ECLI:NL:RBROT:2026:11089

ECLI:NL:RBROT:2026:11089

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 22-07-2026
Datum publicatie 03-09-2026
Zaaknummer 10/226539-24 en 10/085659-24 (gevoegd ttz). Vordering TUL 10/185150-23 en 10/338560-23
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Jeugdstrafrecht. Veroordeling vernieling. Beroep op noodweerexces slaagt niet. Toepassing jeugdstrafrecht. Oplegging werkstraf, waarbij rekening wordt gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10/226539-24 en 10/085659-24 (gevoegd ttz)

Parketnummers vordering TUL: 10/185150-23 en 10/338560-23

Datum uitspraak: 22 juli 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres] ,

raadsman: mr. J. Vermaat, advocaat in Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 8 juli 2026.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.P.G. Du Chantinier heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Bewijswaardering - 10/226539-24

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en baseert zich daarbij op de verklaring van het slachtoffer en de camerabeelden. Uit het dossier blijkt dat de verdachte [slachtoffer] uiteindelijk met één arm om zijn nek vasthoudt. Hij houdt hem gedurende langere tijd in een stevige nekklem. Uit jurisprudentie volgt dat een nekklem een poging zware mishandeling kan zijn. Ook naar algemene ervaringsregels is de kans aanmerkelijk te achten dat een nekklem zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. Zo kan al binnen een minuut hersenletsel tot stand komen. Daar komt bij dat het slachtoffer aangeeft dat hij misselijk werd. Door zo te handelen als de verdachte heeft gedaan is er een reëel risico dat een persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder parketnummer 10/226539-24 subsidiair ten laste gelegde mishandeling, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Hiertoe is aangevoerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De verdachte had rondom de periode van het incident ruzie met het slachtoffer. De dag voorafgaand aan het incident is de verdachte door een groep jongens, waaronder het slachtoffer, fors in elkaar geslagen. Toen de verdachte het slachtoffer de volgende dag weer tegenkwam wist hij dat hij (opnieuw) uit was op een vechtpartij. De verdachte zag dat het slachtoffer een mes in zijn hand had. Ook op de camerabeelden is een voorwerp te zien en er lijkt een mes gebruikt te zijn gelet op het gat in de jas van de verdachte. Om zichzelf te verdedigen fixeert de verdachte de aangever, door hem bij zijn nek te pakken en op de grond te leggen. Hierbij zijn de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden.

Beoordeling

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is vast komen te staan dat de verdachte en het slachtoffer elkaar op 11 juli 2024 treffen op de Korte Lijnbaan in Rotterdam. Zij lopen/botsen tegen elkaar aan, waarna er een vechtpartij ontstaat. Op de camerabeelden is te zien de verdachte het slachtoffer onder andere op de grond gooit en bij zijn nek vastpakt. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer verwondingen opgelopen.

Poging zware mishandeling?

De vraag die de rechtbank allereerst dient te beantwoorden is of sprake is van een poging zware mishandeling. Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot zware mishandeling, moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Vast staat dat de verdachte het slachtoffer heeft vastgepakt bij zijn nek. Niet is vast te stellen op welke manier en met welke kracht de verdachte het slachtoffer om zijn nek vasthoudt. Op de beelden is niet te zien of de verdachte het slachtoffer wurgt, danwel in een nekklem houdt. Wel is te zien dat het slachtoffer nog beweegt, dat hij slechts met één hand wordt vastgehouden en dat het slachtoffer, op het moment dat de verdachte hem loslaat, opspringt en moet worden tegengehouden. Dat past niet bij het langere tijd dichtknijpen van de keel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat sprake is van verwurging, danwel een stevige nekklem die mogelijk zwaar lichamelijk letsel oplevert. Dit betekent dat de verdachte zal worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging zware mishandeling.

Mishandeling?

