ECLI:NL:RBROT:2026:11192

ECLI:NL:RBROT:2026:11192

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 07-09-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer 10.139712.26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

De verdachte heeft een man zwaar mishandeld door hem met vuisten in het gezicht te slaan. Het beroep op (putatief) noodweer (exces) wordt verworpen. De verdachte wordt vrijgesproken van (poging tot zware) mishandeling van zijn ex-partner, vernieling van een telefoon en bedreiging. De rechtbank legt aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf op en een taakstraf van 120 uur op. De vordering van de benadeelde partij (de man) wordt gedeeltelijk toegewezen en de vordering van benadeelde partij (ex-partner) wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10.139712.26

Datum uitspraak: 7 september 2026

Datum zitting: 24 augustus 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1990 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),

ingeschreven op het adres [adres], [postcode] te [plaatsnaam].

Advocaat van de verdachte: mr. H.L. Heemskerk (waarnemend voor mr. R. Heemskerk)

Officier van justitie: mr. M. Vollebregt

Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. N.M. Fakiri

Kern van het vonnis

Op 9 mei 2026 heeft de verdachte [benadeelde partij 2] zwaar mishandeld door hem met vuisten in het gezicht te slaan. Het beroep op (putatief) noodweer (exces) wordt verworpen. De verdachte wordt vrijgesproken van (poging tot zware) mishandeling van [benadeelde partij 1], vernieling van een telefoon en bedreiging. De rechtbank legt aan de verdachte een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf op en een taakstraf van 120 uur op. De vordering van de [benadeelde partij 2] wordt gedeeltelijk toegewezen en de vordering van [benadeelde partij 1] wordt niet-ontvankelijk verklaard.

1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - heeft gepoogd [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, subsidiair ten laste gelegd als mishandeling, [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, subsidiair ten laste gelegd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, meer en meest subsidiair ten laste gelegd als mishandeling, een aan [slachtoffer 2] toebehorende telefoon heeft vernield en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:

1

primair

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Vlaardingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten zijn verdachtes, (ex) levengezel, [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal,

- ( met kracht) te slaan in het gezicht en/of

- te duwen tegen het lichaam en/of

- te schoppen op/tegen het lichaam en/of

- bij haar haren te pakken en/of

- bij de keel te pakken

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Vlaardingen, [slachtoffer 1], heeft mishandeld, door haar meermaals, althans eenmaal, te slaan en/of te schoppen en/of te duwen en/of aan haar haren te trekken en/of bij haar keel vast te pakken, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn (ex) levensgezel;

2

primair

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Vlaardingen, aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel een gebroken kaak en/of een gebroken neus en/of een

gebroken oogkas heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 2] meermaals, althans eenmaal te slaan en/of te schoppen tegen het lichaam;

subsidiair

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Vlaardingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen, althans eenmaal, te slaan in het gezicht, althans op/tegen het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Vlaardingen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem meermaals, althans eenmaal te slaan in het gezicht, althans op/tegen het lichaam;

meest subsidiair

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Vlaardingen, [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door hem meermaals, althans eenmaal, te slaan in het gezicht;

3

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Vlaardingen, opzettelijk en wederrechtelijk, een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 2], toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

4

hij op of omstreeks 9 mei 2026 te Vlaardingen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een mes te tonen.

2. Vrijspraak feiten 1, 3 en 4 / Bewijs feit 2

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor feit 2 primair (met uitzondering van het schoppen tegen het lichaam) en dat hij wordt vrijgesproken van de feiten 1, 3 en 4.

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 primair, 3 en 4. De verdediging heeft ten aanzien van het onder 2 (meer/meest) subsidiair gevorderde geen bewijsverweren gevoerd. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feiten 1 primair en subsidiair, 3 en 4

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten 1 primair en subsidiair, 3 en 4. Nu hierover geen discussie bestaat, zal de rechtbank deze vrijspraken niet nader motiveren.

