RECHTBANK ROTTERDAM
Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/723763 / FA RK 26-6002
Referentienummer: ZM/IND/206072
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 5 augustus 2026 betreffende een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz)
op verzoek van:
de officier van justitie in het arrondissement Rotterdam, hierna: de officier,
met betrekking tot:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1989, [geboorteplaats] , [geboorteland] ,
hierna: betrokkene,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.H.S. Vogel te Rotterdam.
1. Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van de officier, ingekomen op 23 juli 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
de medische verklaring opgesteld door [persoon A] , psychiater, van 6 juli 2026;
de zorgkaart van 29 juni 2026, niet door betrokkene mede ondertekend;
het zorgplan van 25 juni 2026;
de bevindingen van de geneesheer-directeur over het zorgplan;
de gegevens over eerder afgegeven machtigingen op grond van de Wet Bopz en de Wvggz;
de relevante politie-, strafvorderlijke en justitiële gegevens van betrokkene.
Betrokkene is niet verschenen.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 5 augustus 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen:
de hiervoor genoemde advocaat;
[persoon B] , psychiater, verbonden aan [zorginsteling] (hierna: de behandelaar).
De officier is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.
2. Beoordeling
De rechtbank heeft vastgesteld dat betrokkene niet bereid was zich te doen horen. De advocaat heeft desgevraagd verklaard dat betrokkene kenbaar heeft gemaakt dat hij op de hoogte is van, en niet bereid is om aanwezig te zijn tijdens, de mondelinge behandeling. Betrokkene heeft de advocaat gemachtigd om namens hem het woord te voeren. Betrokkene is per gewone brief van 29 juli 2026 opgeroepen maar zou hier volgens de psychiater niet meer wonen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 22 augustus 2025 is op grond van artikel 6:4 Wvggz een zorgmachtiging verleend tot en met 22 augustus 2026. De officier heeft op 23 juli 2026 een verzoek ingediend voor een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twee jaar.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, te weten een chronische paranoïde psychose, te classificeren als schizofrenie. Dat betrokkene dit anders ziet, maakt niet dat de rechtbank reden heeft om te twijfelen aan de in de medische verklaring gestelde diagnose.
Het gedrag van betrokkene leidt als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, ernstige verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene recent een paar weken uit beeld is geweest en een aantal keer zijn depot heeft gemist met ernstig nadeel als gevolg, waaronder toenemende agressie richting zijn familie. Zo zou betrokkene de woning van zijn vader, die de ziekte ALS heeft, zijn binnengedrongen en hem geslagen hebben. Ook is betrokkene veroordeeld voor de bedreiging van zijn vader met een mes.
Dit gedrag is niet nieuw. Door de jaren heen zijn er diverse meldingen geweest van huiselijk geweld. Betrokkene is sinds 2012 in beeld bij de forensische psychiatrie vanwege de combinatie van agressief gedrag met paranoïde psychoses en is sinds 20217 met opeenvolgende verplichte zorg maatregelen behandeld. Toch zijn er periodes dat betrokkene uit beeld raakt, omdat hij dakloos is geraakt en soms op straat of in hostels in andere delen van het land of in het buitenland zou slapen.
Om een crisissituatie af te wenden, ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en de geestelijke gezondheid van betrokkene dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat betrokkene onvoldoende bereid is om behandeling of zorg op vrijwillige basis te accepteren.
Meestal conformeert betrokkene zich aan de behandeling, omdat hij zo meer bewijsmateriaal voor zijn bezwaarprocedures kan verzamelen. Ook zou hij de zorgmachtiging willen zodat zijn studieschuld kwijtgescholden zal worden. Toch is geen sprake van consistente of vrijwillige behandeling, omdat betrokkene te vaak uit beeld raakt. Daarnaast zou betrokkene hebben benadrukt dat hij de behandeling (slechts het accepteren van het depot) uitsluitend nakomt omdat er een verplichting ligt. Voor het overige deel van de behandeling spant hij zich niet in. Hoewel betrokkene sinds kort weer het depot accepteert, zijn de wanen en de desorganisatie onverminderd aanwezig, net als het eerder omschreven ernstig nadeel. Om die reden is verplichte zorg nodig.