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat de verdachte het slachtoffer op 11 juli 2024 pijn en letsel heeft toegebracht. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte daarbij heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging en hem daarom een beroep op noodweer toekomt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Op de camerabeelden is te zien dat de verdachte en het slachtoffer op elkaar aflopen en de confrontatie met elkaar zijn aangegaan. Geen van beiden gaat aan de kant of besluit weg te lopen van deze confrontatie. De rechtbank stelt vast dat daartoe in de winkelstraat waar de confrontatie plaatsvond wel de mogelijkheid bestond. Zowel de verdachte als het slachtoffer gaan de situatie evenwel niet uit de weg en belanden in een gevecht. Gelet op deze feiten en omstandigheden is een noodweersituatie niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Conclusie

De primair ten laste gelegde poging zware mishandeling is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De subsidiair ten laste gelegde mishandeling is wettig en overtuigend bewezen.

Bewijswaardering 10-085659-24

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde vernieling en voert daartoe aan dat de verdachte niet het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de vernieling. In beginsel zijn cellen hufterproof, zodat er geen aanmerkelijk kans is op schade bij het hangen aan een ventilatierooster. Als die aanmerkelijke kans er al zou zijn dan is de verdachte zich daar niet bewust van geweest. De verdachte zat al de gehele dag (ruim tien uur) in de cel op de rechtbank en is zichzelf uit verveling gaan optrekken aan het ventilatierooster om de tijd te doden.

Beoordeling

Vast staat dat de verdachte in de cel aan het ventilatierooster is gaan hangen. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat hij daarmee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op beschadiging/vernieling van het ventilatierooster. De ten laste gelegde vernieling is wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder het parketnummer 10/226539-24 subsidiair ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 10/085659-24 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

Parketnummer 10/226539-24

hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Rotterdam,

[slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] meermaals in/tegen het gezicht te slaan,

- de nek van die [slachtoffer] vast te pakken en/of vervolgens te wurgen en/of zijn armen

om de nek van die [slachtoffer] vast te klemmen, en/of

- die [slachtoffer] op/tegen de grond te gooien;

Parketnummer 10/085659-24

hij op of omstreeks 22 december 2023 te Rotterdam,

opzettelijk en wederrechtelijk een ventilatierooster, althans een cel, in elk geval enig

goed, dat/die geheel of ten dele aan de rechtbank Rotterdam, in elk geval aan een

ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en onbruikbaar gemaakt en/of

weggemaakt;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Parketnummer 10/226539-24

Mishandeling;

Parketnummer 10/085659-24

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Er zijn geen overige feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Standpunt verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte ten aanzien voor het ten laste gelegde feit onder parketnummer 10/226539-24 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op noodweerexces toekomt. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte heel bang was voor het slachtoffer. De gemoedstoestand van de verdachte rechtvaardigt een beroep op noodweerexces.

Beoordeling

Hierboven is overwogen dat een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden. Daaruit volgt dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Het verweer wordt verworpen.

Conclusie

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op negentienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan mishandeling waarbij hij het slachtoffer onder andere tegen zijn hoofd heeft geslagen en bij zijn nek heeft vastgegrepen. Dit alles gebeurde op klaarlichte dag op straat in een druk bezocht winkelcentrum de Lijnbaan in Rotterdam. Door aldus te handelen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en bij hem, en de omstanders, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Daarnaast heeft de verdachte zich op achttienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan vernieling van een ventilatierooster van de rechtbank Rotterdam, door in de cel aan het rooster te gaan hangen. De verdachte heeft door zijn gedrag geen respect getoond voor de eigendommen van anderen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De verdachte liep nog in twee proeftijden voor een veroordeling wegens wederrechtelijk verblijf op een haventerrein en is eerder veroordeeld voor vernieling.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

Reclassering Nederland (de reclassering) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 2 juli 2026. Dit rapport houdt, voor zover van belang, het volgende in.