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 2 primair

Bewezen is dat:

hij op 9 mei 2026 te Vlaardingen aan een ander, te weten [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, namelijk een gebroken kaak en een gebroken neus en een

gebroken oogkas heeft toegebracht, door deze [slachtoffer 2] meermaals te slaan tegen het lichaam.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Ik ben op 9 mei 2026 naar het huis van [slachtoffer 1] in Vlaardingen gegaan. [slachtoffer 2] opende de deur voor mij. In de gang hebben [slachtoffer 2] en ik gevochten. Ik heb [slachtoffer 2] met vuisten geslagen in het gezicht.

2. Proces-verbaal van de politie, verklaring van [slachtoffer 2]

Ik zag en voelde dat ik heel veel harde vuistslagen in mijn gezicht kreeg. Ik was heel duizelig en voelde veel pijn in mijn gezicht. Ik zag en voelde dat ik weer vuistslagen in mijn gezicht kreeg van de forse man.

Ik ben gelijk naar het Medisch Centrum in Spijkenisse gegaan, waar de dienstdoende arts constateerde dat mijn linker oogkas op zes plekken gebroken is, mijn neus op twee plekken gebroken is, mijn linker en rechter kaak gebroken zijn en dat ik daarnaast een zware hersenschudding heb. Ik word op 11 mei 2026 geopereerd aan mijn neus.

3. Proces-verbaal van de politie, aanvullende verklaring van [slachtoffer 2]

Ik blijk een gebroken neus en beide kaken gebroken te hebben. Mijn kaken zijn verbrijzeld en daar zullen morgen, 13 mei 2026, in het Ikazia Ziekenhuis platen ingezet worden.

4. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring

11-05-2026, betreffende [slachtoffer 2]

S

Letselbeschrijving betreffende incident op 9-5-2026.

O

Waargenomen letsel bij het uitgevoerd lichamelijk onderzoek.

1. Rondom het linker oog doorlopend van het bovenste ooglid en het onderste ooglid is een diep rood-paarse scherp begrensde huidverkleuring aanwezig

Duiding: bloeduitstorting

2 - Bij het rechter onderste ooglid is een matig scherp begrensde blauw-gele huidverkleuring aanwezig

Duiding: bloeduitstorting

3 - Bij de rechterzijde van het hoofd tussen het oor en het oog in is een matig scherp begrensde blauw-gele huidverkleuring aanwezig met hierbij enige onderhuidse zwelling van +/- 5 cm bij 4 cm

Duiding: bloeduitstorting

Vanuit de aanwezige brief van het medisch consult in het Spijkenisse Medisch Centrum:

Middels CT-scan werd waargenomen:

Neusbot breuk aan beide zijden

Oogkasbodembreuk links met verplaatsing van een botfragment

Breuk van de voorwand en binnenwand van de linker kaakbijholte

Breuk van de voorwand en buitenwand van de rechter kaakbijholte

E

Betrokkene zal verdere behandeling ondergaan via de kaakchirurg en bij het oogziekenhuis.

P

Bij een ongecompliceerd beloop is de geschatte genezingsduur ten minste 6 weken.

Bewijsmotivering

Uit het dossier volgt dat de verdachte [slachtoffer 2] meerdere malen met vuisten tegen het gezicht, dat een onderdeel van het lichaam is, heeft geslagen. [slachtoffer 2] heeft hierdoor naast bloeduitstortingen in zijn gezicht, een gebroken oogkas, neus en kaak opgelopen. Aan zijn neus en kaak is hij inmiddels geopereerd. Op de terechtzitting heeft [slachtoffer 2] via zijn raadsman verteld dat hij nu, zo’n drie maanden later, nog steeds veel pijn heeft bij het eten en praten.

Niet is komen vast te staan dat de verdachte [slachtoffer 2] ook heeft geschopt. De verdachte wordt daarvan partieel vrijgesproken.