De in het verzoekschrift opgenomen vormen van verplichte zorg zijn gebaseerd op de medische verklaring, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur. Deze vormen van verplichte zorg zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling besproken.
Namens betrokkene wordt een kortere duur van de opname bepleit.
De rechtbank verwerpt dit verweer. De behandelaar heeft toegelicht dat opname voor de volledige duur van de machtiging voorzienbaar is, omdat de voorgaande opname twaalf maanden heeft geduurd.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles
het beperken van de bewegingsvrijheid;
het insluiten;
het uitoefenen van toezicht op betrokkene;
het onderzoek aan kleding of lichaam;
het onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen;
het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen;
het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende de beperking van het gebruik van communicatiemiddelen en het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken;
het beperken van het recht op het ontvangen van bezoek;
het opnemen in een accommodatie.
De overige door de officier verzochte vormen van verplichte zorg, te weten:
- het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
worden door de rechtbank niet noodzakelijk geacht, omdat de noodzakelijkheid daarvan niet (afdoende) is gemotiveerd en de behandelaar tijdens de mondelinge behandeling gemotiveerd heeft verklaard dat deze niet nodig zijn om het ernstig nadeel af te wenden.
Voor de toegewezen vormen van verplichte zorg zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Verder is de voorgestelde verplichte zorg evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.
Namens betrokkene wordt een kortere duur (twaalf maanden) van de zorgmachtiging bepleit. Hoewel betrokkene vijf jaar ononderbroken verplichte zorg krijgt moet er gekeken worden naar of er sprake is van een medische eindtoestand en of er geen andere behandelmogelijkheden zijn. De advocaat refereert hiervoor naar de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 7 augustus 2023.
De rechtbank sluit zich aan bij dit verweer en overweegt als volgt.
Betrokkene is chronisch psychotisch. De behandelaar licht toe dat zij vorig jaar bezig waren met het afbouwen van de depotmedicatie om te zien wat voor effect dit heeft op betrokkene. Dit leidde echter direct tot een toename van psychotische klachten waardoor duidelijk is gebleken dat behandeling middels depotmedicatie onvermijdelijk is om het ernstig nadeel af te wenden. Volgens de behandelaar is betrokkene ook beter in contact (minder vijandig en aanvallend) als hij regelmatig zijn depotmedicatie krijgt. Betrokkene is echter vaak uit beeld waardoor hij een aantal keer de depotmedicatie niet heeft gekregen, met ernstig nadeel als gevolg. Daarom is nu het doel om betrokkene tijdens opname goed in te stellen op (mogelijk andere) medicatie. Ook zal tijdens opname een WMO-aanvraag worden gedaan en zal er worden gezocht naar een passende beschermde woonlocatie (BW) met zo min mogelijk begeleiding, omdat betrokkene deze BW anders niet zal accepteren.
De rechtbank oordeelt dan ook dat nog geen sprake is van een definitieve medische eindsituatie. Het gaat momenteel niet goed met betrokkene en de opname is nodig om betrokkene te stabiliseren met en in te stellen op betere medicatie. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat betrokkene door de behandeling met andere medicatie stabieler door het leven zal gaan en bereid zal zijn om zijn mening over verplichte zorg tot uitdrukking te brengen, ook tijdens een eventuele mondelinge behandeling.
De rechtbank overweegt dat door de rechtspraak in zijn algemeenheid terughoudend wordt omgegaan met het afgeven van een zorgmachtiging met een duur langer dan 12 maanden. De rechtbank vindt het recht van betrokkene om door de rechtbank gehoord te worden zo wezenlijk dat een zorgmachtiging voor de duur van 24 maanden hier niet passend is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat over twaalf maanden gekeken moet worden naar hoe het met betrokkene gaat en of de klinische behandeling met andere medicatie aanslaat.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal aansluitend op een zorgmachtiging worden verleend voor de afwijkende duur van twaalf maanden met ingang van vandaag.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] voornoemd;
bepaalt dat bij wijze van verplichte zorg de maatregelen zoals opgenomen in rechtsoverweging 2.8. kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 5 augustus 2028;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 5 augustus 2026 mondeling gegeven door mr. E. Havik, rechter, in tegenwoordigheid van R.A.M. Smit, griffier, en op 31 augustus 2026 door mr. E. Havik, rechter, en H. Hasančević, griffier, schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.