De verdachte heeft binnen zijn schorsingstoezicht grote stappen in de goede richting gezet. Hij heeft stabiele huisvesting, is actief bezig met het vinden en behouden van dagbesteding en staat in contact met Geldplein voor zijn schulden. Daarnaast heeft de verdachte positieve keuzes gemaakt ten aanzien van zijn sociaal netwerk en blowt hij minder. Voor de problematiek op het gebied van zijn psychosociaal functioneren is hij behandeld door De Waag en deze behandeling zit in de afrondende fase. Eventuele vervolgbehandeling is niet geïndiceerd. Het positieve beeld wordt bevestigd door alle referenten die de reclassering heeft gesproken. Het toezicht van de verdachte bij de volwassenreclassering verloopt

tevens goed. Zijn toezichthouder vindt voortzetting wel geïndiceerd waarbij de focus zal liggen op het behouden van dagbesteding, het vergroten van een positief sociaal netwerk en het aflossen van zijn schulden. De verdachte heeft aangegeven open te staan voor hulp bij praktische zaken en de voorwaarden zoals geadviseerd acht hij redelijk en wenselijk. Het recidiverisico in als laag-gemiddeld ingeschat. Het advies is om jeugdstrafrecht toe te passen.

Deskundige [naam] , werkzaam bij de reclassering, heeft op de zitting ter aanvulling op het rapport naar voren gebracht dat het goed gaat met de verdachte. Hij is er nog niet en moet nog verdere stappen zetten, maar hij doet goed zijn best. De verdachte heeft een fijne verblijfplek. Sinds hij daar verblijft heeft de verdachte meer rust en is het gelukt om stappen te zetten binnen het toezicht. Hoewel dit een beschermende factor is, is het ook een risicofactor indien deze plek onverhoopt zou wegvallen. Verder is ook de dagbesteding zowel een beschermende als een risicofactor. De verdachte is laatst ontslagen bij zijn werkplek en start binnenkort als zzp-er bij een glasvezelbedrijf. De behandeling van de verdachte bij De Waag is bijna positief afgerond en de behandelaar merkt dat er een kentering heeft plaatsgevonden bij de verdachte.

GZ-psycholoog [behandelaar] (NIFP) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 5 februari 2025. Dit rapport ziet enkel op het onder het parketnummer 10/226539-24 ten laste gelegde feit en houdt, voor zover van belang, het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een andere stressgerelateerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis, een stoornis in het gebruik van cannabis en van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Dit was ook aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde feit. Indien het feit wordt bewezen, wordt geadviseerd om deze in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Bij de verdachte is sprake van een zeer beperkte agressieregulatie en een verhoogde prikkelbaarheid en alertheid, hetgeen direct verband heeft met dit problematische gedrag. De verdachte is vanwege zijn traumatisch verleden zeer alert en geneigd om bij stressvolle situaties sterke fysiologische reacties te hebben. Zijn

agressieregulatieproblematiek heeft hierbij luxerend gewerkt. De indruk is dat hoewel de verdachte deels bewust het conflict aan is gegaan hij hier door zijn problematiek minder keuzevrijheid in heeft gehad. Hij voelde zich door zijn psychotrauma’s eerder bedreigd en heeft gemeend hier met agressie op te moeten reageren. Gezien de duur van de afhandeling van de ten laste gelegde feiten, is het op gedragsdeskundig vlak complex om een passend advies te formuleren. Een intensieve behandeling met een duidelijke stok achter de deur zou vanwege de ernst van de problematiek opportuun zijn. Het is echter de vraag in hoeverre een dergelijke behandeling, gelet op het mogelijke strafrestant, nog in proportie staat. Dit mede ingegeven vanuit de vraag in hoeverre betrokkene ook daadwerkelijk zou kunnen profiteren van een dergelijke interventie. Gelet op alle omstandigheden wordt het passender geacht om betrokkene middels reclasseringstoezicht te begeleiden op een aantal sociaal contextuele factoren.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd toen hij de leeftijd van 18 jaren had bereikt. Gelet op de genoemde rapportages, de gegeven adviezen en de geschetste persoonlijkheid van de verdachte, zal de rechtbank ten aanzien van het bewezenverklaarde op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht het jeugdstrafrecht toepassen.

Toerekeningsvatbaarheid

De conclusie van de psycholoog wordt gedragen door haar bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis die ook aanwezig was ten tijde van het plegen van het onder parketnummer 10/226539-24 tenlastegelegde feite acht de rechtbank de verdachte voor deze feiten verminderd toerekeningsvatbaar.