Zwaar lichamelijk letsel

Gelet op de aard van het letsel, de noodzaak van medische behandelingen en de duur van het herstel (dat blijkbaar nog steeds gaande is) merkt de rechtbank het letsel aan als zwaar lichamelijk letsel.

Opzet

De verdediging heeft aangevoerd dat het opzet op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier en de behandeling ter zitting niet worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2]. De vraag is of de verdachte daar wel voorwaardelijk opzet op heeft gehad. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Vast staat dat de verdachte [slachtoffer 2] meerdere keren met zijn vuisten tegen het gezicht heeft geslagen. Op zo’n manier dat [slachtoffer 2] daaraan breuken aan neus, oogkas en kaak heeft overgehouden. Hieruit volgt dat de verdachte [slachtoffer 2] met kracht heeft geslagen. Het gezicht is een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam. Als men daar met kracht op slaat, zoals de verdachte heeft gedaan, is naar algemene ervaringsregels de kans dat dit slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt aanmerkelijk. Door op deze wijze te handelen, heeft de verdachte deze kans ook bewust aanvaard. Daarmee is het voorwaardelijk opzet van de verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 2] gegeven.

3. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

2 primair

zware mishandeling

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Beroep op strafuitsluitingsgrond (feit 2)

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op (putatief) noodweer (exces) toekomt. [slachtoffer 2] maakte als eerste een slaande beweging. De verdachte mocht zich hiertegen verweren. De verdachte verkeerde bovendien in een hevige gemoedstoestand omdat hij zich grote zorgen maakte over de situatie van zijn zoontje.

Standpunt van de officier van justitie

Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad dient er objectief gezien sprake te zijn van een concrete dreigende aanval. Het enkel dreigend overkomen is niet genoeg. Op basis van het dossier is een dergelijke dreigende aanval niet aannemelijk geworden. Als de rechtbank van oordeel is dat sprake was van een dreigende aanval, geldt dat de reactie van de verdachte daarop niet aan de daaraan te stellen eisen van subsidiariteit en proportionaliteit voldeed. Hierbij neemt de officier van justitie in aanmerking dat de verdachte gelet op de situatie andere keuzes had kunnen maken, bijvoorbeeld door weg te lopen.

Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

De rechtbank is van oordeel zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Dat [slachtoffer 2] als eerste een slaande beweging heeft gemaakt, richting de verdachte, zoals de verdediging aanvoert, vindt onvoldoende steun in het dossier. Maar ook als ervan wordt uitgegaan dat [slachtoffer 2] een slaande beweging richting de verdachte heeft gemaakt, was er voor de verdachte geen noodzaak om [slachtoffer 2] te slaan, laat staan om dit meerdere keren met kracht te doen. De verdachte heeft verklaard dat hij van buiten de woning door de voordeur naar binnen kwam en dat [slachtoffer 2], die de deur had open gedaan, in de woning in een smalle gang stond. Daarmee had de verdachte de eenvoudige mogelijkheid om zich van de ontstane situatie te distantiëren door naar buiten te lopen. Hij had dus anders kunnen en moeten reageren. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie, kan het beroep op noodweer exces evenmin slagen.

Voor een geslaagd beroep op putatieve noodweer is vereist dat aannemelijk is geworden dat de verdachte abusievelijk in de veronderstelling verkeerde zich te moeten verdedigen dan wel zich te mogen verdedigen. De verdediging heeft ter onderbouwing hiervan geen feiten en omstandigheden aangevoerd. Het beroep op putatief noodweer wordt dus eveneens verworpen.

Nu er overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden zijn die de strafbaarheid van het feit en van de verdachte uitsluiten, is het feit strafbaar en de verdachte strafbaar.

4. Straf

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet voor feit 2 primair worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen (met aftrek van het voorarrest) waarvan 38 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Gelet op de situatie dat sprake was van huiselijk geweld in de woning van [slachtoffer 1], dient een contact- en locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] opgelegd te worden, ondanks de vrijspraak van feit 1. Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur te vervangen door 40 dagen hechtenis,

Standpunt van de verdediging

Verzocht wordt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest. Daarnaast wordt verzocht een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Ernst en omstandigheden van het feit

Op 9 mei 2026 heeft de verdachte [slachtoffer 2] zwaar mishandeld door hem meerdere keren in het gezicht te slaan, met zodanige kracht dat hij meerdere botten in zijn gezicht brak. De verdachte heeft niet alleen [slachtoffer 2] pijn gedaan en zijn lichamelijke integriteit aangetast, maar heeft hem ook angst aangejaagd. Uit de aangifte van [slachtoffer 2] en uit het namens hem op de terechtzitting uitgeoefende spreekrecht, blijkt dat deze gebeurtenis (nog steeds) een grote impact op hem heeft. Het herstel van zijn lichamelijke klachten is na maanden nog niet afgerond. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 juli 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt dus niet tot een hogere straf.

Rapport van de reclassering

In het rapport van Reclassering Nederland van 30 juli 2026 staat het volgende.

De reclassering ziet de relatie met de ex-partner [slachtoffer 1] en het psychosociaal functioneren van de verdachte als delictgerelateerde factoren en ziet op deze gebieden tevens risicofactoren. De verdachte lijkt onvoldoende vaardigheden te hebben om problemen op een adequate manier op te lossen. De risicofactor rondom de zorg van zijn zoon blijft reeds bestaan. De verdachte maakt zich zorgen om het verblijf van zijn zoon bij zijn ex-partner, daar zij mogelijk drugs zou gebruiken. Er kan niet worden uitgesloten dat deze situatie in de toekomst opnieuw voor een escalatie zorgt. Positief acht de reclassering de houding van de verdachte. De verdachte loopt in een schorsingstoezicht voor onderhavige tenlastelegging. Hij houdt zich aan de bijzondere voorwaarden en staat goed in contact met zijn toezichthouder. De verdachte zegt zich te zullen blijven conformeren aan de bijzondere voorwaarden. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld-hoog.

Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden:

• Meldplicht bij reclassering;

• Verdiepingsdiagnostiek/Ambulante behandeling;

• Contactverbod met [slachtoffer 1] (met elektronisch toezicht en slachtofferdevice);

• Locatieverbod voor woon- en werkadres [slachtoffer 1] (met elektronisch toezicht);

• Contactverbod met [slachtoffer 2] (zonder elektronisch toezicht).

Oplegging straffen

(Voorwaardelijke) gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden

Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, zoals dit volgt uit de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf van 90 dagen opgelegd. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, te weten 53 dagen. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. Het overige deel van de gevangenisstraf, te weten 37 dagen wordt voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd, met uitzondering van het contact- en locatieverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] gelet op de vrijspraak van feit 1. De voorwaardelijke straf heeft ook als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Taakstraf

Gelet op de ernst van het strafbare feit is tevens oplegging van een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Er wordt een taakstraf van 120 uur opgelegd te vervangen door 60 dagen hechtenis.

5. Voorlopige hechtenis

De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte op 3 juli 2026 geschorst.

De rechtbank heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

6. Vordering van de benadeelde partijen

Vordering [benadeelde partij 1]

heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 26.100,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, gelet op de gevorderde vrijspraak.

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering, gelet op de verzochte vrijspraak. Subsidiair wordt verzocht de vordering te matigen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van feit 1.

Vordering [benadeelde partij 2]

heeft als benadeelde partij voor feit 2 € 4.318,12 als vergoeding voor materiële schade en € 51.161,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

Het gevorderde bedrag aan materiële schade kan volledig worden toegewezen (€ 4.318,12). De immateriële schade dient, gelet op de Rotterdamse schaal, gematigd te worden tot een bedrag van € 18.836,-.

Standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij kan slechts gedeeltelijk worden toegewezen. Het gevorderde bedrag aan immateriële schade met betrekking tot het fysieke en psychische letsel dient gematigd te worden. De gevorderde materiële schade in verband met inkomensverlies is onvoldoende onderbouwd. De verdediging refereert zich ten aanzien van de materiële posten huishoudelijke hulp en eigen risico aan het oordeel van de rechtbank. De vordering tot vergoeding van toekomstige schade is onvoldoende onderbouwd en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden als gevolg van het gepleegde strafbare feit. De verdediging heeft de schadepost eigen risico niet betwist. Een bedrag van € 339,42 wordt daarom toegewezen. De kosten van € 3.486,- die zijn gevorderd ten aanzien van de huishoudelijke hulp zijn eveneens niet betwist en worden als materiële schade toegewezen (in plaats van als immateriële schade zoals is gevorderd).

De gevorderde schade als gevolg van verlies van inkomen is door de verdediging betwist. De rechtbank is van oordeel dat [benadeelde partij 2], gelet op deze betwisting, onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd dat zijn arbeidscontract na de eerste periode van 4 maanden verlengd zou zijn. Wel heeft hij voldoende onderbouwd dat tijdens de duur van het arbeidscontract voor 4 maanden sprake is geweest van een (netto) inkomstenverschil van € 994,70. Dit bedrag wordt daarom toegewezen. In totaal zal een bedrag van € 4.820,12 aan materiële schade worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft als gevolg van het feit onder 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank heeft de schade begroot aan de hand van de Rotterdamse schaal. Het schadebedrag van het kaak- en neusletsel wordt begroot op € 9.500,-. Een vergoeding van € 3.500,- voor de gebroken neus en een bedrag van € 6.000,- voor de gebroken kaak. Het psychisch leed wordt voor dit moment begroot op € 4.000,-.

Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting over het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 13.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen. [benadeelde partij 2] wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering ten aanzien van het oogletsel nu nog onduidelijk is of en zo ja in hoeverre het gezichtsvermogen is aangetast.

Voor wat betreft de gevorderde toekomstige schade is onvoldoende onderbouwd dat de in dat verband aangevoerde kosten zullen worden gemaakt. [benadeelde partij 2] wordt ook niet-ontvankelijk verklaard voor dit deel van de vordering.

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 9 mei 2026.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij (grotendeels) wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 116 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

7. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straffen is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissingen

De rechtbank:

Vrijspraak

verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en subsidiair, 3 en 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

verklaart bewezen dat de verdachte het feit 2 primair, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;

Kwalificatie en strafbaarheid

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

Gevangenisstraf

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Voorwaardelijk strafdeel

bepaalt dat de 37 (zevenendertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

1. de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

2. de verdachte meewerkt aan verdiepingsdiagnostiek. Indien hieruit aanknopingspunten naar voren komen voor een ambulante behandeling, houdt de verdachte zich aan de aanwijzingen die hieruit volgen. Indien uit de verdiepingsdiagnostiek blijkt dat de verdachte een behandeling moet volgen, laat de verdachte zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing/psychische problematiek;

3. de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [aangever], geboren op [geboortedatum 2]-1987, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

Voorlopige hechtenis

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst;

Vorderingen benadeelde partijen

[benadeelde partij 1]

verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);

[benadeelde partij 2]

veroordeelt de verdachte, aan de [benadeelde partij 2] (feit 2), te betalen een bedrag van € 18.320,12 bestaande uit € 4.820,12 als vergoeding van materiële schade en € 13.500,- als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 9 mei 2026 tot de dag van volledige betaling.

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor feit 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 18.320,12 te betalen, en de wettelijke rente vanaf 9 mei 2026 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 116 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.

9. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.F. Koekebakker, voorzitter,

en mrs. N.M. Ketelaar en Y. Peters, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 september 2026.

Mr. N.M. Ketelaar is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F. Koekebakker

Griffier

  • mr. H. Tchang

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand