevolg waarvan die [slachtoffer] (hard) ten val is gekomen en/of
(daarbij) (hard) met zijn hoofd tegen/op de straat is geslagen/gestoten en/of
daarbij het bewustzijn heeft verloren;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij
op of omstreeks 24 juni 2022 te Rotterdam
[slachtoffer] heeft mishandeld door
die [slachtoffer] met kracht op/tegen het hoofd (bij de slaapstreek)
te stompen, als gevolg waarvan die [slachtoffer] (hard) ten val is gekomen en/of
(daarbij) (hard) met zijn hoofd tegen/op de straat is geslagen/gestoten en/of daarbij
het bewustzijn heeft verloren,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel voor die [slachtoffer] ,
te weten gebroken oogkassen en/of een gebroken kaak(bijholte) en/of meerdere
breuken van het neusbotje en/of een schedelbreuk en/of (mogelijk blijvend)
hersenletsel ten gevolge heeft gehad.