Straf

Anders dan waartoe de officier van justitie heeft gerekwireerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van jeugddetentie. De verdachte heeft zich sinds de bewezenverklaarde feiten, inmiddels alweer een ruime tijd geleden, positief ontwikkeld. De verdachte heeft stabiele huisvesting, is actief bezig met het vinden en behouden van een dagbesteding en maakt positieve keuzes ten aanzien van zijn sociaal netwerk. Ook heeft hij goed meegewerkt aan de hulpverlening in de vorm van een behandeling bij De Waag en staat verdachte ook in de toekomst open voor de hulpverlening. Daarnaast verloopt de samenwerking in het kader van het reclasseringstoezicht positief.

De rechtbank houdt ook rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank ziet daarom aanleiding om enkel een taakstraf, in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, nu de verdachte zich in het reeds langlopende toezicht goed heeft ontwikkeld.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde] , ter zake van het onder parketnummer 10-226539-24 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 2.000,- aan materiële schade en een bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de officier van justitie dat een vergoeding van € 500,- op zijn plaats is en verzoekt de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. De officier van justitie heeft daarnaast de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair is verzocht rekening te houden met de eigen schuld van de benadeelde partij.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een hoge mate van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Op de camerabeelden is te zien dat de benadeelde partij de confrontatie opzoekt en niet uit de weg gaat. Het aandeel van de benadeelde partij in het ontstaan van het gevecht is minstens even groot als dat van de verdachte. In die omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een schadevergoeding niet op zijn plaats is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom af.

Conclusie

De verdachte hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de benadeelde partij.

9. Vordering tenuitvoerlegging

Vordering met parketnummer 10/185150-23

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 15 november 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 150 dagen, waarvan een gedeelte groot 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 30 november 2023. Bij vonnis van de kinderrechter van 10 december 2024 is een gedeelte groot 60 dagen van de voorwaardelijke straf ten uitvoer gelegd.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht een gedeelte groot 14 dagen van de voorwaardelijke straf ten uitvoer te leggen en om te zetten in een werkstraf voor de duur van 28 uur.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop, ziet de rechtbank echter reden om hiervan af te zien. De rechtbank zal de vordering tenuitvoerlegging afwijzen.

Vordering met parketnummer 10/338560-23

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 24 mei 2024 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 60 dagen, waarvan een gedeelte groot 15 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 7 juni 2024.

Standpunt officier van justitie

De officier heeft verzocht de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer te leggen, maar om de proeftijd te verlengen voor de duur van één jaar.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden redenen gezien die last niet te geven, maar in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met één jaar.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 77a, 77g, 77m, 77n, 77gg, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10-226539-24 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder parketnummer 10-226539-24 subsidiair ten laste gelegde feit en het onder parketnummer 10-085659-24, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 (zegge: tachtig) uren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 0 (zegge: nul) uren te verrichten werkstraf resteren;

wijst af de vordering van de benadeelde partij [benadeelde];

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis met parketnummer 10-185150-23 van 15 november 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde jeugddetentie;

verlengt de proeftijd van de bij vonnis met parketnummer van 10-338560-23 van 24 mei 2024 van de politierechter van deze rechtbank opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie met één jaar;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Stolk, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. P.C. Tuinenburg en C.C. Peterse, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 juli 2026.

De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Parketnummer 10/226539-24

hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer] meermaals in/tegen het gezicht heeft geslagen,

- de nek van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of vervolgens heeft gewurgd en/of zijn

armen om de nek van die [slachtoffer] heeft vastgeklemd, en/of

- die [slachtoffer] op/tegen de grond heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 juli 2024 te Rotterdam,

[slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] meermaals in/tegen het gezicht te slaan,

- de nek van die [slachtoffer] vast te pakken en/of vervolgens te wurgen en/of zijn armen

om de nek van die [slachtoffer] vast te klemmen, en/of

- die [slachtoffer] op/tegen de grond te gooien;

Parketnummer 10/085659-24

hij op of omstreeks 22 december 2023 te Rotterdam,

opzettelijk en wederrechtelijk een ventilatierooster, althans een cel, in elk geval enig

goed, dat/die geheel of ten dele aan de rechtbank Rotterdam, in elk geval aan een

ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of

weggemaakt.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand